ECLI:NL:RBZWB:2026:1304

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 februari 2026
Zaaknummer
C/02/443074 / JE RK 25-2248
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van vijf minderjarigen in pleegzorg

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van vijf minderjarigen. De minderjarigen verblijven in pleeggezinnen en een gezinshuis vanwege ernstige zorgen over de thuissituatie, waaronder verslavingsproblematiek van de moeder en geweld tussen de ouders.

De kinderrechter overweegt dat de situatie van de moeder nog onvoldoende is verbeterd, met name omdat de behandeling voor haar alcoholverslaving nog niet is gestart en er sprake is van voortdurende conflicten en geweld tussen de ouders. Hierdoor is terugplaatsing van de minderjarigen naar huis nog niet verantwoord.

De machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen wordt verlengd tot 14 maart 2026, terwijl het verzoek voor verlenging voor de andere twee minderjarigen wordt afgewezen omdat daarvoor reeds een spoedmachtiging geldt. De kinderrechter benadrukt het belang van behandeling van de moeder en betere communicatie tussen de gecertificeerde instelling en de vader.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen wordt verlengd tot 14 maart 2026, terwijl het verzoek voor twee minderjarigen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443074 / JE RK 25-2248
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2020 te [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2022 te [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] ,
[minderjarige 5], geboren op [geboortedag 5] 2025 te [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 5] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. van Steenberge te Terneuzen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. van Steenberge te Terneuzen.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 24 december 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 21 januari 2026;
  • het e-mailbericht met bijlagen van mr. van Steenberge van 28 januari 2026.
1.2.
Op 28 januari 2026 heeft de kinderrechter deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het resterende deel van het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/ 444045 JE RK 26-78, tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. In die zaak is afzonderlijk beslist.
1.3.
Verschenen en gehoord zijn:
- de ouders
via een digitale verbinding, bijgestaan door hun advocaat;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen gebruik gemaakt van de hen geboden gelegenheid om hun mening te geven.

2.De feiten

2.1.
De vader heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] erkend. De ouders zijn, omdat zij zijn getrouwd, gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .
2.2.
Bij beschikking van 14 maart 2024 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 maart 2024 en tot 14 maart 2025.
2.3.
Bij beschikking van 18 februari 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verlengd met ingang van 14 maart 2025 en tot 14 september 2025.
2.4.
Bij beschikking van 30 april 2025 is [minderjarige 5] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 april 2025 en tot 14 september 2025.
2.5.
Bij beschikking van 12 september 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verlengd met ingang van 14 september 2025 en tot 14 maart 2026.
2.6.
Bij beschikking van 12 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 december 2025 en tot 26 december 2025.
2.7.
Bij beschikking van 24 december 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 26 december 2025 en tot 1 februari 2026.
2.8.
Bij beschikking van 16 januari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 16 januari 2026 en tot 30 januari 2026.
2.9.
Op basis van voornoemde machtigingen verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinshuis. [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verblijven in twee verschillende pleeggezinnen.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 1 februari 2026 tot 14 maart 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. De GI licht toe dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet langer in het netwerkpleeggezin konden verblijven en sinds 16 januari 2026 in een gezinshuis wonen. [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verblijven nog steeds in de pleeggezinnen waar zij bij aanvang van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing zijn geplaatst. Het gaat goed met de minderjarigen in het gezinshuis en in de pleeggezinnen en er is een contactregeling opgesteld met de ouders. De GI acht een thuisplaatsing van de kinderen op dit moment nog niet mogelijk. De moeder is namelijk nog niet gestart met de behandeling voor haar alcoholverslaving en daar komt bij dat er onrust blijft ontstaan in de relatie tussen ouders, waarbij sprake is van verbale agressie en vermoedelijk ook fysieke agressie. Het is van belang dat de moeder de hulpverlening voor haar verslaving aangrijpt en dat gekeken wordt hoe de relatie van de ouders voortgezet gaat worden en welke hulpverlening daarvoor ingezet moet worden. Een ander aandachtspunt is dat op korte termijn een nieuwe woning gevonden moet worden voor de ouders. Om te bepalen op welke termijn de ouders de opvoedverantwoordelijkheid weer zelf kunnen dragen is het van belang dat er zicht komt op de start van de behandeling van de moeder en op de opvoedcapaciteiten van de vader. Vanuit het gezinshuis van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat in ieder geval gestart worden met een terugthuistraject van 9 maanden. Hierbij zal nog gekeken worden hoe dat samengevoegd kan worden met een traject voor de jongste drie minderjarigen.
4.2.
De ouders staan achter toewijzing van het resterende deel van het verzoek. Hoewel zij het liefst willen dat de minderjarigen zo snel als mogelijk thuis worden geplaatst, begrijpen zij ook dat de situatie daarvoor eerst moet verbeteren. Het lukt de moeder nog niet altijd om nuchter te blijven en door het faillissement van [zorginstelling] is haar behandeling nog niet gestart. Wel heeft de moeder inmiddels een eerste gesprek gehad bij Stichting Emergis en zijn verschillende vervolgafspraken gemaakt. Ook zijn de ouders voornemens om in relatietherapie te gaan. De ouders zijn blij dat er structuur wordt gebracht in de contacten met de minderjarigen en benoemen dat het met [minderjarige 4] goed gaat in het pleeggezin. De communicatie met het pleeggezin waar [minderjarige 3] en [minderjarige 5] verblijven verloopt met momenten moeizaam. Verder brengen de ouders naar voren dat het lastig is dat de vader niet overal bij wordt betrokken door de GI. Er speelt namelijk veel en dat de afspraken vooral met de moeder worden gemaakt, is erg belastend voor de moeder. Het zou daarom prettig zijn als de GI voortaan ook direct met de vader communiceert. Ook zouden de ouders het prettig vinden als de GI een overzicht opstelt van alle betrokken hulpverlening.

