ECLI:NL:RBZWB:2026:134

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/02/442331 / JE RK 25-2095 en C/02/442971 / JE RK 25-2224
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader. De minderjarige is sinds eind november 2025 uit huis geplaatst vanwege meldingen van huiselijk geweld en zorgen over de thuissituatie bij de moeder en haar partner.

Tijdens de zitting op 8 januari 2026 zijn de belangen van de minderjarige, de moeder en de vader besproken. De GI handhaaft het verzoek tot verlenging, onderbouwd met zorgen over hechtingsproblematiek, loyaliteitsconflicten en de kwetsbare situatie van de moeder, mede door haar gezondheid en de problematiek rond haar partner. De moeder staat achter verlenging van de ondertoezichtstelling, maar niet van de uithuisplaatsing, en wil terug naar huis met begeleiding. De vader steunt de verlenging en benadrukt het belang van continuering van de uithuisplaatsing.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De ernstige ontwikkelingsbedreiging is niet weggenomen en de situatie blijft kwetsbaar. Het traject bij het ouder-kind huis wordt voortgezet, waarbij de partner van de moeder nog moet aansluiten. De kinderrechter verlengt de maatregelen voor één maand tot 10 februari 2026 en houdt het resterende verzoek aan tot een zitting op 22 januari 2026. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad gesteld om de ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader voor één maand en houdt het resterende verzoek aan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/442331 / JE RK 25-2095 en C/02/442971 / JE RK 25-2224
Datum uitspraak: 8 januari 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In zaaknummer C/02/442331 / JE RK 25-2095
- de beschikking van 4 december 2025 met alle daarin vermelde stukken.
In zaaknummer C/02/442971 / JE RK 25-2224
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 december 2025;
  • het bericht van de GI met als bijlage het focusverslag [zorgorganisatie 1] , ontvangen op 8 januari 2026 en overgelegd tijdens de zitting op 8 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader;
  • de moeder (via telefonische verbinding), bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De zaken van [minderjarige] en de zaak van het halfzusje van [minderjarige] , bekend onder zaaknummer C/02/443131 / JE RK 25-2264, zijn na elkaar tijdens de zitting op 8 januari 2026 behandeld, maar vanwege de nauwe samenhang heeft de kinderrechter in beide zaken gelijktijdig uitspraak gedaan.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de
GI met ingang van 10 januari 2025 tot 10 januari 2026.
2.3.
Bij beschikking van 25 november 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 25 november 2025 en tot 23 december 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 4 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 23 december 2025 en tot 10 januari 2026. Het restende deel van het verzoek van de GI is aangehouden tot de zitting van 8 januari 2026. Het verzoek tot benoemen van een bijzondere curator is afgewezen.
2.5.
Op basis van die beschikking verblijft [minderjarige] bij de vader.

3.De verzoeken

In zaaknummer C/02/442331 / JE RK 25-2095
3.1.
De GI verzoekt met spoed (zonder horen van de belanghebbenden) een machtiging
tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht bij de andere ouder met gezag te
verlenen voor vier weken. In aansluiting hierop verzoekt de GI een machtiging uithuisplaatsing af te geven voor [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader
(aangepast verzoek) voor de duur van drie maanden. De GI verzoek de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , namelijk met ingang van 10 januari 2026 en tot 23 maart 2026.
