ECLI:NL:RBZWB:2026:1322

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444583 / JE RK 26-183
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 1:247 BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling van twee minderjarigen wegens ernstige bedreiging ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 30 januari 2026 de voorlopige ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2012 en 2016, vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en het niet op gang komen van noodzakelijke hulpverlening. De ouders, die gezamenlijk het gezag uitoefenen, zijn in een verstoorde communicatie verwikkeld, waardoor hulpverlening niet effectief wordt ingezet en de kinderen geen contact hebben met een van de ouders en onderling.

De kinderrechter constateerde dat eerdere afspraken over hulpverlening en contact niet zijn nagekomen en dat de situatie escaleert, met stress en mogelijke mishandeling als gevolg. De Raad en ouders erkennen de noodzaak van hulp, maar vrijwillige trajecten falen. Daarom is een gedwongen kader noodzakelijk om zicht te krijgen op de situatie en de veiligheid van de kinderen te waarborgen.

De kinderrechter stelde de minderjarigen voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant voor drie maanden, met als doelen het onderzoeken van mogelijke mishandeling, het herstellen van contact tussen de kinderen en ouders, en het inzetten van passende hulpverlening. De beslissing is genomen met instemming van beide ouders en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant voor drie maanden wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/444583 / JE RK 26-183
Datum uitspraak: 30 januari 2026
beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1] (Verenigd Koninkrijk),
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2] ,geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. B.P.A. van Beers te Roosendaal,

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het volgende mee in de beoordeling:
- het mondelinge verzoek van de Raad op 30 januari 2026;
- de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 30 januari 2026.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling op 30 januari 2026 van de verzoeken tot wijziging
van respectievelijk de kinderbijdrage, het hoofdverblijf en de zorgregeling, bekend onder het
zaak-/rekestnummer: C/02/431592 / FA RK 25-620, heeft de Raad mondeling de voorlopige
ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verzocht. De kinderrechter heeft dit verzoek
gelijktijdig met voornoemde verzoeken tot wijziging van de kinderbijdrage, het hoofdverblijf
en de zorgregeling mondeling behandeld, met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat en een tolk in de Engelse taal;
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad.

2.De feiten

2.1.
Ouders hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geboren.
2.2.
Tussen ouders staat vast dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
Bij beschikking van 26 februari 2021 heeft deze rechtbank – voor zover hier van belang – het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bepaald bij de moeder en in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot hebben van omgang conform de regeling zoals onder rechtsoverweging 4.24 tot en met 4.26 van die beschikking is opgenomen. Kort samengevat houdt die regeling in dat de minderjarigen één keer per twee weken van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man verblijven.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van 19 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald dat de [minderjarige 1] voorlopig wordt toevertrouwd aan de vader. Verder is in rechtsoverweging 4.9. van het vonnis het navolgende overwogen:
“Daarnaast zal de bestaande zorgregeling worden ‘bevroren’, in die zin dat [minderjarige 1] voorlopig geen omgang heeft met de vrouw en [minderjarige 2] geen omgang heeft met de man. Het contact tussen de broertjes zal echter wel in stand worden gehouden, zoals door partijen overeengekomen elke zaterdag van 14:00 uur tot 16:00 uur bij [naam] thuis. De voorzieningenrechter benadrukt verder het belang van professionele hulpverlening voor zowel de minderjarigen als de ouders. Partijen worden dan ook dringend verzocht om zo spoedig mogelijk contact op te nemen met de gemeente Bergen op Zoom, zodat een casusregisseur kan worden aangesteld die regie voert over de te verlenen hulpverlening. Het doel van deze hulpverlening is zicht te krijgen op de opvoedsituaties bij beide ouders en het versterken van hun opvoedvaardigheden. Hiertoe dient psycho-educatie te worden ingezet, waarin ook aandacht wordt besteed aan loyaliteitsproblematiek, zodat ouders inzicht krijgen in de mogelijke spanningen en conflicten die bij de minderjarigen kunnen ontstaan als gevolg van loyaliteitsconflicten. Daarnaast dient individuele hulpverlening voor de minderjarigen te worden ingezet om hen te ondersteunen bij hun eigen ontwikkeling en welzijn. Tot slot wordt opgemerkt dat tijdens de bodemprocedure op 30 januari 2026 de voortgang van de hulpverlening zal worden besproken evenals de huidige stand van zaken.”

