Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verdere verloop van de procedure
- twee vertegenwoordigsters van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De ouders van de minderjarige zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De minderjarige is voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland van 20 januari tot 3 februari 2026. De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt verlenging van deze ondertoezichtstelling tot 20 april 2026.
Tijdens de zitting op 30 januari 2026 zijn de moeder, vader, hun advocaten, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig. De moeder steunt het verzoek en uit angst voor de vader, die volgens haar de situatie onveilig maakt. De vader ontkent bedreigingen en stelt dat hij wel hulp wil, maar niet via de huidige zorgorganisatie. De GI constateert dat ouders een verschillende beleving hebben en dat de moeder mogelijk slachtoffer is van intieme terreur.
De kinderrechter concludeert dat de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan, de vader ernstige bedreigingen heeft geuit en de zorgen over de veiligheid van de minderjarige en moeder niet zijn verminderd. Het zorgelijke gedrag van de minderjarige bij de moeder thuis, waaronder woedeaanvallen, baart zorgen. Gezien deze omstandigheden is verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling passend en noodzakelijk om veiligheid en omgang te monitoren.
Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 20 april 2026 vanwege blijvende zorgen over veiligheid en omgang.