Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1283

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
BRE 26/828 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 GrondwetArt. 8:83 AwbArt. 1.1.1 Wmo 2015Art. 1.2.1 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek maatschappelijke opvang wegens enkel huisvestingsprobleem

Verzoeker, een 20-jarige Nederlandse van Somalische afkomst, keerde recent terug uit Kenia en vroeg maatschappelijke opvang aan op grond van de Wmo 2015. Hij verbleef tijdelijk bij familie en vrienden en ontving opvang van 26 januari tot 4 februari 2026. Het college wees zijn aanvraag af omdat er geen sprake was van een hulpvraag binnen de Wmo, maar enkel van een huisvestingsprobleem.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker weliswaar een spoedeisend belang had, maar dat hij zelfredzaam is en geen intensieve begeleiding of hulp nodig heeft. De praktische problemen die verzoeker ervaart, zoals het regelen van inschrijving en huisvesting, zijn onvoldoende om maatschappelijke opvang toe te kennen. De Wmo 2015 is niet bedoeld om enkel huisvestingsproblemen op te lossen.

Verzoekers beroep op het gelijkheidsbeginsel en artikel 1 Grondwet Pro werd verworpen omdat het college op basis van objectieve criteria handelde. Ook de verzoeken om daklozenuitkering en bijzondere bijstand werden niet toegewezen omdat deze niet onderwerp van het bestreden besluit waren.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het besluit van het college standhoudt en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoeker kan het besluit op bezwaar afwachten. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker geen hulpvraag in het kader van de Wmo 2015 heeft en enkel een huisvestingsprobleem kent.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/828 WMO15 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. P.C. Schouten),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om hulp in de vorm van opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het houden van een mondelinge behandeling ter zitting. [1] De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat de zaak over?
2. Verzoeker heeft zich op 26 januari 2026 en 4 februari 2026 gemeld bij het loket Centraal Onthaal met het verzoek om maatschappelijke opvang. Verzoeker is van Somalische afkomst, heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft van zijn derde tot zijn veertiende levensjaar in Nederland gewoond. In 2019 is hij met zijn ouders en broers en zussen naar Kenia verhuisd. Op 15 januari 2026 is verzoeker, inmiddels 20 jaar oud, teruggekomen naar Nederland om een studie te volgen. Sindsdien verblijft hij bij familie, vrienden of kennissen. Hangende het onderzoek naar zijn hulpvraag heeft verzoeker van 26 januari 2026 tot en met 4 februari 2026 opvang gekregen.
2.1.
Op 5 februari 2026 is verzoeker mondeling medegedeeld dat hij geen gebruik meer kan maken van de opvang. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze weigering van een tijdelijke woonvoorziening en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 17 februari 2026 heeft het college het verzoek tot toegang tot de maatschappelijke opvang schriftelijk afgewezen, omdat uit onderzoek is gebleken dat verzoeker alleen een huisvestingsvraagstuk heeft en een aantal praktische vragen. Gesteld noch gebleken is van hulpvragen in het kader van de Wmo 2015. Verzoeker is geheel onvoorbereid uit Kenia naar Nederland gekomen zonder te onderzoeken of, en zo ja, waar hij zich in Nederland kan (her)vestigen. Daarmee voldoet hij volgens het college niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor maatschappelijke opvang.
2.3.
Verzoeker is het niet eens met de afwijzing. Hij stelt dat hij gebaat is bij een snelle tijdelijke woonvoorziening dan wel maatwerkvoorziening. Zonder onderdak en daklozenuitkering kan hij niet overleven. Het beschikbaar stellen van een tijdelijke woonvoorziening valt volgens verzoeker onder de Wmo 2015 en de gemeente is verantwoordelijk voor (onderzoek naar) opvang en ondersteuning van dakloze mensen, zoals verzoeker. Verzoeker wil met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat het college hem toegang verschaft tot een tijdelijke woonvoorziening in de vorm van maatschappelijke opvang, tot verstrekking van een daklozenuitkering en bijzondere bijstand voor gemaakte taxi- en hotelkosten voor twee overnachtingen.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure voor als iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaarschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
3.1.
Verzoeker voert aan dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat hem met het bestreden besluit zijn eerste levensbehoeftes (bed, bad en brood) zijn ontzegd, waardoor hij in een uitzichtloze situatie zit en zonder geld over straat moet zwerven. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang en zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