3.Het verzoek en de standpunten

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant als uitvoerende instantie te benoemen. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft aangevoerd dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting verder naar voren is gebracht blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat ouders onvoldoende in staat zijn om deze zorgen weg te nemen. Er moet zo snel mogelijk hulpverlening voor worden ingezet. Het vrijwillige hulpverleningstraject bij het CJG komt niet van de grond en de zorgen nemen toe. Het is van belang dat er snel zicht komt op de vermeende mishandelingen en de huidige ontwikkeling van de kinderen. Er is sprake van een ernstig verstoorde oudercommunicatie en ouders blijven verwijten maken aan elkaar. Er is geen vertrouwen in elkaar als veilige opvoeder. De kinderen zitten hiertussen. Zij zien elkaar niet en de andere ouder niet. Door de verstoorde oudercommunicatie lukt het de ouders niet om hulpverlening in te schakelen. De ouders staan lijnrecht tegenover elkaar. De Raad heeft er daarom geen vertrouwen in dat het ouders samen of met inzet van vrijwillige hulpverlening gaat lukken om hetgeen dat nodig is in te zetten. Er moet zo snel mogelijk zicht komen op de ontwikkeling van de kinderen, het effect van het onderlinge contactverlies en het contactverlies met de andere ouder en wat nodig is om dit te herstellen, alsook op de vermeende mishandelingen en tenslotte op wat er nodig is om de kinderen veilig te laten opgroeien. Door het stagneren van de hulpverlening, of feitelijk het niet op gang komen van de hulpverlening, ontbreekt het aan zicht op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun opvoedomgevingen. Gelet op de uitlatingen die de kinderen hebben gedaan, de visies van ouders over wat er is gebeurd en wat er moet worden ingezet lijnrecht tegenover elkaar staan en het gegeven dat de kinderen nog altijd geen hulpverlening ontvangen en hun uitingen in zorgelijke mate toenemen, maakt de Raad zich grote zorgen over de (acute) veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij hebben te maken met plotseling contactverlies met een ouder en met hun broer. Dit is van directe negatieve invloed op hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in beide ouders. Ook heeft de Raad zorgen om loyaliteitsproblemen bij de kinderen; in elk geval ervaren zij nu niet de mogelijkheid om onbelast van beide ouders te mogen houden. Mocht er daadwerkelijk sprake zijn van kindermishandeling, dan zijn er zorgen om de fysieke ontwikkeling van de kinderen. De situatie waar de kinderen zich bevinden, geeft blijkt van veel spanning en onderling wantrouwen. Deze voor de kinderen voelbare spanning, geeft hen stress en juist dan hebben ze beschikbare volwassenen nodig die eigen emoties onder controle hebben en de kinderen kunnen begeleiden in hun gevoelens. De Raad heeft zorgen of ouders dit lukt, nu zij zich al geruime tijd in onderlinge strijd bevinden. Gezien het vorenstaande ziet de Raad geen andere mogelijkheid dan het verzoeken van een voorlopige ondertoezichtstelling. De Raad is van mening dat er vanuit een gedwongen kader eerst zicht moet komen op de ontwikkeling van de kinderen en op hun uitspraken ten aanzien van geweld. Vervolgens moet worden bezien wat de mogelijkheden zijn tot een vorm van contact tussen de kinderen onderling en de kinderen en ouders.
3.3.
Door en namens beide ouders is tijdens de zitting van 30 januari 2026 uitdrukkelijk ingestemd met toewijzing van het verzoek voor de duur van drie maanden. Zij achten het niet nodig en ook niet wenselijk om het verzoek slechts voor 2 weken toe te wijzen en het resterende deel te bespreken op een nadere mondelinge behandeling.
3.4.
De kinderrechter heeft op 30 januari 2026 gesproken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (ieder afzonderlijk). Daarbij zijn zij ook in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over hulpverlening in een vrijwillig of gedwongen kader.. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben allebei aangegeven dat hulpverlening wat hen betreft niet nodig is.