5.De nadere beoordeling

Het wettelijk kader

5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De inhoudelijke beoordeling
5.1.
De kinderrechter overweegt allereerst dat bij beschikking van 16 januari 2026 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening is verleend met ingang van 16 januari 2026 en tot 30 januari 2026 en dat zij bij separate beschikking zal beslissen op het resterende deel van dit verzoek. Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van het voorliggende verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afwijzen.
5.2.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de minderjarigen op dit moment nog niet kunnen terugkeren naar de thuissituatie van de ouders. De kinderrechter overweegt evenals in de beschikking van 24 december 2025 dat er al geruime tijd forse zorgen zijn over de thuissituatie van de minderjarigen. Deze zorgen zien met name op de verslavingsproblematiek van de moeder, de forse conflicten met de buurvrouw en het verbale en fysieke geweld tussen de ouders, waar de minderjarigen meermaals aan zijn blootgesteld. Gebleken is dat deze zorgen nog niet zijn weggenomen. Door omstandigheden is de behandeling van de moeder nog niet van de grond gekomen, terwijl dit wel van groot belang is om toe te werken naar een thuisplaatsing van de minderjarigen. Evenmin zijn de zorgen over het verbale en fysieke geweld tussen de ouders weggenomen, nu is gebleken dat er nog steeds sprake is van onrust in de relatie tussen de ouders en de politie de moeder op 26 december 2025 in de woning heeft aangetroffen met een bloedneus na een overlastmelding. Hoewel de kinderrechter ziet dat de ouders hun best doen en moeilijke beslissingen nemen in het belang van de minderjarigen, is de situatie op dit moment nog onvoldoende verbeterd om de minderjarigen terug te laten keren naar de thuissituatie. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke criteria voor een machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek daarom toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 5] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de verzochte duur, te weten tot 14 maart 2026.
5.3.
De kinderrechter verwacht van de ouders dat zij gaan werken aan hun individuele en relationele problematiek, waarbij het met name van belang is dat de moeder de behandeling bij Stichting Emergis aangaat en dat deze behandeling wordt opgevolgd door de GI. Ook vindt de kinderrechter het van belang dat er aandacht is voor het contact tussen de ouders en de minderjarigen. Daarnaast verwacht de kinderrechter dat de vader meer betrokken zal worden door de GI en dat de GI direct met de vader zal gaan communiceren. Ook is besproken dat de GI een overzicht zal opstellen van alle betrokken hulpverlening.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 5] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 1 februari 2026 en tot 14 maart 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het resterende deel van het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 door
mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier,
en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.