Heeft verzoeker recht op een tijdelijke woonvoorziening in de vorm van maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015?
4. Voor een recht op maatschappelijke opvang is bepalend of verzoeker in staat is zich te handhaven in de samenleving. [2] Verzoeker kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als hij geen onderdak heeft, door de problemen die hij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. [3] In zo’n geval is iemand niet zelfredzaam. Als een zelfredzaam iemand een woning krijgt, dan zijn de problemen van die persoon daarmee ook opgelost. Bij iemand die niet zelfredzaam is, is dat niet het geval. De persoon die niet zelfredzaam is, zal ondanks het krijgen van een woning nog steeds geholpen moeten worden om zijn dagelijks leven te organiseren. Om die reden wordt bij maatschappelijke opvang het verlenen van opvang dan ook gekoppeld aan een hulptraject.
4.1.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het college het standpunt heeft mogen innemen dat verzoeker zelfredzaam is, omdat gesteld noch gebleken is dat verzoeker hulpvragen heeft in het kader van de Wmo 2015. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat enkel sprake is van een huisvestingsprobleem. Het feit dat verzoeker geen onderdak heeft, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat verzoeker niet in staat is zich te handhaven in de samenleving. Hoewel iemand niet alles zelf hoeft te kunnen, acht de voorzieningenrechter verzoeker in staat om zelf regie te nemen.
4.2.
Uit de weergave van meldingen en een uitgebreide intake bij tussenvoorziening Warm Thuis maakt de voorzieningenrechter op dat verzoeker naar Nederland is gekomen om een betere toekomst voor zichzelf op te bouwen, zijn familie financieel te ondersteunen en mogelijk tot gezinshereniging in Nederland te komen. Verzoeker heeft uitsluitend hulp nodig van praktische aard en gericht op het regelen van basiszaken zoals inschrijving, DigiD, zorgverzekering, het vinden van werk en huisvesting. Verzoeker beschikt over een (beperkt) sociaal netwerk, bestaande uit vrienden van zijn vader en een vriend in [plaats 2] . Hij heeft goed contact met zijn ouders. Daarnaast heeft verzoeker zelf aangegeven dat hij zichzelf psychisch en lichamelijk gezond voelt en geen behoefte heeft aan begeleiding. Er is geen sprake van psychiatrische klachten, trauma, verslavingsproblematiek of ontregeld gedrag en evenmin van sociale ontwrichting of een situatie waarin intensieve begeleiding noodzakelijk is. De voorzieningenrechter komt daarom tot de conclusie dat verzoeker in staat is zijn eigen leven op een goede manier in te richten. De praktische hulpvragen die verzoeker heeft, moet hij zelf met hulp van anderen kunnen organiseren. Hij is daarnaast door het college verwezen naar maatschappelijk werk.
4.3.
De voorzieningenrechter ziet dat verzoeker een probleem heeft ten aanzien van huisvesting. In de regio Breda en in grote delen van Nederland is het moeilijk om een woning te vinden en de voorzieningenrechter acht aannemelijk dat mensen in woningnood kunnen verkeren. De situatie waarin verzoeker verkeert is echter ook toe te schrijven aan hemzelf. Verzoeker had er ook voor kunnen kiezen om eerst zekerheid te hebben van (tijdelijke) woonruimte, eventueel binnen zijn sociaal netwerk of dat van zijn familie, dan wel over voldoende financiële middelen te beschikken om onderdak te kunnen bekostigen, voordat hij af zou reizen naar Nederland. Overigens is op geen enkele wijze onderbouwd dat verzoeker andere pogingen heeft ondernomen voor het vinden van onderdak. De Wmo 2015 en de maatschappelijke opvang zijn echter niet bedoeld om een oplossing te bieden voor de situatie waarin iemand enkel een woning nodig heeft.
4.4.
De stelling van verzoeker dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 1 van Pro de Grondwet, kan niet worden gevolgd. Het college heeft namelijk niet op basis van etniciteit, afkomst of andere persoonskenmerken, maar op basis van de bepalingen in de Wmo 2015 vastgesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang.
4.5.
Gezien het voorgaande is de verwachting dat het besluit van 17 februari 2026 stand zal houden.
4.6.
Aan verzoekers verzoeken tot verstrekking van een daklozenuitkering en bijzondere bijstand voor gemaakte taxi- en hotelkosten voor twee overnachtingen kan de voorzieningenrechter niet toekomen. Het bestreden besluit ziet namelijk niet op (de weigering van) een bijstandsuitkering of bijzondere bijstand. Nog daargelaten of verzoeker daartoe aanvragen heeft ingediend.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter vindt dat verzoeker het besluit op bezwaar kan afwachten en wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoeker op dit moment geen toegang tot de maatschappelijke opvang hoeft te bieden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 26 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk als het verzoek kennelijk ongegrond is.
2.Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015.
3.Zie onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1797.