ECLI:NL:RBZWB:2026:1292

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
02-157034-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 326 SrArt. 47 SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gekwalificeerde diefstallen via nepagenten bij ouderen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van veertien gekwalificeerde diefstallen gepleegd in een periode van drie maanden. Verdachte en mededaders benaderden voornamelijk oudere slachtoffers telefonisch, waarbij zij zich voordeden als politie- of bankmedewerkers. Door geraffineerde gesprekken werden slachtoffers misleid om bankpassen, contant geld en waardevolle goederen af te staan, die vervolgens werden opgehaald en niet teruggegeven.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de rol van beller een cruciale bijdrage leverde aan de diefstallen. Locatiegegevens van telefoons en inhoud van aangetroffen gegevens op in beslag genomen telefoons ondersteunden deze conclusie. Verdachte werd vrijgesproken van een derde feit wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van vijf jaar op, met aftrek van voorarrest, en wees schadevergoedingen toe aan verschillende benadeelde partijen. De ernst van de feiten, de kwetsbaarheid van de slachtoffers en het recidiverisico van verdachte speelden een rol bij de strafoplegging. Daarnaast werden de in beslag genomen telefoons verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf voor medeplegen van veertien gekwalificeerde diefstallen met schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-157034-25
vonnis van de meervoudige kamer van 27 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
thans gedetineerd in [verblijfplaats]
raadsvrouw mr. M.W. Bouwman, advocaat te Leek

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.A.M. Dekker en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv). De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan vijftien diefstallen van in de eerste plaats bankpassen al dan niet met pincodes, sieraden, contant geld en andere waardevolle goederen door zich voor te doen als politie- dan wel bankmedewerker en vervolgens met de weggenomen bankpassen en pincodes van zeven slachtoffers geld op te nemen dan wel betalingen te doen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op grond van de stukken in het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1 en 2. Van feit 3 vordert zij vrijspraak.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van de tenlastegelegde feiten nu er onvoldoende bewijs is om vast te kunnen stellen dat verdachte de gebruiker is geweest van de Apple iPhone X, 11 en 6. Verder is er geen sprake van medeplegen nu verdachte geen significante, wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan deze feiten. De enkele wetenschap van die feiten, het verkeren in de nabijheid van mogelijke daders of de informatie die op de bij verdachte in beslag genomen telefoons is aangetroffen, is daarvoor onvoldoende.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1 en 2
Feiten en modus operandi
De rechtbank stelt het volgende vast. Vijftien personen hebben aangifte gedaan van fraude door nepagenten en/of bankhelpdeskfraude in de periode van 7 februari 2025 tot en met 7 mei 2025. Uit de verschillende aangiftes komt naar voren dat de daders steeds een vergelijkbare werkwijze hanteerden. Deze was geraffineerd en doordacht en gericht op het misleiden van voornamelijk oudere slachtoffers, teneinde hen te bewegen tot het afstaan van waardevolle goederen, contant geld en bankpassen al dan niet met bijbehorende pincode. Daartoe werden de aangevers telefonisch benaderd, waarbij de beller zich voordeed als een politieagent of rechercheur dan wel een bankmedewerker. Tijdens het gesprek werd in bijna alle gevallen doorgeschakeld van de politieagent naar een bankmedewerker of andersom. In deze gesprekken werd de aangevers door de bellers een zorgwekkend en geloofwaardig klinkend verhaal voorgehouden dat per aangever iets wisselde maar telkens een of meer van de volgende elementen bevatte. Zo werd de aangevers voorgehouden dat er geld van hun rekening was gehaald en de bank hierop hun rekening had geblokkeerd of dat dit was geprobeerd en dat de bank dit had voorkomen. Naar aanleiding hiervan moest de bankpas met pincode worden vervangen en de oude bankpas al dan niet worden ingeleverd als bewijs. Ook werd er voorgehouden dat er een criminele bende in de buurt van de aangevers actief was of dat er bij hen was geprobeerd in te breken of dat er inbrekers waren aangehouden waarbij een lijstje was aangetroffen met daarop adressen waaronder het adres van aangevers. De voorgehouden situaties zouden aanleiding geven tot een onveilige situatie of dreiging van een strafbaar feit. Gelet daarop adviseerden de bellers om waardevolle goederen, contanten en/of bankpassen al dan niet inclusief pincode aan een medewerker van de politie mee te geven, die zou langskomen om dit op te halen zodat deze spullen veilig gesteld zouden worden, al dan niet in een kluis bij de bank. Om het vertrouwen van de aangevers te winnen, werd soms het dienstnummer verstrekt van de zogenaamde politieagent die belde en/of de naam en het dienstnummer van degene die aan de deur zou komen. Ook werd ter verificatie verwezen naar de website van de politie om daar de naam van de desbetreffende agent in te typen. Verder is in een enkel geval gevraagd om te controleren of er braakschade was.
Vervolgens begaf een van de daders zich naar de woning van de aangevers, waar werd gevraagd naar de bankpassen al dan niet met pincodes, contant geld, sieraden of andere waardevolle goederen, die vervolgens werden meegenomen of door de aangevers werden afgegeven.
Bij zeven aangevers is vervolgens kort na de afgifte van de bankpassen en pincodes geld gepind of zijn daarmee betalingen verricht.
Telefoons waarmee de aangevers zijn gebeld
Uit onderzoek blijkt dat alle aangevers zijn gebeld met een Apple iPhone X met het [IMEI-nummer 1] , met uitzondering van aangevers [aangever 1] en [aangever 2] . Die laatste twee zijn gebeld met een Apple iPhone 6 met het [IMEI-nummer 2] .
Informatie over verdachte en over [medeverdachte]
en verdachte (in deze paragraaf verder te noemen: [verdachte] ) zijn samen op 12 mei 2025 in de Volkswagen Golf met [kenteken] (verder: de Volkswagen) van [medeverdachte] aangehouden.
Onder [medeverdachte] is een Apple iPhone 13 Pro Max aangetroffen, waarvan hij zegt de eigenaar en gebruiker te zijn.
