Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- de heer [naam 1] , verpleegkundig specialist.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De officier van justitie verzocht de rechtbank om een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, die lijdt aan een schizofreniespectrumstoornis. Betrokkene gaf aan dat het goed met haar gaat en dat zij bereid is medicatie te blijven gebruiken indien nodig. De verpleegkundig specialist bevestigde dat betrokkene betrouwbaar is en goed samenwerkt met de hulpverlening, met een stabiele medicatie-inname en een positieve ontwikkeling.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat betrokkene ernstige nadelen ondervindt van haar psychische stoornis, zoals zelfverwaarlozing en sociale isolatie, maar dat er voldoende basis is voor vrijwillige zorg. De rechtbank concludeerde dat de criteria voor het opleggen van een zorgmachtiging, waaronder het ontbreken van minder bezwarende alternatieven en het ontbreken van vrijwilligheid, niet zijn vervuld.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af en bevestigde dat betrokkene op vrijwillige basis de benodigde zorg kan voortzetten. De beschikking werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026, met de mogelijkheid tot cassatie.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de zorgmachtiging wordt afgewezen wegens voldoende vrijwillige basis voor zorg.