ECLI:NL:RBZWB:2026:1313

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
1 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444068 en C/02/444408
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige bij opa

De zaak betreft verzoeken van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige woont sinds haar geboorte bij haar opa (moederszijde) en oma, en verblijft daar nu formeel uithuis geplaatst omdat zij niet bij haar ouders woont.

De moeder is opgenomen voor een detox en kan binnen twee weken terecht in een moeder-kindhuis, waarvoor de uithuisplaatsing dient te worden verlengd. De vader en moeder zijn het eens met de verlenging, waarbij mediation is gestart om omgangsregelingen te verbeteren. De opa onderhoudt goede relaties met beide ouders en grootouders.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld vanwege de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en de problematiek bij de ouders. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend tot 13 maart 2026, waarna plaatsing in het moeder-kindhuis verwacht wordt.

De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het belang van omgang met vader en grootouders wordt benadrukt. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de opa tot plaatsing in een moeder-kindhuis mogelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/444068 / JE RK 26-79 ((spoed)machtiging tot uithuisplaatsing)
C/02/444408 / JE RK 26-148 (verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing, een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.J.E.M. Edelmann uit Breda.
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Hofland uit Breda.
De kinderrechter merkt voor het vervolg van deze procedure als informant aan:
[de opa moederszijde]
hierna te noemen: de opa moederszijde (mz),
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
C/02/444068 / JE RK 26-79:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 16 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken.
C/02/444408 / JE RK 26-148:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026;
  • het stelbericht van mr. Edelmann van 20 januari 2026;
  • het stelbericht van mr. Hofland van 21 januari 2026;
  • het bericht van mr. Hofland van 26 januari 2026, inhoudende het verzoek de vader als belanghebbende aan te merken;
  • het bericht van de rechtbank van 27 januari 2026, inhoudende dat de vader als belanghebbende wordt aangemerkt.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de moeder;
  • de vader met zijn advocaat;
  • de opa;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van de oma (vz).
1.4.
Van de advocaat van de moeder heeft de kinderrechter vernomen dat zij niet naar de rechtbank kon komen en dat de moeder zich kan vinden in het verzoek. De moeder is, in overleg met de GI, toch aanwezig op de zitting. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de advocaat van de moeder. De aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar.
1.5.
Gelet op de nauwe samenhang tussen het resterende verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/444068 / JE RK 26-79 en het verzoek in de zaak met kenmerk C/02/444408 / JE RK 26-148, zijn de verzoeken gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt bij deze beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woonde tot 16 januari 2026 met haar moeder bij de opa (mz). Op grond van de in deze zaak gegeven beschikking van 16 januari 2026 verleende de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 16 januari 2026 tot 30 januari 2026 en is het resterende deel van het verzoek aangehouden.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 20 februari 2024 [minderjarige] (toen nog het ongeboren kind) onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 19 februari 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 20 februari 2025 tot 20 februari 2026.

3.Het (resterende) verzoek

C/02/444068 / JE RK 26-79:
Thans ligt het volgende resterende verzoek nog ter beoordeling voor.
3.1.
De GI verzoekt een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de resterende duur van twee weken.
3.2.
Tevens verzoekt de GI om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, geldend tot 20 februari 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
C/02/444408 / JE RK 26-148:
3.3.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.4.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van één maand.
3.5.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van de verzoeken voert de GI, samengevat, het volgende aan. Er is veel gebeurd de afgelopen periode. De moeder is nu één week opgenomen voor een detox. De moeder kan binnen twee weken terecht in een moeder-kindhuis. Dat sluit aan op de detox. De machtiging tot uithuisplaatsing is aangevraagd voor de overbruggingsperiode. De opa is op dit moment de hoofdverzorger van [minderjarige] . Er is een omgangsregeling met de vader. De oma (vz) wordt daarbij betrokken. De ouders zijn gestart met mediation. De omgangsregeling loopt nog niet helemaal vanwege miscommunicatie. De GI zal daarom bij de mediation betrokken zijn.