Onder [verdachte] zijn een Apple iPhone 6, 11 en 12 aangetroffen.
Verder is in deze zaak een Samsung Galaxy van een andere medeverdachte van belang.
Betrokkenheid [verdachte]
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [verdachte] als medepleger van de ten laste gelegde feiten is aan te merken.
Voor een bewezenverklaring van medeplegen moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Voor de bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s).
De rechtbank stelt vast dat de werkwijze zoals hierboven beschreven een planmatige aanpak vergt, waarbij sprake is van een intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen, waarbij in een kort tijdsbestek wordt gehandeld. Hierbij zijn doorgaans een aantal vaste rollen te onderscheiden, zoals de beller(s), de coördinator, de chauffeur (driver), de haler en eventueel de pinner (ook wel timer genoemd).
De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] dat hij niet betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten ongeloofwaardig. Deze verklaring is namelijk in strijd met de bevindingen in het dossier. Daarbij komt verdachte eerst ter zitting met een verklaring die niet ondersteund wordt door het dossier of anderszins. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier ten aanzien van alle aangiften, die zien op veertien verschillende data gelegen in de periode van 7 februari 2025 tot en met 7 mei 2025, voldoende wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] daarbij betrokken was in de rol van beller.
Aangevers [aangever 3] en [aangever 4]
Voor aangever [aangever 3] , naar aanleiding waarvan het onderhavige onderzoek is gestart, en aangever [aangever 4] zijn hiervoor de locatiegegevens van de Apple iPhone X, de Apple iPhone 11 van [verdachte] en de Samsung Galaxy van een andere medeverdachte in samenhang bezien met de hierboven beschreven werkwijze bepalend. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat de Apple iPhone 11 voor het eerst op 13 januari 2025 in de directe omgeving en/of op dezelfde zendmast aanstraalt als de Apple iPhone X.
Als concreet gekeken wordt naar de momenten waarop de twee voornoemde aangevers met de Apple iPhone X zijn gebeld, dan blijkt dat op de tijdstippen waarop deze telefonische contacten plaatsvonden de Apple iPhone 11 en de Samsung Galaxy in de directe omgeving en/of op dezelfde zendmast aanstraalden als de Apple iPhone X. Aldus waren zowel [verdachte] en een andere medeverdachte exact op deze twee data en tijdstippen in de directe nabijheid van de Apple iPhone X.
Overige aangevers gebeld met de Apple iPhone X
Voor aangevers [aangever 5] , [aangever 6] , [aangever 7] , [aangever 8] , [aangever 9] , [aangever 10] , [aangever 11] , [aangever 12] , [aangever 13] en [aangever 14] zijn hiervoor de locatiegegevens van de Apple iPhone X, de Apple iPhone 13 Pro Max van [medeverdachte] , de Apple iPhone 11 van [verdachte] en/of de Volkswagen in samenhang bezien met de hierboven beschreven werkwijze bepalend.
Als voor deze tien aangevers concreet wordt gekeken naar de momenten waarop zij met de Apple iPhone X zijn gebeld, dan blijkt dat op de tijdstippen waarop deze telefonisch contacten plaatsvonden de Apple iPhone 13 Pro Max van [medeverdachte] , de Apple iPhone 11 van [verdachte] en/of de Volkswagen in de directe omgeving en/of op dezelfde zendmast aanstraalden als de Apple iPhone X. Kortom, op de tien verschillende data en tijdstippen waarop deze aangevers met de Apple iPhone X zijn gebeld, waren zowel [verdachte] als [medeverdachte] in de directe nabijheid van die telefoon.
[aangever 15]
Alleen voor [aangever 15] , die gebeld is op 15 april 2025, bevat het dossier geen concrete informatie over de combinatie van aanstraalgegevens van de Apple iPhone X, de Apple iPhone 13 Pro Max van [medeverdachte] , de Apple iPhone 11 van [verdachte] en/of de Volkswagen. Desondanks kan ook deze aangifte aan [verdachte] worden toegeschreven, aangezien de Apple iPhone 13 Pro Max en/of de Volkswagen in die periode steeds in de directe omgeving en/of op dezelfde zendmast aanstraalden als de Apple iPhone X. Hieruit volgt weliswaar dat [medeverdachte] zich op 15 april 2025 dus in de directe nabijheid van de Apple iPhone X bevond, maar dit zegt niets over [verdachte] . Nu uit het dossier evenmin enige betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit kan worden afgeleid, zal de rechtbank hem van [aangever 15] vrijspreken.
Apple iPhone 11
De pas ter terechtzitting afgelegde verklaring van [verdachte] over de Apple iPhone 11, dat deze wel van hem was, maar dat hij deze veelal aan iemand anders uitleende waarvan hij de naam niet wil noemen, schuift de rechtbank terzijde. Uit onderzoek van deze telefoon is namelijk naar voren gekomen dat hierop zeer veel identificerende gegevens van [verdachte] zijn aangetroffen zoals een Google account, Google maps en Google fit en een e-mailaccount op naam van [verdachte] . Ook stonden er foto’s van [verdachte] zelf op en van een brief van het CJIB die aan hem was gericht. Verder was op deze telefoon een Instagram-account geïnstalleerd dat ook was geïnstalleerd op de Apple iPhone 12, waarvan [verdachte] heeft gezegd dat hij de gebruiker daarvan is. Dit Instagram-account had bovendien exact dezelfde username ( [gebruikersnaam] ) als de username van het Snapchat-account dat op de Apple iPhone 12 van [verdachte] werd aangetroffen. Verder maakten beide socials gebruik van dezelfde profielfoto. Uit niets blijkt dat deze telefoon in een bepaalde periode langere tijd aan iemand anders is uitgeleend en in gebruik is geweest. Tot slot overweegt de rechtbank nog dat [verdachte] zijn verklaring over deze telefoon pas ter zitting heeft afgelegd en deze geheel heeft kunnen afstemmen op het dossier. Alles overziend gaat de rechtbank er dus van uit dat [verdachte] de gebruiker was van de Apple iPhone 11.