In zaaknummer C/02/442971 / JE RK 25-2224
3.3.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlengen voor de duur van zes maanden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift heeft de GI aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige] bij de vader en ook op school. Wel is [minderjarige] veel boos en kan zij in haar eigen waarheden en fantasie blijven hangen. Daarnaast lijkt [minderjarige] te ervaren dat zij het niet fijn bij beide ouders mag hebben. De leuke momenten bij de ene ouder lijkt zij niet te (willen) delen bij de andere ouder. Dit maakt dat de zorgen over de hechtingsproblematiek van [minderjarige] groter zijn geworden en dat haar achterstand nog niet is opgeheven. [minderjarige] heeft in het afgelopen jaar veel meegemaakt. Zo zijn er meerdere meldingen van huiselijk geweld en alcoholgebruik geweest. Ook zijn er zorgen over de gezondheid en draagkracht van de moeder en de balans in de relatie en de dynamiek tussen de moeder en haar partner. Mede als gevolg van de acute en langdurige onveiligheid is [minderjarige] eind november 2025 met spoed uit huis geplaatst bij de vader en zijn de moeder en het halfzusje van [minderjarige] naar het ouder-kind huis [zorgorganisatie 1] in [plaats] gegaan. Dit om te kijken wat er in de thuissituatie van de moeder en haar partner moet veranderen. Het traject duurt in totaal 16 weken. In de tweede week van de kerstvakantie heeft [minderjarige] bij haar moeder en halfzusje in het ouder-kind huis verbleven. Die week is goed verlopen. Wel is gezien dat de moeder, (mede) door haar gezondheidssituatie, weinig energie heeft en daardoor op een bepaalde manier op de kinderen kan reageren. Als [zorgorganisatie 1] dit met de moeder bespreekt, voelt zij zich snel aangevallen. Verder verlopen de belmomenten tussen de moeder en [minderjarige] nog niet naar behoren, ondanks de vaste afspraken. Anders dan de moeder stelt de GI dat de moeder wel hulp bij [zorgorganisatie 1] krijgt. Zo ondersteunt [zorgorganisatie 1] de moeder met de medische onderzoeken in het ziekenhuis, krijgt zij opvoedondersteuning in de vorm van tips en adviezen en voeren zij gesprekken met de moeder. Verder heeft [zorgorganisatie 1] al aangegeven dat praktische ondersteuning in het huishouden nodig gaat zijn, mogelijk vanuit de Wmo. In de thuissituatie was er eerder alleen hulpverlening gericht op de opvoedvaardigheden, verslavingszorg en het GIA-team vanuit [zorgorganisatie 2] betrokken. Die hulpverlening neemt geen taken over, maar zij geven enkel tips en adviezen. De GI vindt het verder belangrijk dat de partner van de moeder zich bij het ouder-kind huis gaat aansluiten, zodat er zicht komt op het gezinssysteem en de dynamiek tussen hen. Tot op heden is dat nog niet gelukt, nu de partner van de moeder nog geen urinecontroles heeft laten afnemen. Ook als de partner van de moeder niet kan aansluiten, vindt de GI het belangrijk dat de moeder en het halfzusje van [minderjarige] het traject afmaken. Er is op dit moment nog geen zicht op wat er in de thuissituatie bij de moeder nodig is en de zorgen zijn nog onverminderd aanwezig. Gelet op het traject bij het ouder-kind huis dient [minderjarige] langer bij de vader te wonen en na het traject is er ook tijd nodig om het co-ouderschap vorm te geven, waar beide ouders ook achter staan. Als [minderjarige] nu terug naar de thuissituatie van de moeder zou gaan, bestaat de kans dat zij opnieuw aan geweldssituaties wordt blootgesteld. Tot slot heeft de GI aandacht voor de (fysieke) contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder en haar halfzusje. De vader zal [minderjarige] blijven brengen en ophalen.
4.2.
Namens de moeder heeft de advocaat benoemd dat de moeder achter de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden staat, maar dat de visie, doelen en koers wel echt anders moeten. In het verzoekschrift staan geen actuele en concrete situaties maar slechts vermoedens en aannames, welke door de GI niet (voldoende) zijn onderzocht. Verder staat de moeder niet achter de verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader of slechts voor een zeer korte periode, zodat binnen bijvoorbeeld een maand kan worden toegewerkt naar co-ouderschap. In dat kader merkt de advocaat op dat [minderjarige] ook in de thuissituatie met de vader getuige is geweest van huiselijk geweld en dat ook in die thuissituatie alcohol is gedronken. Daar komt bij dat [minderjarige] altijd door de moeder is opgevoed en het een grote impact op haar heeft dat zij nu opeens bij de vader woont. De advocaat stelt dat de moeder en het halfzusje van [minderjarige] met begeleiding terug naar huis moeten. Juist nu de partner van de moeder zich op het woonadres gaat uitschrijven en hij minder thuis zal zijn. De moeder is niet gebaat bij het ouder-kind huis. Er wordt geen zorg geboden en [zorgorganisatie 1] kijkt alleen mee naar de financiële en medische situatie van de moeder, hetgeen ook in de thuissituatie kan. Daar komt nog bij dat de moeder pas over drie maanden verder kan met de onderzoeken in het ziekenhuis in Groningen en dat [zorgorganisatie 1] door de medische situatie en de verminderde draagkracht van de moeder geen zuivere beoordeling kan maken. De advocaat stelt dat er binnen de ondertoezichtstelling meer aandacht voor de partner van de moeder moet komen. Ook [zorgorganisatie 1] benoemt dat de zorgen vooral bij de partner van de moeder liggen en de dynamiek tussen hen, en niet bij de moeder. Aan de opvoedvaardigheden van de moeder wordt niet getwijfeld. Er moet worden voorkomen dat de moeder en de kinderen de dupe worden van het feit dat de partner van de moeder niet kan aansluiten bij het ouder-kind huis. Van de moeder en/of haar partner kan het (financieel) niet worden verwacht dat zij zelf volledig verantwoordelijk voor de urinecontroles zijn. Verder moet worden voorkomen dat de uitkering van de moeder wordt stopgezet, als zij langer bij het ouder-kind huis moet verblijven. Dit wordt naar voren gebracht gelet op berichtgeving vanuit de gemeente hierover aan de moeder. Tot slot vindt de advocaat het belangrijk dat de GI met [minderjarige] gaat praten.
