Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1325

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/02/442817 / JE RK 25-2197
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265j BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens onvoldoende gronden

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen voor zes maanden. De GI stelde dat de opvoedsituatie bij de moeder veilig en stabiel is, maar dat het contact tussen de kinderen en de vader nog steeds ontbreekt, wat een bedreiging vormt voor hun ontwikkeling. De vader toont weinig betrokkenheid en komt afspraken niet na.

De moeder betwistte het verzoek en gaf aan dat de situatie thuis rustiger is en dat zij hulpverlening vrijwillig kan voortzetten. Zij benadrukte dat het probleem vooral bij de vader ligt, die geen interesse toont in contact met de kinderen. De advocaat van de vader verzocht namens hem om het verzoek toe te wijzen, omdat hij een omgangsregeling wenst.

De kinderrechter oordeelde dat niet meer aan de wettelijke voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De opvoedsituatie is veilig en stabiel, de moeder kan zelf hulp regelen en de vader heeft onvoldoende betrouwbaarheid getoond. De belasting van een voortzetting van de ondertoezichtstelling weegt niet op tegen de doelen van de GI. Daarom werd het verzoek afgewezen.

De beschikking is op 30 januari 2026 mondeling gegeven en op 13 februari 2026 schriftelijk vastgesteld. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen omdat de voorwaarden niet meer zijn vervuld en de situatie veilig en stabiel is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442817 / JE RK 25-2197
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.J.R. Albicher uit Roosendaal.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A.G. Ouwejan uit Utrecht.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 december 2025;
  • het op 12 januari 2026 ontvangen evaluatie plan van aanpak OTS van de GI;
  • de brief van de GI van 15 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
  • de advocaat van de vader;
  • een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is niet aanwezig geweest op de zitting.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun mening niet gegeven.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 februari 2025 is bepaald dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan alleen aan de moeder toekomt.
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 februari 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 3 februari 2025 tot 3 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting aangegeven haar verzoek te wijzigen van verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar naar zes maanden. De opvoedsituatie bij de moeder wordt veilig en stabiel geacht. De opvoedvaardigheden van de moeder en haar partner zijn vergroot in het behandeltraject bij 4MB en dit traject is inmiddels afgesloten. Uit diagnostisch onderzoek van [minderjarige 1] bij 4MB is gebleken dat hij een algehele ontwikkelingsachterstand heeft. [minderjarige 1] is sinds de kerstvakantie overgestapt op speciaal onderwijs. Dit is passend voor hem en heeft hem rust gebracht. Omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment geen traumagerelateerde klachten vertonen, is de keuze gemaakt nog geen hulpverlening in te zetten op traumaverwerking. De GI heeft er geen zorgen over dat de moeder als het nodig is hulpverlening zal inschakelen voor de kinderen. De GI ziet nog wel een bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen in het feit dat zij geen contact hebben met de vader. [persoon] heeft getracht te onderzoeken hoe contactherstel met de vader mogelijk is. De vader toont echter weinig betrokkenheid bij de kinderen. Gebleken is zelfs dat hij de geboortedata van de kinderen niet kon benoemen. Hij zegt afspraken af of verschijnt niet. Als hij erop aangesproken wordt, reageert hij boos en legt hij de schuld bij anderen. Het is nog niet mogelijk gebleken afspraken met hem te maken. [persoon] is daarom voornemens het traject af te sluiten. De GI heeft in overleg met de hulpverlening besloten dat de vader zich eerst betrouwbaar moet tonen in het nakomen van de afspraken met de volwassenen voordat de kinderen hierbij betrokken worden, om schade bij hen te voorkomen. Een eerste stap zou zijn dat hij kaartjes naar de kinderen stuurt. De moeder stuurt elke maand een update over de kinderen naar de vader. Hij reageert daar echter nooit op. De GI persisteert bij haar verzoek om de afsluitende gesprekken met [persoon] te plannen en de toets in verband met beëindiging van de ondertoezichtstelling door de Raad voor de Kinderbescherming te laten uitvoeren.