Aangevers [aangever 1] en [aangever 2]
De aangevers [aangever 1] en [aangever 2] zijn beiden gebeld op 7 mei 2025 met de Apple iPhone 6. Uit de locatiegegevens van de Apple iPhone 13 Pro Max van [medeverdachte] , de Apple iPhone 11 van [verdachte] en/of de Volkswagen komt naar voren dat deze Apple iPhone 6 alleen aanging in de directe omgeving van de Apple iPhone 13 Pro Max en Apple iPhone 11. Op 7 mei 2025 straalde de Apple iPhone 6 om 12.15 uur in Dordrecht in de directe omgeving en/of op dezelfde zendmast aan als de Apple iPhone 13 Pro en de Apple iPhone 11. Om 19.25 uur op diezelfde dag gebeurde dit in Vught.
Apple iPhone 6
Over de Apple iPhone 6 heeft [verdachte] verklaard dat deze niet onder hem was aangetroffen, maar door de politie bij zijn aanhouding in zijn tas is gestopt. Deze telefoon was niet van hem, maar van iemand anders waarvan hij de naam niet wil noemen. De rechtbank volgt deze verklaring niet. De rechtbank ziet geen enkele reden om te twijfelen aan hetgeen door de verbalisanten is gerelateerd in het dossier over waar zij de telefoon hebben aangetroffen, namelijk onder [verdachte] . Daarbij komt dat de verklaring van [verdachte] over deze telefoon niet concreet en daardoor niet verifieerbaar is en bovendien pas ter zitting is afgelegd waardoor hij deze geheel op het dossier heeft kunnen afstemmen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [verdachte] tevens de gebruiker was van de Apple iPhone 6.
Directe nabijheid bij de Apple iPhone X en de Apple iPhone 6
[verdachte] heeft – los van zijn ongeloofwaardig geachte verklaring over het uitlenen van de Apple iPhone 11 – over de directe nabijheid van de Apple iPhone X en de Apple iPhone 6 geen enkele verklaring afgelegd, behalve dat hij op een pleintje in Dordrecht ‘chillde’ met anderen. Deze verklaring acht de rechtbank niet redengevend, omdat deze telefoons niet steeds op één plaats aanstraalden. Zo straalde de Apple iPhone 11, die de rechtbank aan hem toeschrijft, niet alleen aan in Dordrecht , maar bijvoorbeeld ook meermaals in Vught, samen met de Apple iPhone X of de Apple iPhone 6. Verder is niet gebleken van de directe nabijheid van nog een derde persoon bij de Apple iPhone X of de Apple iPhone 6 op de momenten van telefonisch contact met de aangevers, niet zijnde het duo [verdachte] en [medeverdachte] of het duo [verdachte] en een andere medeverdachte.
De rechtbank leidt uit deze directe nabijheid van de telefoons van [verdachte] met de Apple iPhone X op het moment dat de aangevers gebeld werden met de iPhone X dan ook af dat [verdachte] op de betreffende momenten de rol van beller op zich heeft genomen. De modus operandi bestond er immers uit dat het overgrote deel van de aangevers telefonisch contact had met twee verschillende mannelijke personen, zijnde een zogenaamde politiemedewerker en/of bankmedewerker, waarbij gedurende het telefoongesprek de telefoon zogezegd werd doorgeschakeld of doorverbonden. Uit het onderzoek blijkt echter dat de aangevers uitsluitend zijn gebeld met de Apple iPhone X of de Apple iPhone 6. Van doorschakelen of doorverbinden, is dus geen sprake geweest, maar wel van het feitelijk overgeven van deze telefoons van de ene persoon naar de andere. Hiervoor is het noodzakelijk dat beide personen zich in de directe nabijheid van deze telefoons bevinden.
Daarnaast sterkt de informatie die is aangetroffen op zowel de Apple iPhone 11 als 12 de rechtbank in haar overtuiging. Zo is op de Apple iPhone 11 een notitie aangetroffen waarin een lijst met diverse sieraden is opgesomd. Ook zijn hierop foto’s van [verdachte] te zien met een pakket briefgeld in zijn handen, waaronder briefjes van 200 euro waarvan bekend is dat deze niet gangbaar zijn in het betaalverkeer en niet uit een pinautomaat komen. Verder is hierop te zien dat voor het Instagram-account dat zowel op de Apple iPhone 11 als 12 was geïnstalleerd een profielfoto werd gebruikt waarop te zien is dat [verdachte] een stapel briefgeld tegen zijn hoofd houdt.
Ook zijn op de Apple iPhone 11 aangetroffen een screenshot van een chatgesprek over de aankoop van zogenoemde leadlijsten en een screenshot van een advertentie, waarin onder andere dergelijke leadlijsten worden aangeboden. Het is de rechtbank bekend dat bij fraude door nepagenten en/of bankhelpdeskfraude vaak gebruikt wordt gemaakt van dergelijke leadlijsten, waarin gegevens van potentiële slachtoffers zijn opgenomen,
Tot slot is op de Apple iPhone 12 een Snapchatgesprek aangetroffen tussen [verdachte] en het account ‘ [account] ’. Hierin wordt door [verdachte] gevraagd of [account] een haler, timer en driver heeft. De termen haler en driver spreken voor zich. Met een timer wordt volgens de politie iemand bedoeld die gaat pinnen bij een geldautomaat. Dit past dan ook geheel bij de modus operandi. Weliswaar is dit gesprek gevoerd op de dag van de aanhouding van [verdachte] en valt daarmee net buiten de tenlastegelegde periode, maar voor de rechtbank weegt dit wel mee voor haar overtuiging dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.
[verdachte] heeft voor al deze informatie geen enkele redengevende verklaring gegeven.
Feit 1 primair: Diefstal of oplichting
Voor wat betreft het ophalen van de bankpassen al dan niet met pincodes, de sieraden, contanten en andere waardevolle goederen moet worden beoordeeld of dit kan worden aangemerkt als gekwalificeerde diefstal zoals onder 1 primair tenlastegelegd. Dit omdat in de meeste gevallen de aangevers hun goederen zelf fysiek aan de daders hebben overhandigd en deze in het overgrote deel van de gevallen niet door de daders zelf zijn gepakt.