4.De beoordeling

Wettelijk kader
4.1.
Op grond van artikel 1:257, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, als bedoeld in artikel 255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
4.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
4.3.
Op grond van artikel 1:255, tweede lid, BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de Raad.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
De kinderrechter stelt vast dat de afspraken die door partijen zijn gemaakt tijdens de kort geding zitting op 18 december 2025 en die zijn opgenomen in voornoemd vonnis van 19 januari 2026 niet zijn uitgevoerd, hetgeen betekent dat de ouders er ondanks de grote zorgen vooralsnog niet in zijn geslaagd de dringend noodzakelijke hulpverlening voor de kinderen en voor ouders te regelen, zelfs niet nadat hier tijdens de kort geding zitting van december 2025 heldere afspraken over zijn gemaakt, die in een vonnis zijn vastgelegd. Communicatie tussen ouders over het inzetten van hulp is eveneens gestagneerd. Het contact tussen de broers bij [naam] thuis is evenmin van de grond gekomen door communicatieproblemen tussen de ouders. Ook de overdracht van de persoonlijke spullen van [minderjarige 1] (van moeder naar vader) heeft nog niet plaatsgevonden. Hulpverlening voor de ouders en de kinderen is tot op heden dus onvoldoende van de grond gekomen, terwijl alle betrokkenen het er over eens zijn dat deze hulpverlening dringend noodzakelijk is om de zorgen die er zijn omtrent de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de ouders weg te nemen en de ouders ook hadden toegezegd dit te zullen regelen en de afspraken hieromtrent bij vonnis zijn vastgelegd.
4.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Er zijn op dit moment grote zorgen om het welzijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er is sinds 5 november 2025 geen contact (meer) tussen [minderjarige 1] en moeder en ook niet of nauwelijks tussen [minderjarige 2] en vader. Evenmin is er contact tussen de beide broers onderling. De ouders verschillen van visie over de reden waarom dit contact nu ontbreekt en geven elkaar hier de schuld van. Duidelijk is dat ouders lijnrecht tegenover elkaar staan en dat het door de verstoorde oudercommunicatie het hen niet lukt om hulpverlening in te schakelen. Uit de overgelegde stukken, hetgeen daarover op zitting is gezegd en de kindgesprekken blijkt in ieder geval dat er bij [minderjarige 1] grote weerstand bestaat tegen contact met zijn moeder, dat er veel spanningen tussen de ouders zijn, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hierdoor veel stress ervaren en dat de benodigde hulpverlening in het vrijwillig kader niet van de grond komt, maar dat de situatie steeds verder escaleert. Ook heeft [minderjarige 1] tijdens het kindgesprek (wederom) verklaard te zijn mishandeld door zijn moeder.
4.6.
De kinderrechter vindt het, met de Raad en ouders, van belang dat er spoedig zicht komt op de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , dat de signalen die van kindermishandeling en/of de herkomst van de weerstand tegen contact met de andere ouder zo spoedig mogelijk worden onderzocht en dat de (on)mogelijkheden voor contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en tussen de vader en [minderjarige 2] in kaart worden gebracht, waarna de GI hier regie op kan voeren. De kinderrechter vindt het daarnaast van belang dat er spoedig contact komt tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onderling en dat er zicht komt op beide opvoedsituaties, de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en op wat zij in beide opvoedsituaties nodig hebben om veilig op te groeien. Hoewel beide ouders beamen dat er hulp voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig is, en ook afgesproken is dat zij dit zouden gaan regelen, is het hen niet gelukt om de benodigde hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te regelen. Hulpverlening in een gedwongen kader is derhalve noodzakelijk om de huidige zorgen en ontwikkelingsdreiging weg te nemen. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , conform het verzoek van de Raad, voorlopig onder toezicht worden gesteld en dat de GI als onafhankelijke derde regie gaat voeren. Gelet op de instemming van de ouders, zal de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht stellen van Stichting Jeugdbescherming Brabant voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 30 januari 2026 en tot 30 april 2026.
4.7.
De kinderrechter acht noodzakelijk dat in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling door de GI in ieder geval aan de volgende doelen wordt gewerkt:
het spoedig in gang zetten van contacten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onderling en het inzetten van hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waarbij zicht dient te komen op hun ontwikkeling en wat nodig is om veilig op te groeien;
het inzetten van de NICHD-methode bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om te onderzoeken of er sprake is (geweest) van kindermishandeling;
de herkomst van de weerstand van [minderjarige 1] tegen contact met zijn moeder, als die niet voortvloeit uit het onder 2 genoemde, onderzoeken en aan de hand van de uitkomsten van het vorenstaande de (on)mogelijkheden voor contact(herstel) tussen de moeder en [minderjarige 1] alsmede tussen de vader en [minderjarige 2] in kaart brengen en daarop regie voeren.
4.8.
Aan de GI wordt verzocht om de uitkomsten van het onder 4.7. genoemde onderzoek terug te koppelen aan de Raad, regio West- en Midden Brabant, zodat de Raad deze informatie mee kan nemen in het onderzoek ten behoeve van de bodemprocedure (onder zaak/rekestnummer: C/02/431592 / FA RK 25-620).
4.9.
Omdat, overeenkomstig het verzoek van de Raad, de GI in deze beschikking tot uitvoerende instantie wordt benoemd, zal (ook) de GI een afschrift van deze beschikking krijgen.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 30 januari 2026 en tot 30 april 2026;
5.2.
verzoekt de GI om de uitkomsten van het onder 4.7. genoemde onderzoek terug te koppelen aan de Raad, regio West- en Midden Brabant, zodat de Raad deze informatie mee kan nemen in het onderzoek ten behoeve van de bodemprocedure (onder zaak/rekestnummer: C/02/431592 / FA RK 25-620).
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van De Pooter als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).