5.Het standpunt van belanghebbenden

5.1.
Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek. De moeder is uit huis gegaan zodat [minderjarige] daar kon blijven. De detox duurt tot 12 februari 2026. Er is afgelopen periode wat onduidelijkheid geweest over de omgang.
5.2.
Door en namens de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in het verzoek als er duidelijke afspraken komen over de omgang. De ouders zijn gestart met mediation en zijn goed op weg. Er is ruis ontstaan over de omgangsregeling. De vader is hard bezig met het opbouwen van een band met [minderjarige] . Het plan was om de omgang uit te breiden, maar het is bijna helemaal stilgelegd toen de moeder opgenomen werd. Daardoor kreeg de vader het gevoel dat de GI hem minder belangrijk vindt dan de moeder in de hechtingsfase van [minderjarige] . De vader is het daarnaast niet eens met het beeld dat van hem wordt geschetst in het verzoek. Hij is open en eerlijk geweest tegenover de hulpverlening. Ook is de vader het er niet mee eens dat hij zou hebben gezegd dat [minderjarige] bij de oma (vz) geplaatst dient te worden. Dat was volgens de vader op initiatief van de GI.

6.Het standpunt van informant

6.1.
Door de opa (mz) is, samengevat, naar voren gebracht dat [minderjarige] sinds haar geboorte bij hem en de oma (mz) woont. De laatste tijd gaat de omgang wat moeizaam, maar over het algemeen is de opa (mz) blij met de situatie. De opa (mz) heeft een goede relatie met zowel de moeder als de vader en de grootouders (vz).

7.De (nadere) beoordeling

C/02/444068 / JE RK 26-79:
7.1.
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 16 januari 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van twee weken zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Uit de overgelegde stukken en hetgeen bij de zitting is besproken zijn de kinderrechter geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een ander oordeel dan reeds is verwoord in de voornoemde beschikking. Nu de kinderrechter zal beslissen op het reguliere deel van het verzoek, zal zij het resterende deel van het verzoek om een spoedmachtiging te verlenen, afwijzen.
7.2.
De GI heeft voorts verzocht om aansluitend op de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de lopende ondertoezichtstelling. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er bestaan nog steeds zorgen over [minderjarige] . Gelet op de problematiek van de ouders is het noodzakelijk dat zij bij de opa (mz) kan blijven wonen, waar zij sinds haar geboorte ook verblijft. Formeel is dat een uithuisplaatsing nu zij daar niet met een van haar ouders verblijft. Er is op korte termijn zicht op een plek bij een moeder-kindhuis. Die plaatsing kan waarschijnlijk op 12 februari 2026 in gaan. De ouders kunnen zich vinden in de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van 1 jaar en uithuisplaatsing voor een korte periode, gelet op de aanstaande ontwikkelingen..
7.3.
De spoedmachtiging loopt tot 30 januari 2026 en de huidige ondertoezichtstelling tot 20 februari 2026. De kinderrechter zal daarom de spoed machtiging tot uithuisplaatsing verlenen tot 13 februari 2026.
C/02/444408 / JE RK 26-148:
7.4.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.5.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
7.6.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.7.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat aan de voorwaarden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met een jaar wordt voldaan. Vanwege de zorgen over [minderjarige] wordt zij ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Vanwege alles dat er is gebeurd is het noodzakelijk dat [minderjarige] bij de opa (mz) kan blijven wonen tot zij met de moeder terecht kan bij een moeder-kindhuis. Die opname is aanstaande. De termijn van verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal conform hetgeen ter zitting is besproken worden gesteld op 4 weken, derhalve tot 13 maart 2026. De ouders kunnen zich vinden in de verlenging.
7.8.
De kinderrechter constateert dat het belangrijk is dat [minderjarige] , vanwege haar jonge leeftijd waarin de hechting heel belangrijk is, omgang heeft met haar vader en met de grootouders (vz). De ouders hebben tijdens de zitting gesproken over de omgangsregeling. De GI heeft dit gehoord en heeft toegezegd hiermee aan de slag te gaan. De kinderrechter merkt op dat het heel positief is voor [minderjarige] dat er een groot netwerk om haar heen staat en dat zij ook eensgezind zijn.
Uitvoerbaar bij voorraad
7.9.
De kinderrechter zal de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.10.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissingen.

8.De beslissing

De kinderrechter:
C/02/444068 / JE RK 26-79:
8.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 30 januari 2026 tot 13 februari 2026;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
8.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
C/02/444408 / JE RK 26-148:
8.4.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 20 februari 2026 tot 20 februari 2027;
8.5.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 13 februari 2026 tot 13 maart 2026;
8.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.