ECLI:NL:RBZWB:2026:1270

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
02-222653-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen aanwezig hebben van 126 kilo cocaïne met gevangenisstraf van 28 maanden

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het aanwezig hebben van ongeveer 126.000 gram cocaïne in een loods te Etten-Leur in augustus 2025. Verdachte was samen met haar verloofde en medeverdachte meerdere uren aanwezig in de loods en verrichtte handelingen die wezen op betrokkenheid bij de drugs.

De rechtbank baseerde haar oordeel op camerabeelden en andere bewijsmiddelen waaruit bleek dat verdachte actief meewerkte bij het uit elkaar halen van bundels rozen waarin de cocaïne was verpakt. Verdachte ontkende echter wetenschap van de drugs en stelde dat zij er was om persoonlijke spullen te halen en dacht dat het om vuurwerk ging.

De rechtbank verwierp deze verklaringen als ongeloofwaardig en concludeerde dat verdachte wel degelijk wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne. Gelet op de omvang van de drugs, de wijze van verpakking en de rol van verdachte, achtte de rechtbank haar strafbaar en legde een gevangenisstraf van 28 maanden op, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank hield rekening met de kwetsbare positie van verdachte en haar beperkte rol, waardoor de straf lager uitviel dan de door het Openbaar Ministerie gevorderde 42 maanden. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 28 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van het aanwezig hebben van circa 126 kilo cocaïne.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-222653-25
vonnis van de meervoudige kamer van 26 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
ingeschreven op het [adres 1] ,
raadsvrouw mr. F.J. Poppelaars-Hoogenraad, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in 't Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (02-222628-25) en [medeverdachte 2] (02-251899-25).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 8 tot en met 11 augustus 2025 samen met anderen ongeveer 126.000 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, waarbij hij uitgaat van de periode 10 augustus 2025 tot en met 11 augustus 2025.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat verdachte geen beschikkingsmacht had over en geen wetenschap had van de cocaïne.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Juridisch kaderVoor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van (hard)drugs moet kunnen worden vastgesteld dat verdachte wist dat er cocaïne aanwezig was en dat zij daarover feitelijke macht kon uitoefenen. Onder feitelijke macht uitoefenen kan in dit concrete geval worden verstaan de mogelijkheid om de cocaïne in handen te nemen. Die mogelijkheid heeft in elk geval bestaan als de verdachte gedurende enige tijd op de plaats waar de cocaïne lag, aanwezig is geweest. In dat verband stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast op basis van de in bijlage II uitgewerkte bewijsmiddelen.
Feiten en omstandigheden
Op 11 augustus 2025 is in een loods aan [adres 2] (hierna: de loods) ongeveer 126.000 gram cocaïne aangetroffen. Deze cocaïne zat verpakt in 2260 plastic buizen, gelijkend op bloemstengels. Deze stengels waren gebundeld en omringd met rozen, waardoor het boeketten met rozen leken te zijn. Die boeketten zaten verpakt in dozen met daarop de tekst ‘Flowers product of Colombia’. Ter plaatse zijn verdachte en haar verloofde tevens medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) aangehouden. Ook was zij te zien in de loods op camerabeelden van 10 en 11 augustus 2025.
Op 10 augustus 2025 om 14:41 uur komen verdachte en [medeverdachte 1] aan bij de loods. Verdachte draagt een grote zwarte tas bij zich en gaat samen met [medeverdachte 1] naar binnen. Binnen staat [medeverdachte 1] voornamelijk in de laadbak van een bakwagen. Hij scheidt de rozen van plastic stengels en legt die stengels apart in dozen. Verdachte geeft [medeverdachte 1] een stanleymes aan, waarmee hij de bundels los kan snijden. Verder harkt verdachte in de laadbak de rozenknoppen bij elkaar, haalt de etiketten van de dozen af en maakt de lege dozen klein. Verdachte en [medeverdachte 1] verlaten om 15:51 uur de loods, maar komen om 20:35 uur weer terug. Om 20:56 uur overhandigt verdachte de zwarte tas, die zij eerder die dag meenam naar de loods, en een (nog in cellofaan verpakte) rode kist aan [medeverdachte 1] . De kist en de tas worden door [medeverdachte 1] gevuld met stengels.