Voor een bewezenverklaring van diefstal is onder meer vereist dat de dader zich de feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft dan wel dit aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken. Of daarvan sprake is, is mede afhankelijk van waarderingen van feitelijke aard. Vaststaat dat [verdachte] samen met zijn mededaders aangevers telefonisch heeft benaderd waarbij zij zich hebben voorgedaan als politie- dan wel bankmedewerkers om hen te misleiden teneinde beschikking te krijgen over de bankpassen met pincodes en andere waardevolle goederen. Na dit telefoongesprek zijn de daders daadwerkelijk aan de deur bij de aangevers geweest om die goederen op te halen. Daar hebben de daders zich de goederen in het overgrote deel van de gevallen door aangevers aan hen laten overhandigen. Daarmee hebben de daders zich zodanige feitelijke heerschappij over de goederen verschaft dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van wegneming. Dat daarvoor de medewerking van de aangevers nodig was, doet daaraan niet af. Voor een bewezenverklaring van diefstal is voorts vereist dat de daders het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hadden. Dit dient te bestaan ten tijde van het wegnemen. Uit de hiervoor beschreven werkwijze blijkt dat daarvan sprake evenzeer was. Zodra de goederen waren afgegeven, maakten verdachte zijn mededaders zich heer en meester van de goederen om ze niet meer terug te geven.
Temeer nu uit het voorgaande afgeleid kan worden dat [verdachte] en zijn mededaders handelden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De feitelijke gang van zaken levert naar het oordeel van de rechtbank daarom een gekwalificeerde diefstal op.
Conclusie feit 1 en feit 2
[verdachte] heeft in de rol van (een van de) bellers ten aanzien van alle aangevers een cruciale bijdrage geleverd en zich daarmee meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal door middel van een valse naam, een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels (feit 1) en diefstal door middel van een valse sleutel (feit 2).
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2 zoals hieronder weergegeven.
Feit 3
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor dit feit bevat. Zij spreekt [verdachte] daarom vrij van dit feit.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 7 februari 2025 tot en met 7 mei 2025 te Rijen (Gilze-Rijen), Poeldijk (Westland), De Lier (Westland), Naaldwijk (Westland), Capelle aan den IJssel, Ouderkerk aan de Amstel (Ouder-Amstel), Landgraaf, Vught Dordrecht en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, geld, sieraden en/of bankpassen (met pincodes) en/of (antiek) bestek die aan
- [aangever 3]
- [aangever 5]
- [aangever 4]
- [aangever 6]
- [aangever 7]
- [aangever 8]
- [aangever 9]
- [aangever 10]
- [aangever 11]
- [aangever 12]
- [aangever 13]
- [aangever 14]
- [aangever 1] en/of
- [aangever 2] ,
toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat/die/de weg te nemen geld, sieraden en/of bankpassen (met bijbehorende pincodes) en/of antiek bestek onder zijn bereik te brengen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid
en/of door een samenweefsel van verdichtsels door
- voornoemde personen (telefonisch) te benaderen onder de namen [naam 1] , [naam 2] , de heer [naam 3] , de heer [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] en/of [naam 12] van de politie, recherche, ING bank en/of
Rabobank, en/of
- voornoemde personen mede te delen dat er in hun omgeving inbrekers actief zijn en/of inbrekers zijn aangehouden en/of zijn/haar naam en/of adres op een briefje is aangetroffen bij die inbrekers en/of dat er geld is afgeschreven en/of gepoogd werd af te schrijven van hun bankrekeningen en dat er om die reden waardevolle goederen en/of contant geld en/of bankpassen meegenomen moeten worden om veilig te stellen (in een kluis) en/of bankpassen en/of pincodes vernieuwd moeten worden, en/of
- voornoemde personen te vragen om te controleren of er braakschade is aan de woning, en/of
- voornoemde personen te vragen naar de pincode(s) en/of te vragen om de pincode(s) in te spreken, en/of
- voornoemde personen mede te delen dat er een of meerdere collega’s langs zullen komen om de goederen op te halen en/of veilig te stellen en/of dat die collega’s een dienstnummer en/of code zullen noemen, en/of
- voornoemde personen te vragen om voornoemde goederen te verzamelen en/of klaar te leggen en/of in enveloppen te stoppen en/of hun naam en/of postcode op deze enveloppen te schrijven, en/of
- bij voornoemde personen langs te gaan en/of het betreffende dienstnummer en/of code te noemen en/of zich hierbij (valselijk) te legitimeren en/of
- voornoemde goederen in ontvangst te nemen en/of mee te nemen.
2
in de periode 7 februari 2025 tot en met 7 mei 2025 te Goirle, Poeldijk (Westland), Naaldwijk (Westland), Zwijndrecht, Capelle aan den IJssel en/of Rotterdam, tezamen in vereniging met anderen, meerdere geldbedragen, die aan een ander toebehoorden, te weten
- een geldbedrag van in totaal €500 aan [aangever 3] ,
- een geldbedrag van in totaal €996 aan [aangever 5] ,
- een geldbedrag van in totaal € 1.447,40 aan [aangever 6] ,
- een geldbedrag van in totaal €925 aan [aangever 7] ,
- een geldbedrag van in totaal €500 aan [aangever 8] ,
- een geldbedrag van in totaal € 2.500,78 aan [aangever 10] en/of
- een geldbedrag van in totaal €2.318 aan [aangever 1]
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl
verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders met de weggenomen bankpassen en/of pincodes van voornoemde personen contante geldbedragen opgenomen en/of betalingen verricht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van de periode die hij in voorarrest heeft gezeten.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De duur daarvan behoort volgens de verdediging fors lager te zijn dan de eis van de officier van justitie, gelet op uitspraken in vergelijkbare zaken en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Wat betreft dit laatste wijst de verdediging op het belaste verleden van verdachte, zijn recente vaderschap, het runnen van een eigen bedrijf en zijn bereidheid om hulp van de reclassering te aanvaarden.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een periode van zo’n drie maanden samen met anderen meerdere malen schuldig gemaakt aan gekwalificeerde diefstal en daarbij veertien slachtoffers gemaakt, die allemaal op hoge leeftijd waren. De handelswijze daarbij was dat slachtoffers telefonisch werden benaderd door personen die zich valselijk voordeden als politie- of bankmedewerker. Tijdens langdurige telefoongesprekken werd slachtoffers voorgewend dat zij financieel gevaar liepen en werd op zodanig geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van slachtoffers, dat zij uiteindelijk overstag gingen om hun bankpas (al dan niet met pincode), contant geld, antiek bestek en sieraden zogenaamd ‘in bewaring’ te geven. De spullen werden op de adressen van de slachtoffers aan de voordeur of zelfs in de woningen opgehaald en zijn door de slachtoffers daarna niet meer teruggezien. Met de weggenomen bankpassen van zeven slachtoffers heeft verdachte vervolgens samen met anderen meerdere geldbedragen, in totaal € 9.187,18, betaald of opgenomen van de bankrekeningen van die slachtoffers.
