Op 9 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen [eiseres] B.V. en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Eiseres had beroep ingesteld omdat het UWV niet tijdig had beslist op haar aanvraag van 20 augustus 2025 tot herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een (ex-)werknemer. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was, aangezien het UWV de beslistermijn had overschreden. Eiseres had het UWV op 18 oktober 2025 in gebreke gesteld, en het UWV had de ingebrekestelling op 20 oktober 2025 ontvangen. De rechtbank bepaalde dat het UWV binnen vier maanden na de uitspraak alsnog een besluit moest nemen.
Daarnaast vroeg eiseres om een dwangsom van € 250,- per dag voor elke dag dat de beslistermijn werd overschreden. De rechtbank legde een dwangsom op van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank oordeelde dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiseres moest vergoeden en dat eiseres recht had op een vergoeding van € 467,- voor proceskosten. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 9 januari 2026 en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet tegen de uitspraak.