Op 11 augustus 2025 om 12:31 uur komen verdachte en [medeverdachte 1] samen de loods binnen. Om 13:02 uur bekijkt verdachte stengels die in een doos op de laadbak liggen. Ook geeft zij [medeverdachte 1] boeketten aan, die hij - net als de dag ervoor - uit elkaar haalt, zodat er plastic stengels resteren. De stengels legt hij bij de overige stengels in een doos. Vanaf 13:20 uur haalt verdachte boeketten uit de dozen en verwijdert van deze boeketten het verpakkingsmateriaal. Tot slot gaat zij verder met het scheuren en klein maken van de dozen. Verdachte en [medeverdachte 1] verlaten de loods om 13:49 uur, waarna zij buiten worden aangehouden.
Tussenconclusie feitelijke macht
Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de (in stengels verpakte) cocaïne zich op 10 en 11 augustus 2025 in de machtssfeer bevonden van verdachte en haar verloofde [medeverdachte 1] , met wie zij op die dagen meerdere uren nauw en intensief heeft samengewerkt. Daarbij heeft verdachte ook zelf de met cocaïne gevulde stengels in haar handen gehad.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte ook wetenschap had van deze cocaïne.
Wetenschap verdachte
Verdachte heeft tot en met de zitting ontkend te hebben geweten van de cocaïne. Na zich op advies van de verdediging bij de politie kort op haar zwijgrecht te hebben beroepen, zou verdachte volgens de verdediging vervolgens consequent hebben verklaard dat ze naar de loods ging om persoonlijke spullen te halen. Ze vond de situatie vreemd, maar is gebleven om [medeverdachte 1] te helpen. Later heeft ze verklaard dat ze dacht dat het om vuurwerk ging.
Voor het antwoord op de vraag naar de wetenschap van verdachte zal de rechtbank de verklaringen van verdachte beoordelen in het licht van de vastgestelde feiten en omstandigheden en het onderzoek ter zitting. Daartoe zet de rechtbank de verklaringen van verdachte eerst op een rij.
Op 13 augustus 2025 verklaart verdachte dat ze in de loods persoonlijke spullen ging uitzoeken van [medeverdachte 1] en haar. Ze kon er niet bij dus moest ze dozen aan de kant zetten. Ze zocht de map van haar opleiding, maar die hadden ze nog niet gezien. Zover waren ze nog niet. Op 10 augustus heeft ze wel een rode Dirk tas met spullen uit de loods meegenomen. Ze heeft (rechtbank: verder) alleen wat lege dozen op de bakwagen gezet, omdat ze niet bij haar eigen spullen kon. Het stond helemaal vol tot de deur, dus hebben ze die dozen op de bakwagen gezet. De dozen waren kapotgescheurd en daar zat karton in. Op de dozen stond Flowers of Columbia. Ze heeft rozen aangeraakt, omdat die op de spullen lagen, maar ze wist niet waar die vandaan kwamen. Ze heeft wel donkergroene buizen gezien, maar wist niet wat het was. Ze heeft ook een zwarte tas verplaatst. Ze weet niet waarom ze die heeft verplaatst en bij nadere vragen van de politie over deze tas beroept verdachte zich op haar zwijgrecht.
Bij de rechter-commissaris herhaalt ze op 14 augustus 2025 dat ze in de loods was om persoonlijke spullen uit te zoeken.
In een door haarzelf handgeschreven A-viertje van 10 november 2025 schrijft verdachte dat de vader van [medeverdachte 1] en zijn broer op 8 augustus 2025 was gestorven. Ze ging naar Etten-Leur (de rechtbank begrijpt naar de loods) om persoonlijke spullen uit te zoeken, maar het was zo’n bende dat ze uiteindelijk maar op is gaan ruimen. In eerste instantie vond ze het niet raar, omdat ze een flink aantal bossen rozen naar het mortuarium hadden gebracht om bij de vader van [medeverdachte 1] te leggen. Toch kreeg ze een onderbuikgevoel, want het was ook raar. Ze heeft gevraagd wat dit nou was, maar kreeg geen antwoord. Daarom had ze ook maar niet verder gevraagd. Ze dacht dat het vuurwerk was, gezien de vorm en omdat er op het etiket Litouwen stond. Er komt immers ook vuurwerk uit Litouwen. Er staat daar ook een vuurwerkfabriek. Ze had echt geen idee dat het coke was. Ze heeft daar een ander beeld bij, in de vorm van blokken ofzo, aldus verdachte.