De rechtbank acht het zeer kwalijk dat deze vorm van diefstal nadrukkelijk is gericht op oudere mensen vanwege hun kwetsbaarheid, afhankelijkheid en vertrouwen in instanties. De impact is voor de slachtoffers groot. Niet alleen zijn zij financieel gedupeerd, maar ook zijn sieraden weggenomen met een grote emotionele waarde die onvervangbaar zijn, zoals erfstukken van overleden dierbaren. Daar komt bij dat de slachtoffers bij of zelfs in hun woning zijn bezocht en dat hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens en instanties ernstig is geschaad. Deze gevolgen blijven nog lang nadreunen in het leven van de slachtoffers.
Verdachte heeft bij deze gevolgen kennelijk niet stilgestaan of zich hier simpelweg niet om bekommerd en uitsluitend zijn eigen financiële gewin vooropgesteld. Dit rekent de rechtbank hem zeer aan. Ook rekent de rechtbank verdachte aan dat hij in het geheel geen openheid van zaken heeft gegeven en evenmin verantwoordelijkheid neemt voor zijn strafbare handelen. Pas voor het eerst ter zitting heeft verdachte een inhoudelijke verklaring afgelegd, waarin hij elke betrokkenheid ontkent.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 7 oktober 2025, waaruit onder meer blijkt dat hij op 11 maart 2024 is veroordeeld voor vermogensdelicten, namelijk voor het in 2021 medeplegen van oplichting en witwassen. Er is dus sprake van recidive.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 16 december 2025. Hieruit volgt dat de reclassering geen gedegen inschatting van het recidiverisico bij verdachte kan maken, vanwege zijn beroep op het zwijgrecht. Wel acht de reclassering de kans op nieuw strafbaar gedrag aannemelijk, nog los van de feiten die in deze zaak voorliggen. Verdachte is vader van een jonge zoon. Hoewel deze zoon voor hem een oprechte drijfveer is om te kiezen voor een delictvrij bestaan, schat de reclassering in dat hij momenteel de vaardigheden mist om dit zonder intensieve hulp te realiseren. Gezien zijn eerdere positieve ervaringen met de jeugdreclassering en zijn bereidheid om begeleiding te accepteren, wordt een intensief reclasseringstoezicht geadviseerd dat gericht is op de problematiek op diverse leefgebieden die in het verleden tot een hoog recidiverisico hebben geleid en het gebrek aan beschermende factoren. De reclassering adviseert om verdachte bij een veroordeling daarom een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, verplichte ambulante behandeling, deelname aan de gedragsinterventie Werken aan Werk, vinden en behouden van dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening, meewerken aan middelencontrole en openheid geven over sociale contacten.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Voor de specifieke vorm van diefstal waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt, zijn geen oriëntatiepunten geformuleerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om in dit geval de oriëntatiepunten te betrekken die als uitgangspunt worden genomen voor een inbraak in een woning. De impact daarvan op de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers acht de rechtbank vergelijkbaar met de impact die onderhavige feiten op de slachtoffers daarvan heeft. Als oriëntatiepunt voor de inbraak in een woning wordt drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf gehanteerd, dan wel vijf maanden in het geval van recidive.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. De rechtbank legt verdachte daarom een gevangenisstraf op voor de duur van vijf jaar, met aftrek van de periode die hij in voorarrest heeft gezeten.
Gelet op de duur van deze gevangenisstraf bestaat er geen ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.

7.De benadeelde partijen

De rechtbank stelt vast dat zes benadeelde partijen een vordering tot schadevergoeding hebben ingediend, wegens door feit 1 of feit 2 geleden schade. De verdediging betwist al deze vorderingen.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte feit 1 primair en feit 2 heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is de rechtstreeks door die feiten veroorzaakte schade te vergoeden.
Immateriële schade
Voor zover dit vanwege feit 1 is gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat een benadeelde partij voor immateriële schadevergoeding in aanmerking komt. De aard en de ernst van de normschending waarmee de benadeelde partijen zijn geconfronteerd, brengen mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor hen zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in hun eer of goede naam, als bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Er is immers sprake van een ernstige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer. Verdachte en zijn mededaders hebben slachtoffers van hoge leeftijd uitgekozen en hebben op een zeer geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van deze slachtoffers. Zij hebben in de valse hoedanigheid van politie- en/of bankmedewerker gedaan alsof de slachtoffers financieel gevaar liepen en hebben voorgewend dat het veilig was om een bankpas (al dan niet met bijbehorende pincode), contant geld en sieraden aan hen af te geven. Deze spullen zijn op de adressen van de slachtoffers aan de voordeur of zelfs in hun woningen opgehaald. Het is, mede gelet op de bij de vordering gevoegde toelichtingen, aannemelijk dat dit een behoorlijke impact heeft op de psychische gesteldheid van de slachtoffers. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade per benadeelde partij billijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit 1.
Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijkheid
Voor zover de rechtbank een vordering (deels) toewijst, wordt het toegewezen schadebedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het aan de orde zijnde feit bij een benadeelde partij plaatsvond, tot aan de dag der voldoening. Alle benadeelde partijen hebben hier uitdrukkelijk om verzocht. Welke datum dit is, is per benadeelde partij opgenomen in de beslissing.
