ECLI:NL:RBZWB:2026:1286
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1972 met een woonoppervlakte van 181 m2 en een perceel van 1.035 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2024 vast op € 890.000, wat leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting voor 2025. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarde en stelde dat de waardestijging van zijn woning ten opzichte van 2018 te hoog was vastgesteld in vergelijking met referentiewoningen.
De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de vergelijkingsmethode die de heffingsambtenaar hanteerde, waarbij verkoopprijzen van referentieobjecten rond de waardepeildatum werden geïndexeerd en gecorrigeerd voor verschillen in kenmerken. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
Belanghebbendes verwijzing naar een afwijkend waardestijgingspercentage en een beroep op het gelijkheidsbeginsel werden verworpen, omdat de referentieobjecten voor 2018 niet vergelijkbaar waren en voor 2024 wel voldoende vergelijkbare objecten waren gebruikt. De rechtbank stelde vast dat de vraag of andere woningen te laag waren gewaardeerd niet aan de orde was in deze procedure.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de beschikking en aanslag in stand blijven. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Ponds en griffier S. Panah en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting wordt ongegrond verklaard en de beschikking blijft in stand.