ECLI:NL:RBZWB:2026:1255

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
C/02/443810 / FA RK 26-128
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 WvggzArt. 3:3 WvggzArt. 3:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek zorgmachtiging wegens voldoende vrijwillige basis voor zorg

De officier van justitie verzocht de rechtbank om een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, die lijdt aan een schizofreniespectrumstoornis. Betrokkene gaf aan dat het goed met haar gaat en dat zij bereid is medicatie te blijven gebruiken indien nodig. De verpleegkundig specialist bevestigde dat betrokkene betrouwbaar is en goed samenwerkt met de hulpverlening, met een stabiele medicatie-inname en een positieve ontwikkeling.

Tijdens de zitting werd vastgesteld dat betrokkene ernstige nadelen ondervindt van haar psychische stoornis, zoals zelfverwaarlozing en sociale isolatie, maar dat er voldoende basis is voor vrijwillige zorg. De rechtbank concludeerde dat de criteria voor het opleggen van een zorgmachtiging, waaronder het ontbreken van minder bezwarende alternatieven en het ontbreken van vrijwilligheid, niet zijn vervuld.

Daarom wees de rechtbank het verzoek af en bevestigde dat betrokkene op vrijwillige basis de benodigde zorg kan voortzetten. De beschikking werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026, met de mogelijkheid tot cassatie.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de zorgmachtiging wordt afgewezen wegens voldoende vrijwillige basis voor zorg.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443810 / FA RK 26-128
Datum uitspraak: 26 januari 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 9 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • de heer [naam 1] , verpleegkundig specialist.
1.3.
Tevens was bij de mondelinge behandeling aanwezig, maar is niet gehoord:
- de heer [naam 2] , leerling-verpleegkundige.

2.Wat vaststaat

2.1.
De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend tot en met 10 februari 2026.
2.2.
Betrokkene is onder curatele gesteld.

3.Het verzoek

3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene geeft aan dat het goed met haar gaat en dat ze blij is dat mensen werkzaam in de instelling naar haar luisteren. Betrokkene is van mening dat een zorgmachtiging niet meer nodig is. Zij blijft toch wel haar medicatie innemen indien dit nodig wordt geacht. Betrokkene ervaart wat negatieve bijwerkingen van de medicatie, maar in positieve zin merkt zij niet zoveel.
4.2.
De verpleegkundig specialist voert, samengevat, aan dat er sprake is van een fijne samenwerkingsrelatie met betrokkene. In het begin is er bij betrokkene gezocht naar een balans in de medicatie en inmiddels gebruikt betrokkene enkel nog één soort medicatie. Deze medicatie heeft minder bijwerkingen en neemt betrokkene eenmaal per week. Voorts geeft de verpleegkundig specialist aan dat betrokkene zeer betrouwbaar is in het nakomen van de afspraken. Er kan gebouwd worden op betrokkene en het vertrouwen is aanwezig. Met de huidige medicatie ziet de verpleegkundig specialist een gelukkige betrokkene en dat is volgens hem het belangrijkste. Volgens de verpleegkundig specialist gaat het goed zoals het nu gaat en is er een goede basis om op vrijwillige manier door te gaan.
4.3.
De advocaat geeft aan dat hetgeen de verpleegkundig specialist naar voren heeft gebracht hem als muziek in de oren klinkt. De advocaat kan enkel maar bevestigen dat het goed gaat met betrokkene, ze straalt helemaal en dit was de afgelopen jaren niet het geval. De advocaat verzoekt om afwijzing van het verzoek omdat er geen verzet aanwezig is bij betrokkene tegen de benodigde zorg.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge artikel 6:4 lid 1 Wvggz Pro verleent de rechter een zorgmachtiging, indien naar zijn oordeel is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:3 Wvggz Pro en het doel van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:4 sub b tot Pro en met e Wvggz.
5.2.
Ingevolge artikel 3:3 Wvggz Pro kan als uiterste middel verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:1 Wvggz Pro worden verleend, indien het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis, niet zijnde een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap, leidt tot ernstig nadeel en indien er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn, er voor betrokkene geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn, het verlenen van verplichte zorg, gelet op het beoogde doel van verplichte zorg, evenredig is en redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is.
5.3.
Gelet op de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen.
5.4.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag. In psychotische toestand is betrokkene zeer achterdochtig, waardoor zij op maatschappelijk vlak vastloopt. Daarnaast is er sprake van zelfverwaarlozing en roept betrokkene met haar verwarde gedrag agressie van anderen over zich af. Hierdoor raakt betrokkene ook sociaal geïsoleerd. Zo is in het verleden haar zoon uit huis geplaatst, met wie het contact (nog) niet is hersteld.
5.5.
Gelet op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, leidt de rechtbank af dat betrokkene goed in samenwerking is met de hulpverlening en er voldoende basis is voor een vrijwillige samenwerking. Betrokkene is betrouwbaar in haar afspraken. Met andere woorden, bij betrokkene is sprake van vrijwilligheid ten aanzien van de benodigde vormen van zorg voor de bij haar aanwezige psychische stoornis te weten: de inname van medicatie en het aanbrengen beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten (ambulante zorg) en daarmee is er een minder bezwarend alternatief dan het uiterste middel van de afgifte van een zorgmachtiging.
5.6.
Gelet op al het voorgaande wordt naar het oordeel van de rechtbank aldus niet voldaan aan de criteria die de wet aan de afgifte van een zorgmachtiging stelt. Dit betekent dat het verzoek zal worden afgewezen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 9 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.