Daarnaast legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente, eveneens conform het uitdrukkelijke verzoek van alle benadeelde partijen. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Omdat verdachte feit 1 primair en feit 2 samen met anderen heeft gepleegd is hij, net als zijn mededaders, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade. Bij (gedeeltelijke) toewijzing van een vordering, wijst de rechtbank deze vordering – vermeerderd met de wettelijke rente – en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toe. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
Benadeelde partij [aangever 14] (feit 1)
De benadeelde partij [aangever 14] vordert een schadevergoeding van € 3.253,92 voor door feit 1 geleden schade, bestaande uit € 2.603,92 aan materiële schade en € 650,- aan immateriële schade.
De door [aangever 14] gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank geheel toewijsbaar. [aangever 14] heeft op de dag dat feit 1 bij haar plaatsvond aangifte gedaan bij de politie en daarbij direct verklaard dat er € 500,- aan contant geld is weggenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Het overige gedeelte van de gevorderde materiële schadevergoeding dat ziet op weggenomen sieraden is voldoende onderbouwd met concrete informatie over die sieraden en de waarde daarvan. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit 1.
Zoals hierboven al is overwogen, komt [aangever 14] voor immateriële schadevergoeding in aanmerking en acht de rechtbank daarvoor een bedrag van € 1.000,- billijk. De rechtbank wijst dus een hoger schadebedrag toe dan gevorderd en doet dit op basis van haar schattingsbevoegdheid die is neergelegd in artikel 6:97 BW Pro.
Benadeelde partij [aangever 6] (feit 1)
De benadeelde partij [aangever 6] vordert een schadevergoeding van € 9.185,20 voor door feit 1 geleden schade, bestaande uit € 7.685,20 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.
De door [aangever 6] gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 7.000,-. [aangever 6] heeft op de dag dat feit 1 bij haar plaatsvond aangifte gedaan bij de politie en daarbij direct verklaard dat er € 7.000,- aan contant geld is weggenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit 1.
Voor het overige gedeelte van de gevorderde materiële schadevergoeding, dat ziet op twee weggenomen kettingen, volgt uit het verzoek om schadevergoeding onvoldoende duidelijk welk deel daarvan al door de verzekeringsmaatschappij is vergoed. Nader onderzoek hiernaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. [aangever 6] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in dit gedeelte van de vordering. Dit gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Zoals hierboven al is overwogen, komt [aangever 6] voor immateriële schadevergoeding in aanmerking en acht de rechtbank daarvoor een bedrag van € 1.000,- billijk. De rechtbank verklaart [aangever 6] voor het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk. Dat gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Benadeelde partij [aangever 12] (feit 1)
De benadeelde [aangever 12] vordert een schadevergoeding van € 12.500,- voor door feit 1 geleden materiële schade.
De gevorderde materiële schadevergoeding, die geheel ziet op schade door weggenomen gouden sieraden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, waardoor beoordeling hiervan nader onderzoek vergt dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De onderbouwing van deze schade is daarbij zo beperkt dat er voor de rechtbank geen beginpunt is waarop zij haar schatting zou kunnen baseren. Er zijn door [aangever 12] immers geen aankoopbewijzen, waardebepalingen of foto’s van de sieraden overgelegd en evenmin is duidelijk wat het type, het gewicht of het goudgehalte van elk van de sieraden is. De rechtbank kan dan ook geen gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en verklaart [aangever 12] niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Benadeelde partij [aangever 10] (feit 1)
De benadeelde partij [aangever 10] vordert een schadevergoeding van € 699,- voor door feit 1 geleden materiële schade en maakt in het formulier ‘Verzoek om Schadevergoeding’ melding van immateriële schade zonder hierbij een schadepost of schadebedrag in te vullen.
De door [aangever 10] gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 500,-. [aangever 10] heeft enkele dagen nadat feit 1 bij haar plaatsvond aangifte gedaan bij de politie en daarbij direct verklaard dat er € 500,- aan contant geld is weggenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit 1.
Het gedeelte van de gevorderde materiële schadevergoeding dat ziet op de schade door een weggenomen gouden horloge van het merk Tommy Hilfiger à € 199,- is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, waardoor beoordeling hiervan nader onderzoek vergt dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De onderbouwing van deze schade is daarbij zo beperkt dat er voor de rechtbank geen beginpunt is waarop zij haar schatting zou kunnen baseren. Er zijn door [aangever 10] immers geen aankoopbewijs, waardebepaling of foto’s van het horloge overgelegd en evenmin is duidelijk wat het type, het gewicht of het goudgehalte van het horloge was. De rechtbank kan dan ook geen gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en verklaart [aangever 10] niet-ontvankelijk in dit gedeelte van de vordering. Dit gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Daarnaast heeft [aangever 10] melding gemaakt van immateriële schade. Dat daarbij geen concreet bedrag aan schade is gevorderd, betekent op zichzelf niet dat er geen schadevergoeding kan worden toegekend. De rechtbank heeft op grond van artikel 6:97 BW Pro namelijk de bevoegdheid om de schade te begroten en om de omvang van de schade te schatten als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Zoals hierboven al is overwogen, komt daarom ook [aangever 10] voor immateriële schadevergoeding in aanmerking en acht de rechtbank daarvoor een bedrag van € 1.000,- billijk.
Benadeelde partij [aangever 8] (feit 1)
De benadeelde partij [aangever 8] vordert een schadevergoeding van € 51.200,- voor door feit 1 geleden schade, bestaande uit € 42.900,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade. Daarnaast verzoekt [aangever 8] om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten, nu zij zich laat bijstaan door mr. W.M. Everwijn, juridisch adviseur.
De door [aangever 8] gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 400,-. [aangever 8] heeft de dag nadat feit 1 bij haar plaatsvond aangifte gedaan bij de politie en daarbij direct verklaard dat er € 400,- aan contant geld is weggenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit 1.