4.3.
De moeder heeft zelf nog aangegeven dat het niet goed met haar bij het ouder-kind huis gaat, nu zij veel last van haar PTSS heeft en er geen zorg wordt geboden. Het traject is niet zoals het aan de moeder is verteld. Er is geen 24/7 toezicht op de moeder en het halfzusje van [minderjarige] , er wordt geen opvoedondersteuning geboden en ook wordt er niet met de moeder in gesprek gegaan over hoe het echt met haar gaat. Thuis kreeg de moeder twee keer per week hulp van onder andere [zorgverlener] en daar had zij meer baat bij. [zorgverlener] hielp in de opvoeding door praktische dingen voor te stellen en over de opvoeding te praten. De moeder benoemt verder dat zij geen vertrouwen in de GI meer heeft en vindt het vervelend dat alles op vermoedens en wantrouwen is gebaseerd. De moeder wil het liefst naar huis en dat beide kinderen weer bij haar wonen. Wel staat de moeder positief tegenover de mogelijkheid van co-ouderschap als het gaat om [minderjarige] , zodat zij meer tot rust kan komen. Tot slot bevestigt de moeder dat haar partner zich gaat uitschrijven van het woonadres en dat hij elders zal gaan wonen, zodat er meer afstand tussen hen zal zijn.
4.4.
De vader is het eens met de verlenging van de maatregelen, zodat er meer zicht kan komen op de moeder, haar thuissituatie en het gezinssysteem. De vader geeft aan dat het goed gaat met [minderjarige] , maar dat zij wel snel boos is en in haar fantasie kan blijven hangen. [minderjarige] vindt het moeilijk om zich uit te spreken en met haar gevoelens om te gaan. Zij lijkt in een loyaliteitsconflict te zitten. De vader stelt dat [minderjarige] therapie nodig heeft, te denken aan een kinderpsycholoog. Als het traject bij het ouder-kind huis wordt voortgezet, is de vader bereid om [minderjarige] te blijven brengen en ophalen naar [plaats] zodat de moeder en [minderjarige] fysiek contact met elkaar kunnen hebben. Tot slot vindt de vader het belangrijk dat er afspraken tussen de ouders gaan komen en staat hij positief tegenover een co-ouderschap.

5.De beoordeling

In zaaknummer C/02/442331 / JE RK 25-2095
5.1.
De GI heeft in zaaknummer C/02/442971 / JE RK 25-2224 een regulier verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, ingediend. Om die reden, en omdat een machtiging niet langer kan worden verleend dan de duur van de ondertoezichtstelling (welke op dat moment tot 10 januari 2026 liep) zal de kinderrechter het resterende deel van het (spoed)verzoek in zaaknummer C/02/442331 / JE RK 25-2095 afwijzen.
In zaaknummer C/02/442971 / JE RK 25-2224
Wettelijk kader
5.2.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.4.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.5.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.6.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. Zij zal beide maatregelen voor één maand verlengen, te weten tot 10 februari 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Zij legt hieronder uit waarom.
5.7.
