ECLI:NL:RBZWB:2026:1306

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 februari 2026
Zaaknummer
C/02/443894 / JE RK 26-51
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van zeven minderjarigen wegens ontwrichting gezinsdynamiek en overbelasting verzorgers

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 28 januari 2026 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van zeven minderjarigen, geboren tussen 2013 en 2023, vanwege ernstige bedreiging van hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De minderjarigen wonen bij hun ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Eerder was een ondertoezichtstelling van 15 augustus 2024 tot 15 augustus 2025 van kracht, maar deze werd niet verlengd.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een nieuwe ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, waarbij de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering belast wordt met de uitvoering. De reden is de ontwrichting van de gezinsdynamiek door gedragsproblemen bij enkele kinderen, overbelasting van de moeder als primaire verzorger, en een onveilige opvoedsituatie met frequente crisissituaties.

De ouders erkennen de problematiek en stemmen in met de ondertoezichtstelling, hoewel zij wantrouwend zijn tegenover de GI vanwege eerdere negatieve ervaringen. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de GI regie voert en toezicht houdt, omdat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is gebleken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt van 28 januari 2026 tot 28 januari 2027.

Uitkomst: De rechtbank stelt zeven minderjarigen onder toezicht van de gecertificeerde instelling voor de duur van één jaar wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443894 / JE RK 26-51
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda, hierna te noemen: de Raad,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ;
[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2019 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] ;
[minderjarige 5], geboren op [geboortedag 5] 2021 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 5] ;
[minderjarige 6], geboren op [geboortedag 6] 2022 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 6] ;
[minderjarige 7], geboren op [geboortedag 7] 2023 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 7] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder]en
[de vader],
hierna respectievelijk te noemen: de moeder en de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.C.A.E. Verschuren te Gilze.
De kinderrechter merkt daarnaast in deze zaak als informant aan:
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • het op 13 januari 2026 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
  • het op 15 januari 2026 ontvangen aanvullend/gewijzigd verzoekschrift;
  • het op 17 januari 2026 ontvangen e-mailbericht van de moeder;
  • het op 26 januari 2026 ontvangen bericht van mr. Verschuren;
  • het op 28 januari 2026 ontvangen bericht van mr. Verschuren, met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Daarbij waren aanwezig en heeft de kinderrechter gehoord:
  • de moeder en de vader, bijgestaan door mr. Verschuren;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad;
  • een vertegenwoordigster namens de GI.
De kinderrechter heeft daarnaast, met instemming van alle aanwezigen, bijzondere toegang verleend aan mevrouw [begeleidster] van de ouders vanuit [zorgorganisatie 2] , om de zitting als toehoorder bij te wonen.
1.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben, vanwege hun leeftijd, het recht om hun mening in deze zaak te geven. Zij zijn daarom uitgenodigd om hun mening schriftelijk of tijdens een gesprek met de kinderrechter te geven. Voorafgaand aan de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij voormeld aanbod met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft besproken, maar dat zij hebben aangegeven dat zij hier geen behoefte aan hebben.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] en [minderjarige 7] (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).
2.2.
De minderjarigen wonen bij de ouders.
2.3.
De minderjarigen zijn onder toezicht gesteld geweest van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering van 15 augustus 2024 tot 15 augustus 2025. Deze maatregel is nadien niet verlengd.