Op 16 december 2025 heeft verdachte herhaald dat ze in de loods kwam voor haar spullen. Haar map van de opleiding tot voedingsdeskundige lag daar nog en die had ze nodig. Ze wilde [medeverdachte 1] ook niet alleen laten, omdat zijn vader twee dagen ervoor was overleden. Hij vroeg haar wel wat dingen aan te geven en dat heeft ze ook gedaan. Toen ze op de bakwagen klom kreeg ze wel een onderbuikgevoel en heeft ze gevraagd wat het was, maar ze kreeg geen antwoord. Ze dacht dat het vuurwerk was. Haar hoofddoel was om de studiemap te halen, maar ze wilde ook weten welke andere spullen er nog lagen. De buizen waren raar. Ze dacht dat het illegaal vuurwerk was vanwege de vorm. Ze dacht dat omdat ze op het etiket Litouwen zag staan en omdat er in de loods ook vuurwerk lag. Volgens haar lagen in de bakwagen de rozenblaadjes. Wat er verder in lag weet ze niet. Ze heeft er niet op gelet wat [medeverdachte 1] met de blaadjes en de stengels deed. [medeverdachte 1] vroeg haar een hark te pakken en ze heeft de rozenblaadjes in de bakwagen bij elkaar geveegd. Over de zwarte tas kan ze verklaren dat [medeverdachte 1] haar vroeg die aan te geven. Verder weet ze het niet.
Waar zij de grote zwarte tas bij de politie niet thuis kon brengen, heeft ze op zitting
- na confrontatie met de beelden - verklaard dat [medeverdachte 1] en zij de grote zwarte tas nieuw hadden gekocht. Volgens verdachte om hun persoonlijke spullen vanuit de loods in mee te nemen.
Conclusie rechtbank wetenschap en eindconclusie
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte dat zij in de loods was om persoonlijke spullen uit te zoeken en dat zij enkel wat dozen heeft verplaatst om bij die persoonlijke spullen te kunnen komen, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen, meer in het bijzonder door de camerabeelden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met [medeverdachte 1] is meegegaan om hem te helpen bij het uit elkaar halen van de bundels rozen en het verzamelen van de stengels met cocaïne. Werkzaamheden waar [medeverdachte 1] al twee dagen eerder mee bezig was geweest. Hoewel verdachte vooral het afval heeft opgeruimd dat door het uitpakken van de dozen en het scheiden van de deklading (de rozen) van de met cocaïne gevulde stengels was ontstaan, heeft zij ook andere wezenlijke bijdragen geleverd. De rechtbank wijst daarbij op de gloednieuwe rode kist die verdachte op enig moment op de bakwagen legt en die door [medeverdachte 1] gevuld wordt met stengels. Alsook de door verdachte en [medeverdachte 1] gekochte grote zwarte tas, die blijkens de camerabeelden niet bestemd was voor het vullen met persoonlijke spullen, maar om de cocaïnestengels in te doen. De rechtbank acht het daarbij van belang dat deze tas door verdachte en [medeverdachte 1] is gekocht nog voordat verdachte in de loods vol met dozen ’Flowers product of Colombia’ was geweest. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders dan dat het verdachte vooraf al duidelijk is geweest wat de bedoeling van die aankoop was: vullen met (cocaïne)stengels. Bovendien liegt verdachte aantoonbaar in haar laatste politieverklaring van 16 december 2025 dat ze er niet op heeft gelet wat [medeverdachte 1] met de blaadjes en de stengels deed. Niet alleen heeft ze uren met haar neus er bovenop gestaan, maar ze geeft hem al tijdens hun eerste loodsbezoek op 10 augustus 2025 kort na binnenkomst een stanleymes om de bundels los te snijden. Tot slot is verdachte pas op 10 november 2025 met haar ‘alternatief scenario’ gekomen dat ze dacht dat het om illegaal vuurwerk ging. Net als de politie haar heeft voorgehouden, is ook de rechtbank geen vuurwerk bekend dat eruitziet als de (ruim tweeduizend) lange dunne groene plastic stengels die verstopt zaten in de rozenbundels. Bovendien staat [medeverdachte 1] regelmatig met een brandende sigaret, terwijl hij de stengels scheidt van de rozen, waardoor het voor verdachte toch ook duidelijk moet zijn geweest dat deze stengels geen vuurwerk konden bevatten.