De kinderrechter is van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog niet is weggenomen en dat er nog stappen moeten worden gezet. [minderjarige] heeft in het afgelopen jaar in de thuissituatie bij de moeder en haar partner veel meegemaakt en de situatie is nog steeds kwetsbaar. Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat de moeder over voldoende opvoedvaardigheden beschikt en dat zij, met de inzet van hulpverlening en de tips en adviezen over de opvoeding, voor de kinderen kan zorgen. De kwetsbaarheid is met name gelegen in de houding van de partner van de moeder en dynamiek tussen de moeder en haar partner. Zo zijn er in de periode van februari tot november 2025 verschillende meldingen van onder meer huiselijk geweld geweest en is ook [minderjarige] meermaals aan dergelijke geweldsituaties blootgesteld. Daarnaast zijn er zorgen over het alcoholgebruik door de volwassenen om [minderjarige] heen en heeft zij kenmerken van hechtingsproblematiek. [minderjarige] kan snel boos worden, blijven hangen in haar fantasie en vindt het moeilijk om met haar emoties om te gaan. Daarnaast hebben zowel de GI, [zorgorganisatie 1] als beide ouders aangegeven dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict lijkt te zitten. [minderjarige] lijkt te ervaren dat zij het niet fijn bij beide ouders mag hebben. Verder maakt de kinderrechter zich zorgen over de gezondheid van de moeder, haar verminderde draagkracht en de dynamiek tussen de moeder en haar partner. Om [minderjarige] in veiligheid te brengen, verblijft zij sinds eind november 2025 middels een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. Het gaat goed met [minderjarige] bij de vader. De moeder en het halfzusje van [minderjarige] verblijven sinds eind november 2025 in een ouder-kind huis. Tijdens de zitting is door en namens de moeder aangegeven dat het bij het ouder-kind huis niet goed (met haar) gaat en dat [zorgorganisatie 1] geen zorg biedt. De moeder heeft aangegeven dat zij meer baat had bij de hulpverlening in de thuissituatie en mede gelet daarop wil zij het liefst terug naar huis. Zij wil dat beide kinderen (weer) thuis bij haar komen wonen. Dit kan volgens de moeder, omdat haar partner zich van het woonadres zal uitschrijven en elders zal gaan wonen. Anders dan de moeder heeft de GI toegelicht dat er wel hulp en opvoedondersteuning door [zorgorganisatie 1] aan de moeder wordt geboden. Zowel de GI als de moeder hebben aangegeven dat het vanaf het begin al de bedoeling is geweest dat de partner van de moeder ook naar het ouder-kind huis zou gaan, maar tot op heden is dat nog niet gelukt.
5.8.
De kinderrechter is van oordeel dat de situatie van [minderjarige] nauw samenhangt en ook afhangt van de situatie en de voortgang in de zaak van haar halfzusje, aangezien de moeder op dit moment met het halfzusje in een ouder-kind huis in [plaats] verblijft. Om die reden zal de kinderrechter (een deel van) de overwegingen in de zaak van het halfzusje van [minderjarige] ten aanzien van het traject bij het ouder-kind huis hieronder overnemen.
5.9.
Gelet op hetgeen tijdens de zitting is besproken, ziet de kinderrechter zich voor de vraag gesteld of het traject bij het ouder-kind huis moet worden voortgezet of dat de moeder en het halfzusje van [minderjarige] met hulpverlening naar huis moeten met inachtneming van de toezegging door de moeder dat de partner van de moeder zich op het woonadres gaat uitschrijven en elders gaat wonen.
Ten aanzien van het traject bij het ouder-kind huis merkt de kinderrechter allereerst op dat het tot op heden nog steeds niet volledig duidelijk is geworden welke hulp, naast de observaties en praktische ondersteuning bij de medische onderzoeken van de moeder, aan de moeder bij het ouder-kind huis wordt geboden en wat de bedoeling van de resterende duur van het traject is. De kinderrechter stelt vast dat er geen concreet (stappen)plan is en dat niet inzichtelijk is welke hulp er op dit moment wordt ingezet of ingezet zal gaan worden. Ook voor de moeder en voor haar motivatie om mee te blijven werken, is het van belang dat er een concreet en duidelijk (stappen)plan is. Hierbij kan het voor de moeder helpend zijn als zij vaste contactmomenten met de begeleiding van [zorgorganisatie 1] heeft.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het traject bij het ouder-kind huis alleen meerwaarde kan hebben als de partner van de moeder aansluit, zodat er zicht komt op het gezinssysteem en de dynamiek tussen de moeder en haar partner. Juist omdat de zorgen en kwetsbaarheden met name zijn gelegen in de houding van de partner van de moeder en de dynamiek tussen hen. Zowel de GI als de moeder hebben aangegeven dat het vanaf het begin al de bedoeling is dat de partner van de moeder bij het ouder-kind huis aansluit, maar de partner van de moeder heeft nog geen urinecontroles af (kunnen) laten nemen. De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat haar partner zich op de dag van de zitting bij de huisarts in [woonplaats] zal gaan inschrijven, waarna de urinecontroles bij de huisarts kunnen worden afgenomen en hij zich bij het ouder-kind huis kan aansluiten.