3.Het verzoek van de Raad en de onderbouwing daarvan

3.1.
De Raad heeft in voormeld op 13 januari 2026 ontvangen verzoekschrift verzocht om de minderjarigen onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar en om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 4] en [minderjarige 3] te verlenen voor de duur van een jaar, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft in voormeld op 15 januari 2026 ontvangen verzoekschrift verzocht om de minderjarigen onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie [plaats] voor de duur van een jaar, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft in dit verzoekschrift geen verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 4] en [minderjarige 3] gedaan. Uit het begeleidende bericht blijkt dat het op 15 januari 2026 ingediende verzoekschrift moet worden gezien als een wijziging van voormeld op 13 januari 2026 ingediende verzoekschrift; dit blijkt echter niet uit het op 15 januari 2026 ingediende verzoekschrift.
3.3.
Tijdens de zitting heeft de Raad zijn verzoeken mondeling verduidelijkt/aangepast, in die zin dat de Raad heeft aangegeven dat hij alleen verzoekt om de minderjarigen onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het verzoek tot uithuisplaatsing is niet aan de orde.
3.4.
De Raad heeft ter onderbouwing van zijn gewijzigde/geconcretiseerde verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. In augustus 2025 is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen geëindigd. De GI heeft destijds de beslissing genomen om geen verzoek tot verlenging van die maatregel bij de kinderrechter in te dienen zonder deze beslissing eerst te laten toetsen door de Raad. Kort na het eindigen van de ondertoezichtstelling zijn er vanuit [zorgorganisatie 1] zorgen geuit over het gezin bij de Raad. Uit het onderzoek dat de Raad vervolgens heeft verricht, blijkt dat de minderjarigen momenteel ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Een groot gezin met 7 jonge kinderen vraagt veel van de verzorgers en opvoeders. De moeder is voornamelijk belast met de verzorging en opvoeding van de minderjarigen en wordt daarbij ondersteund door de oma’s aan moeders- en vaderskant. De vader werkt fulltime om het gezin financieel te ondersteunen. Doordat [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] kampen met gedragsproblemen, is de gezinsdynamiek ernstig ontwricht en is de moeder dusdanig overbelast geraakt, dat zij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, ondanks de geboden ondersteuning, niet meer op een goede manier kan blijven dragen. Er is sprake van veel onrust en er wordt regelmatig tegen elkaar geschreeuwd. Daarnaast zijn er zorgen of de ouders in de huidige situatie in staat zijn om voldoende aan te sluiten bij wat de minderjarigen nodig hebben. De zorgen over [minderjarige 2] zijn momenteel het grootst, nu hij ook suïcidale uitingen heeft gedaan. Als gevolg van de ontwrichtende dynamiek is er voor alle minderjarigen een onveilige opvoedsituatie ontstaan. Op 6 januari 2026 hebben de moeder en de oma (mz) aangegeven dat [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] per direct uit huis geplaatst moeten worden (hetgeen in 2024 ook al is gebeurd met [minderjarige 4] en [minderjarige 3] ). Daarop zijn zij in overleg met het CIT en [zorgorganisatie 3] voor een aantal dagen bij de zorgboerderij [zorgboerderij] geplaatst. De Raad constateert dat er een patroon is ontstaan waarin het gezin met behulp van de hulpverlening draaiende wordt gehouden, maar waar ook voortdurend crisissituaties (dreigen te) ontstaan.
3.5.
De Raad stelt dat er momenteel sprake is van een goede samenwerking tussen de ouders en de betrokken hulpverlening vanuit [zorgorganisatie 2] en [zorgboerderij] . Ondanks dat de ouders meewerken met de hulpverlening, zij doen wat zij kunnen en er op verschillende manieren wordt geprobeerd om het gezin te ontlasten (onder andere met kinderopvang en dag- en weekendopvang), is de hulpverlening op vrijwillige basis tot nu toe ontoereikend gebleken voor het wegnemen dan wel het voorkomen van voormelde zorgen. Hoewel de betrokkenheid van de beide oma’s zeer welkom is, heeft de oma (mz) soms ook een sterke eigen mening waarbij de moeder het moeilijk vindt om daarmee om te gaan. De Raad vindt het daarom noodzakelijk dat de GI betrokken raakt in het gedwongen kader om met een duidelijke visie te werken aan het wegnemen van de zorgen en om toezicht te houden. Vanwege negatieve ervaringen met de GI (William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering) en de hulpverlening in het verleden, staan de ouders echter wantrouwend tegenover deze GI. De Raad adviseert toch om deze GI te belasten met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dit omdat het gezin past binnen de doelgroep van de GI en, in tegenstelling tot Stichting Jeugdbescherming Brabant, de GI per direct een vaste jeugdbeschermer beschikbaar heeft die de maatregel kan uitvoeren. Dit is van groot belang met het oog op de zorgen die er zijn.