De rechtbank concludeert dat de verklaringen van verdachte over het doel van haar loodsbezoek en de door haar in die loods verrichte activiteiten in strijd zijn met de waarheid. De enige reden daarvoor moet zijn dat zij heeft willen verbloemen dat zij wel degelijk wist dat het om stengels gevuld met cocaïne ging. Daarom kan het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne wettig en overtuigend bewezen worden, zoals hierna onder 4.4. wordt weergegeven.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van 10 augustus 2025 tot en met 11 augustus 2025 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 126.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij de strafmaat rekening te houden met de feitelijke rol van verdachte, het opzetniveau, het proportionaliteitsbeginsel en haar persoonlijke omstandigheden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft samen met haar verloofde 126 kilo gram cocaïne aanwezig gehad op 10 en 11 augustus 2025. De aangetroffen hoeveelheid harddrugs vertegenwoordigt een grote straatwaarde en ook de wijze waarop de harddrugs was verpakt doen vermoeden dat verdachte en haar mededader een rol hebben gespeeld in de georganiseerde drugshandel, waarvan bekend is dat deze ernstige gevolgen heeft voor de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van cocaïne schadelijk is voor de volksgezondheid. De productie, handel in en consumptie van harddrugs (of voorbereiding daarvan) veroorzaken regelmatig overlast en genereren andere vormen van criminaliteit, waaronder zelfs liquidaties. Bovendien investeren of spenderen dergelijke organisaties hun in de onderwereld illegaal behaalde winsten doorgaans in de bovenwereld waardoor vermenging van de boven- en onderwereld plaatsvindt. Dergelijke misdrijven hebben dan ook een ontwrichtend en ondermijnend effect op de samenleving als geheel. Verdachte heeft met haar handelen hieraan een wezenlijke bijdrage geleverd.
Gelet op de bewezenverklaring concludeert de rechtbank dat zij geen openheid van zaken heeft gegeven. Zij heeft tegenover de politie en tegenover de rechtbank ongeloofwaardige verklaringen afgelegd. Dat weegt de rechtbank mee in haar nadeel.
In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de persoon van verdachte. De rechtbank ziet in verdachte een kwetsbare en afhankelijke vrouw die - ook na haar aanhouding en voorarrest - nog steeds stapelgek is op haar verloofde [medeverdachte 1] en met hem wil trouwen. Met de verdediging is de rechtbank het eens dat verdachte, die een blanco strafblad heeft, zonder die verloofde niet in aanraking zou zijn gekomen met dit ernstige harddrugsfeit.
De rechtbank houdt bij de strafmaat rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht van de rechtbanken en hoven (LOVS). Voor het aanwezig hebben van meer dan 20 kilo harddrugs geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van op zijn minst 36 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank bij de strafmaat gekeken naar de procesafspraken die zijn gemaakt in de zaak van de verloofde van verdachte. Daarbij gold als uitgangspunt een gevangenisstraf van 54 maanden en een geldboete. Dit is in het kader van de procesafspraken verlaagd naar 42 maanden en een geldboete.
De rechtbank neemt evenals de officier van justitie tot uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden. Gelet op de beperktere rol van verdachte en de persoon van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om van de door de officier van justitie gevorderde straf af te wijken die resulteert in een matiging van de straf. Gelet op de proceshouding van verdachte is er geen reden voor een voorwaardelijk deel. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 28 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 28 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter,
en mr. R.J.H. de Brouwer en mr. P.K.J. van der Wal, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 februari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
zij in of omstreeks de periode van 8 augustus 2025 tot en met 11 augustus 2025 te Etten-Leur, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 126.000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.