ECLI:NL:RBZWB:2026:1319

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444470 / FA RK 26-466
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting inbewaringstelling wegens onmiddellijk dreigend ernstig nadeel bij vasculaire dementie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 30 januari 2026 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene, geboren in 1936, die verblijft in een verzorgingstehuis na een eerdere inbewaringstelling door de burgemeester van Terneuzen.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden betrokkene, zijn advocaat, een specialist ouderengeneeskunde en de dochter van betrokkene gehoord. Betrokkene gaf aan liever naar huis te willen, maar de specialist en dochter benadrukten de ernstige zorgbehoefte en het risico op levensgevaar, lichamelijk letsel, psychische schade en verwaarlozing door zijn vasculaire dementie en dwalingsgedrag.

De rechtbank concludeerde dat het ernstig nadeel onmiddellijk dreigend is en dat voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk en geschikt is om dit te voorkomen. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven, aangezien de thuissituatie niet langer houdbaar is en dagopvang onvoldoende bescherming biedt.

De machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling werd daarom verleend voor de duur van zes weken, tot en met 13 maart 2026. De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door rechter De Beer.

Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor zes weken wegens onmiddellijk dreigend ernstig nadeel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444470 / FA RK 26-466
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Beschikking voortzetting inbewaringstelling
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1936 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. S. van de Voorde uit Middelburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 27 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- mevr. [naam] , als specialist ouderengeneeskunde verbonden aan [verzorgingstehuis] ;
- de dochter van betrokkene.
Ook was ter ondersteuning van betrokkene aanwezig een verpleegkundige verbonden aan [verzorgingstehuis] . Zij is niet gehoord.

2.Wat vaststaat

2.1.
Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in [verzorgingstehuis] . De burgemeester van Terneuzen heeft de inbewaringstelling op 25 januari 2026 afgegeven.

3.Het verzoek

3.1.
Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken.

4.De standpunten

4.1.
Tijdens de zitting geeft betrokkene aan dat hij liever naar huis gaat. Namens betrokkene brengt de advocaat naar voren dat betrokkene duidelijk aangeeft naar huis te willen. Hij wil hier niet zijn. De advocaat vraagt derhalve het verzoek af te wijzen. In de thuissituatie kan vervolgens worden gekeken naar oplossingen dan wel een vrijwillige opname.
4.2.
De specialist ouderengeneeskunde geeft aan dat het, ook somatisch, wankel gaat met betrokkene. Ook bij [verzorgingstehuis] is betrokkene gevallen. Betrokkene geeft duidelijk aan dat hij naar huis wil. Betrokkene is gebaat bij structuur. In de thuissituatie gaat het niet. Gekeken gaat worden naar een plek dichterbij huis. Er is geprobeerd betrokkene naar dagopvang te laten gaan, maar dit weigert hij. Daarbij is vaak in de avond, vanaf 16:00 uur, onrust. Voor de echtgenote van betrokkene is het niet langer te doen. Het risico dat betrokkene gaat dwalen en gevallen wordt gevonden neem je met dagopvang niet weg.
4.3.
De dochter geeft tijdens de zitting aan dat het niet langer gaat in de thuissituatie; de zorg is te zwaar voor de echtgenote van betrokkene. De situatie aldaar is schrijnend. In de thuissituatie kwam zowel in de ochtend als in de avond wijkverpleging en ook was er eens per week huishoudelijke hulp. Naar de dagopvang wilde betrokkene niet.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes weken. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
- levensgevaar;
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing.
5.3.
Na een val in de thuissituatie is betrokkene opgenomen op de spoedeisende hulp. Betrokkene is thuis de weg kwijt en is toenemend aan het dwalen, ook in de nacht. Daarnaast uit betrokkene zich suïcidaal. Ook uit betrokkene zich agressief richting zijn echtgenote.
5.4.
Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychogeriatrische aandoening. Betrokkene heeft namelijk vasculaire dementie.
5.5.
Het ernstig nadeel is zodanig onmiddellijk dreigend dat een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht.
5.6.
Voortzetting van de inbewaringstelling is noodzakelijk en geschikt om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene wil graag naar huis.
5.7.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De thuissituatie is niet langer houdbaar. De echtgenote van betrokkene is overbelast en kan betrokkene niet de benodigde zorg en veiligheid bieden. Dagbesteding volstaat niet, omdat dan de avonduren niet gedekt zijn. Zorg in de thuissituatie is ontoereikend gebleken.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1936 in [geboorteplaats] ;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 13 maart 2026.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026 door mr De Beer, rechter, in aanwezigheid van mr. Oude Weernink, griffier en op schrift gesteld op 18 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.