4.2.
De moeder is het niet eens met het verzoek van de GI. Zij heeft bij 4MB goede handvatten gekregen voor de opvoeding van de kinderen. Er is meer rust in het gezin. Het gaat goed met de kinderen. Er is geen sprake meer van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Mocht er nog hulp nodig zijn voor de kinderen kan de moeder dit in het vrijwillig kader oppakken. De moeder accepteert alle hulpverlening. Het probleem komt echter telkens neer op het gedrag van de vader. Al jaren is er hulpverlening ingezet om de vader in het leven van de kinderen te betrekken, maar hij komt de afspraken niet na, toont zich niet betrouwbaar en toont ook geen interesse in de kinderen. De moeder bemerkt dat [minderjarige 2] wel eens met haar zusje over de vader heeft. Zij zegt geen behoefte te hebben aan contact met hem. De kinderen merken echter wel dat er iets speelt, bijvoorbeeld als er thuis een gesprek met de hulpverlening plaatsvindt. Als de ondertoezichtstelling nog langer voortduurt, veroorzaakt dit meer schade aan de kinderen, omdat dit ten koste gaat van de rust en stabiliteit. De hulpverlening via [persoon] kan ook na verloop van de ondertoezichtstelling afgesloten worden. Een toets van de Raad voor de Kinderbescherming is niet nodig. De moeder verzoekt daarom het verzoek af te wijzen.
4.3.
De advocaat van de vader heeft aangeven alleen over informatie van de vader te beschikken. Het is de wens van de vader om een omgangsregeling met de kinderen te krijgen. Het raakt hem emotioneel dat dit er nog niet is. Het verbaast de advocaat dat volgens de GI de vader de oorzaak ervan is dat er geen contactherstel mogelijk is. Zij verzoekt namens de vader om het verzoek toe te wijzen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste Pro lid BW) is voldaan.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste Pro lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarig zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.2.
Dat de kinderen nog steeds geen contact hebben met de vader is en blijft een zorg voor de ontwikkeling van de kinderen. De kinderrechter is echter van oordeel dat niet meer aan de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Bovendien is de ondertoezichtstelling niet meer proportioneel en niet meer noodzakelijk. Zoals de GI heeft aangegeven is de opvoedsituatie bij de moeder veilig en stabiel. De ingezette hulpverlening heeft daaraan bijgedragen. De moeder draagt al alleen het gezag over de kinderen. Zij wordt in staat geacht zelf hulpverlening te regelen en te accepteren voor de kinderen als dat in de toekomst nog nodig blijkt. [minderjarige 1] volgt inmiddels passend onderwijs. De moeder informeert elke maand de vader op neutrale toon. Het enige wat nog speelt is dat het contact tussen de vader en de minderjarigen niet tot stand komt. In de vorige beschikking van 3 februari 2025 is al overwogen dat het de laatste mogelijkheid was voor de vader om te laten zien dat hij in staat is zijn vaderrol te vervullen. Het afgelopen jaar is gebleken dat de vader dat op dit moment niet is. Hij is erg ambivalent en toont zich niet betrouwbaar in het nakomen van afspraken. [persoon] zal het traject gaan afsluiten. De kinderrechter ziet onvoldoende gronden om de ondertoezichtstelling nog voor zes maanden te laten voortduren enkel om dit traject nog af te sluiten en voor de toetsende taak voor de Raad voor de Kinderbescherming op grond van artikel 1:265j BW. De afsluiting van het traject bij [persoon] kan ook buiten de ondertoezichtstelling plaatsvinden. Bovendien staat de belasting van de voortduring ondertoezichtstelling voor de moeder en voor de kinderen niet in verhouding tot deze doelen van de GI. Het is in het belang van de minderjarigen dat zij ook hierin rust gaan ervaren. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op 13 februari 2026 op schrift gesteld.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.