4.De standpunten

4.1.
Namens en door de ouders is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De ouders stemmen in met de verzochte ondertoezichtstelling voor alle minderjarigen, zodat zij daar allemaal in worden meegenomen. Belangrijk is dat er op korte termijn wordt ingezet op het ontlasten van het gezinssysteem, zodat nieuwe crisissituaties worden voorkomen. De ouders vinden het daarnaast van belang dat met name [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] individuele therapie en/of behandeling krijgen. Vanwege de vervelende ervaringen die de ouders hebben met deze GI en omdat de overdracht van de hulpverlening van het gedwongen naar het vrijwillige kader in de afgelopen maanden niet goed is gegaan, zijn de ouders wantrouwend richting de GI. Het vertrouwen van de ouders in de GI zal dan ook opnieuw moeten groeien maar de ouders zijn bereid om in het belang van de minderjarigen mee te werken.
4.2.
De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De GI vindt het vervelend om te horen dat de ouders geen goede ervaring hebben gehad met de GI en in het bijzonder met de vorige jeugdbeschermer. De huidige jeugdbeschermer zal hierover met de ouders in gesprek gaan en er alles aan doen om het vertrouwen terug te winnen zodat zij op een goede manier samen verder kunnen gaan. De GI vindt het gezin passen binnen haar doelgroep.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en hetgeen er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Vooropgesteld vraagt de verzorging en opvoeding van een gezin met 7 jonge kinderen veel van de beide ouders en van de oma’s aan moeders- en vaderskant die hen daarbij ondersteunen. De hulpverlening vanuit [zorgorganisatie 1] , [zorgorganisatie 3] , [zorgorganisatie 2] en [zorgboerderij] is betrokken, waarbij er op allerlei manieren is geprobeerd om het gezinssysteem te ontlasten. Gebleken is echter dat de gezinsdynamiek ernstig is ontwricht, al dan niet als gevolg van gedragsproblematiek bij een aantal minderjarigen en de verschillende zorg- en opvoedingsbehoeften die zij in verband daarmee hebben. Bovendien is er bij (sommige) minderjarigen mogelijk onderliggend sprake van hechtingsproblematiek en/of trauma’s. Als gevolg hiervan is het gezinssysteem overbelast geraakt en is er in het gezin voortdurend sprake van spanningen en onrust, waarbij de ouders en de minderjarigen in een overlevingsstand lijken te verkeren en er steeds nieuwe crisissituaties dreigen te ontstaan. Gelet hierop groeien alle minderjarigen op in een onveilige opvoedsituatie waardoor zij, naar het oordeel van de kinderrechter, momenteel ernstig in hun (sociaal-emotionele) ontwikkeling worden bedreigd.
5.3.
Het is de kinderrechter gebleken dat de ouders bereid zijn om de hulpverlening te accepteren, die nodig is om de zorgen weg te nemen. Er is sprake van een goede samenwerking tussen de ouders en de hulpverlening vanuit [zorgorganisatie 1] , [zorgorganisatie 3] , [zorgorganisatie 2] en [zorgboerderij] . De ouders en de oma’s hebben ook het beste met de minderjarigen voor. De hulpverlening die tot nu toe op vrijwillige basis is ingezet, is echter ontoereikend gebleken om de zorgen die er zijn, weg te nemen dan wel (een verergering daarvan) te voorkomen. Er wordt gezien dat de ouders het graag zo goed mogelijk willen doen, maar dat zij soms met hun handen in het haar zitten en dat zij dan niet meer weten wat zij moeten doen. Er is bij de ouders dan ook geen sprake van onwil, maar van onmacht. Het is daarom van belang dat er een stevige regievoerder komt die met een duidelijke visie zal bepalen wat er nodig is, die keuzes daarin zal maken, die de hulpverlening zal coördineren en die de situatie vervolgens zal monitoren. Dit maakt, naar het oordeel van de kinderrechter, dat het inzetten van hulpverlening en regievoering vanuit het gedwongen kader noodzakelijk is.
5.4.
De kinderrechter gaat er bovendien vanuit, nu de mogelijkheden van regievoering en het inzetten van hulpverlening in een gedwongen kader nog niet zijn uitgeput, dat de ouders binnen een voor de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn in staat zullen zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen weer volledig zelf te dragen.
5.5.
Gelet op het voorgaande wordt, naar het oordeel van de kinderrechter, voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling van de minderjarigen. Ondanks de bezwaren die de ouders hebben geuit tegen het belasten van de GI met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, zal de kinderrechter het (gewijzigde en mondeling ter zitting gespecificeerde) verzoek van de Raad toewijzen en de minderjarigen onder toezicht stellen van de GI voor de verzochte duur van een jaar, met ingang van heden en tot 28 januari 2027. De rechtbank zal deze GI belasten met de uitvoering van de ondertoezichtstelling omdat het gezin past in de doelgroep van deze GI en de GI - in tegenstelling tot Stichting Jeugdbescherming Brabant - per direct een vaste jeugdbeschermer heeft die de maatregel kan en zal uitvoeren. Gezien de ontstane zorgen is het van groot belang dat de GI per direct regie zal voeren en dat zij zal ingrijpen waar nodig. Dit gezin kan niet nog veel langer wachten op regievoering en hulp. Nu het wantrouwen van de ouders met name is gericht tegen de vorige jeugdbeschermer van deze GI, gaat de kinderrechter er bovendien vanuit dat de ouders samen met de huidige jeugdbeschermer een nieuwe start kunnen maken, ook al is zij werkzaam bij dezelfde GI. Het belang van de minderjarigen staat hierbij voorop.
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dit betekent dat de maatregel per direct van kracht is en dient te worden uitgevoerd door de GI, ook als hiertegen een hoger beroep wordt ingesteld.
5.7.
Als leidraad om in het kader van de ondertoezichtstelling aan te werken, kunnen onder meer de navolgende in het raadsrapport opgesomde doelen worden genomen:
  • De kinderen groeien op in een veilige en stabiele opvoedingsomgeving;
  • De kinderen kunnen zich, met ondersteuning, sociaal aangepast gedragen;
  • De kinderen kunnen, met ondersteuning, hun emoties veilig en adequaat reguleren.
5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] en [minderjarige 7] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, met ingang van 28 januari 2026 tot 28 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 11 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.