5.10.
Om ervoor te zorgen dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] kan worden weggenomen en om de ouders te blijven ondersteunen, is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling voor de duur zoals verzocht nodig is. Ook is zij van oordeel dat de plaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, moet worden gecontinueerd. Dit gelet op het traject van de moeder en het halfzusje van [minderjarige] bij het ouder-kind huis in [plaats] , waarvan het de bedoeling is dat de partner van de moeder op zeer korte termijn ook aansluit en de tijd die na het traject nodig zal zijn om het co-ouderschap ten aanzien van [minderjarige] tussen de ouders vorm te geven. Verder is het de kinderrechter gebleken dat het, ondanks de eerdergenoemde zorgen, goed gaat met [minderjarige] bij de vader en daarom acht zij de uithuisplaatsing op dit moment in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Als [minderjarige] nu terug naar de thuissituatie van de moeder zou gaan, bestaat de kans dat zij wederom aan geweldssituaties wordt blootgesteld. Gelet op de toezegging door de moeder ten aanzien van de urinecontroles door de partner van de moeder en om op zeer korte termijn de voortgang hiervan op te kunnen volgen, zal de kinderrechter een toetsingsmoment creëren en de maatregelen voor één maand verlengen en het restant aanhouden tot de zitting van 22 januari 2026. De kinderrechter gaat er vanuit dat de partner van de moeder zich binnen twee weken en daarmee vóór de nieuwe zittingsdatum bij de huisarts in [woonplaats] heeft ingeschreven en de urinecontroles heeft laten afnemen, waarna hij kan aansluiten bij het ouder-kind huis en er zicht kan komen op het gezinssysteem, de dynamiek tussen de moeder en haar partner en wat er in de thuissituatie van de moeder nodig is. Mocht blijken dat de partner van de moeder na die twee weken niet bij het ouder-kind huis kan aansluiten, dan verwacht de kinderrechter van de GI dat zij alvast gaat onderzoeken op welke termijn de hulpverlening die in de thuissituatie van de moeder betrokken was kan worden ingezet in het geval de moeder en het halfzusje van [minderjarige] naar huis zouden gaan. De kinderrechter is namelijk van oordeel dat de moeder en het halfzusje van [minderjarige] niet de dupe mogen worden van een niet meewerkende houding van de partner van de moeder en als dus blijkt dat de partner van de moeder niet kan aansluiten. Van de GI verwacht de kinderrechter verder een concreet (stappen)plan met onderbouwing van het traject bij [zorgorganisatie 1] , waarbij inzichtelijk is gemaakt wat er op dit moment voor zorg wordt ingezet en wat de bedoeling is voor de resterende duur van het traject. Ook verwacht de kinderrechter van de GI dat zij bij de gemeente zal navragen of de uitkering van de moeder wordt stopgezet in het geval het traject bij het ouder-kind huis wordt voortgezet. Tot slot geeft de kinderrechter aan de GI mee dat het van belang is dat er aandacht blijft voor de (fysieke) contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder en haar halfzusje en vindt zij het belangrijk dat de GI met [minderjarige] in gesprek gaat.
5.11.
Nu de maatregelen voor de duur van één maand zullen worden toegewezen en het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de zitting van 22 januari 2026 om 16:00 uur, verzoekt de kinderrechter de GI om uiterlijk 19 januari 2026 per brief te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling, de uithuisplaatsing en de stand van zaken. Ook wordt de GI verzocht haar nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of de GI het restantverzoek al dan niet handhaaft.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
In zaaknummer C/02/442331 / JE RK 25-2095
6.1.
wijst het resterende deel van het (spoed)verzoek af;
In zaaknummer C/02/442971 / JE RK 25-2224
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 10 januari 2026 en tot 10 februari 2026;
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 10 januari 2026 en tot 10 februari 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de
zitting van 22 januari 2026 om 16:00 uur, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2 (4331 JE), ten overstaan van mr. E.J. Zuijdweg, kinderrechter, voor de duur van 45 minuten en in afwachting van de nadere informatie van de GI zoals opgenomen in rechtsoverweging 5.10 (een en ander dient uiterlijk 19 januari 2026 aan de rechtbank te worden toegestuurd);
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de GI, de vader en de moeder en haar advocaat;
6.7.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 13 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.