Het overige gedeelte van de gevorderde materiële schadevergoeding, dat geheel ziet op schade door tien weggenomen sieraden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, waardoor beoordeling hiervan nader onderzoek vergt dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De onderbouwing van deze schade is daarbij zo beperkt dat er voor de rechtbank geen beginpunt is waarop zij haar schatting zou kunnen baseren. Er zijn door [aangever 8] immers geen aankoopbewijzen, waardebepalingen of foto’s van de sieraden overgelegd en evenmin is duidelijk wat het type, het gewicht of het goudgehalte van elk van de sieraden is. De rechtbank kan dan ook geen gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en verklaart [aangever 8] niet-ontvankelijk in dit gedeelte van de vordering. Dit gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Zoals hierboven al is overwogen, komt [aangever 8] voor immateriële schadevergoeding in aanmerking en acht de rechtbank daarvoor een bedrag van € 1.000,- billijk. De rechtbank verklaart [aangever 8] voor het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk. Dat gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van de door de [aangever 8] gemaakte proceskosten overweegt de rechtbank dat een redelijke uitleg van artikel 532 Sv Pro meebrengt dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zoekt aansluiting bij het in Nederlandse civiele procedures voor proceskosten gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken, nu [aangever 8] zich heeft laten bijstaan door een gemachtigde, niet zijnde een advocaat. Daarbij gaat de rechtbank uit van een salaris van
€ 543,- per punt, passend bij een vordering in de categorie € 40.000,- tot en met € 100.000,-. Voor de door mr. Everwijn verrichte werkzaamheden worden twee punten gehanteerd, namelijk één voor het indienen van de vordering en één voor het bijwonen van de zitting. Op basis hiervan stelt de rechtbank de hoogte van de te vergoeden proceskosten vast op
€ 1.086,-.
De rechtbank stelt vast dat de zaak tegen verdachte en de zaak tegen [medeverdachte] gelijktijdig zijn behandeld en dat namens [aangever 8] slechts één vordering is opgesteld die in beide zaken is ingediend. Het indienen van de vordering en het bijwonen van de zitting zijn handelingen van mr. Everwijn die dus feitelijk één keer zijn verricht. De rechtbank wijst daarom ook de vordering omtrent de proceskosten hoofdelijk toe.
Benadeelde partij [aangever 3] (feit 1 en feit 2)
De benadeelde partij [aangever 3] heeft een formulier ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ ingediend. In dit formulier is bij het ontstaan van de schade gemeld dat de dader € 500,- heeft gepind en gestolen, maar is bij de geleden schade geen schadepost of schadebedrag ingevuld en is ook de vraag of al schade is vergoed open gelaten.
Dat er geen concreet bedrag aan schade is gevorderd, betekent op zichzelf niet dat er geen schadevergoeding kan worden toegekend. De rechtbank heeft op grond van artikel 6:97 BW Pro namelijk de bevoegdheid om de schade te begroten en om de omvang van de schade te schatten als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. In het geval van [aangever 3] is het de rechtbank echter onvoldoende duidelijk, waaruit de schade bestaat, wat de (geschatte) omvang daarvan is en of al een deel van de schade is vergoed. De rechtbank kan de schade daarom niet begroten of schatten en verklaart [aangever 3] niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.Het beslag

Onder verdachte zijn twee telefoons van het merk Apple in beslag genomen. De rechtbank overweegt dat deze twee telefoons aan verdachte toebehoorden en dat de strafbare feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan of voorbereid. Op grond hiervan zijn beide goederen vatbaar voor verbeurverklaring, waartoe de rechtbank ook zal beslissen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder 3 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, een vals kostuum en door een samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd;
feit 2:Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van vijf jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
[aangever 14] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 14] van € 3.603,92, waarvan € 2.603,92 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 14] , € 3.603,92 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 36 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[aangever 6] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 6] van € 8.000,-, waarvan € 7.000,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 6] , € 8.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 65 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[aangever 12] (feit 1)
- verklaart de benadeelde partij [aangever 12] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
[aangever 10] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 10] van € 1.500,-, waarvan € 500,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 10] , € 1.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 15 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[aangever 8] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 8] van € 1.400,-, waarvan € 400,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1.086,-;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 8] , € 1.400,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 14 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[aangever 3] (feit 1 en feit 2)
- verklaart de benadeelde partij [aangever 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Beslag
- verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
* 1 stk gsm (Omschrijving: PL2000-2025032933-G2859954, wit, merk: Apple)
* 1 stk gsm (Omschrijving: PL2000-2025032933-G2859958, wit, merk: Apple).
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge en mr. S.A. Lemmens, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 februari 2026.
Mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, mr. P.A.M. Wijffels en mr. S.A. Lemmens zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 7 februari 2025 tot en met 7 mei 2025
te Rijen (Gilze-Rijen), Poeldijk (Westland), De Lier (Westland), Naaldwijk
(Westland), Capelle aan den IJssel, Ouderkerk aan de Amstel
(Ouder-Amstel), Landgraaf, Vught Dordrecht en/of Rotterdam althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans éénmaal,
geld, sieraden en/of bankpassen (met pincodes) en/of (antiek) bestek
in elk geval enige goederen die geheel of ten dele aan
- [aangever 3]
- [aangever 5]
- [aangever 4]
- [aangever 6]
- [aangever 7]
- [aangever 8]
- [aangever 9]
- [aangever 10]
- [aangever 11]
- [aangever 12]
- [aangever 13]
- [aangever 15]
- [aangever 14]
- [aangever 1] en/of
- [aangever 2] ,
in elk geval aan een ander toebehoorden,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te
eigenen
en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of
dat/die/de weg te nemen
geld, sieraden en/of bankpassen (met bijbehorende pincodes) en/of
antiek bestek onder zijn bereik te brengen door het aannemen van een
valse
naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen
en/of door een
samenweefsel van verdichtsels door
- voornoemde personen (telefonisch) te benaderen onder de namen
[naam 1] , [naam 2] , de heer [naam 3] , de heer
[naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] ,
[naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11]
en/of [naam 12] van de politie, recherche, ING bank en/of
Rabobank althans onder de hoedanigheid als politieagent en/of
bankmedewerker,
- voornoemde personen mede te delen dat er in hun omgeving inbrekers
actief zijn en/of inbrekers zijn aangehouden en/of zijn/haar naam
en/of adres op een briefje is aangetroffen bij die inbrekers en/of dat er
geld is afgeschreven en/of gepoogd werd af te schrijven van hun
bankrekeningen en dat er om die reden waardevolle goederen en/of
contant geld en/of bankpassen meegenomen moeten worden om veilig
te stellen (in een kluis) en/of bankpassen en/of pincodes vernieuwd
moeten worden,
- voornoemde personen te vragen om te controleren of er braakschade
is aan de woning,
- voornoemde personen te vragen naar de pincode(s) en/of te vragen om
de pincode(s) in te spreken,
- voornoemde personen mede te delen dat er een of meerdere collega’s
collega’s langs zullen komen om de goederen op te halen en/of veilig te
stellen en/of dat die collega’s een dienstnummer en/of code zullen
noemen,
- voornoemde personen te vragen om voornoemde goederen te
verzamelen en/of klaar te leggen en/of in enveloppen te stoppen en/of
hun naam en/of postcode op deze enveloppen te schrijven,
- bij voornoemde personen langs te gaan en/of het betreffende
dienstnummer en/of code te noemen en/of zich hierbij (
valselijk) te
legitimeren en/of
- voornoemde goederen in ontvangst te nemen en/of mee te nemen;
(art 311 lid 1 ahf Pro/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode 7 februari 2025 tot en met 7 mei 2025
te Rijen (Gilze-Rijen), Nieuwerkerk aan den IJssel (Zuidplas), Poeldijk
(Westland), De Lier (Westland), Naaldwijk (Westland), Capelle aan den
IJssel, Ouderkerk aan de Amstel (Ouder-Amstel), Landgraaf, Vught,
Dordrecht en/of Rotterdam althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse
hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een
samenweefsel van verdichtsels,
de slachtoffers, te weten
- [aangever 3]
- [aangever 5]
- [aangever 4]
- [aangever 6]
- [aangever 7]
- [aangever 8]
- [aangever 9]
- [aangever 10]
- [aangever 11]
- [aangever 12]
- [aangever 13]
- [aangever 15]
- [aangever 14]
- [aangever 1] en/of
- [aangever 2] ,
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, namelijk geld, sieraden,
bankpassen (met pincodes) en/of (antiek) bestek door
- voornoemde personen (telefonisch) te benaderen onder de namen
[naam 1] , [naam 2] , de heer [naam 3] , de heer
[naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] ,
[naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11]
en/of [naam 12] van de politie, recherche, ING bank en/of
Rabobank althans onder de hoedanigheid als politieagent en/of
bankmedewerker,
- voornoemde personen mede te delen dat er in hun omgeving inbrekers
actief zijn en/of inbrekers zijn aangehouden en/of zijn/haar naam
en/of adres op een briefje is aangetroffen bij die inbrekers en/of dat er
geld is afgeschreven en/of gepoogd werd af te schrijven van hun
bankrekeningen en dat er om die reden waardevolle goederen en/of
contant geld en/of bankpassen meegenomen moeten worden om veilig
te stellen (in een kluis) en/of bankpassen en/of pincodes vernieuwd
moeten worden,
- voornoemde personen te vragen om te controleren of er braakschade
is aan de woning,
- voornoemde personen te vragen naar de pincode(s) en/of te vragen om
de pincode(s) in te spreken,
- voornoemde personen mede te delen dat er een of meerdere collega’s
collega’s langs zullen komen om de goederen op te halen en/of veilig te
stellen en/of dat die collega’s een dienstnummer en/of code zullen
noemen,
- voornoemde personen te vragen om voornoemde goederen te
verzamelen en/of klaar te leggen en/of in enveloppen te stoppen en/of
hun naam en/of postcode op deze enveloppen te schrijven,
- bij voornoemde personen langs te gaan en/of het betreffende
dienstnummer en/of code te noemen en/of zich hierbij (valselijk) te
legitimeren en/of
- voornoemde goederen in ontvangst te nemen en/of mee te nemen
waardoor slachtoffers werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;
(art 326 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij in of omstreeks de periode 7 februari 2025 tot en met 7 mei 2025 te
Goirle, Poeldijk (Westland), Naaldwijk (Westland), Zwijndrecht, Capelle
aan den IJssel en/of Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan een ander toebehoorden, te weten
- een geldbedrag van in totaal €500 aan [aangever 3] ,
- een geldbedrag van in totaal €996 aan [aangever 5] ,
- een geldbedrag van in totaal €
1.447,40 aan [aangever 6] ,
- een geldbedrag van in totaal €925 aan [aangever 7] ,
- een geldbedrag van in totaal €500 aan [aangever 8] ,
- een geldbedrag van in totaal €
2.500,78 aan [aangever 10] en/of
- een geldbedrag van in totaal €2.318 aan [aangever 1]
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl
verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door
middel van een valse sleutel,
immers hebben verdachte en/of zijn mededaders met de weggenomen
bankpassen en/of pincodes van voornoemde personen contante
geldbedragen opgenomen en! of betalingen verricht;
(art 311 lid 1 ahf Pro/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht)
3
hij in of omstreeks de periode 1 maart 2025 tot en met 10 mei 2025 te Dordrecht , althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om meerdere wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie Pro II en/of Categorie III van de Wet wapens
en munitie, te weten meerdere, althans een, vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder Pro 3 van die wet in de vorm van (een) automatisch vuurwapen(s) en/of (een) pist(o)ol(en), voorhanden te hebben en/of over te dragen, hebbende hij, verdachte, een of meerdere afbeeldingen van deze en/of andere vuurwapens en/of onderdelen van deze vuurwapens gemaakt, verzonden en/of ontvangen en/of daarbij een (tijdelijke) verkoopprijs te noemen teneinde deze vuurwapens en/of onderdelen te verkopen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 31 lid 1 Wet Pro wapens en munitie)