ECLI:NL:RBZWB:2026:1340

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443132 / JE RK 25-2265
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige na perspectiefbesluit

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds februari 2025 onder toezicht staat en bij pleegouders verblijft.

Tijdens de zitting op 5 februari 2026 waren de ouders, pleegouders en vertegenwoordigers van de GI aanwezig. De kinderrechter sprak met de minderjarige, die aangaf het moeilijk te vinden niet thuis te wonen. De ouders werken inmiddels beter samen, ondanks hun verstandelijke beperkingen, en erkennen het perspectiefbesluit dat de minderjarige bij de pleegouders blijft.

De kinderrechter constateert dat de situatie rustiger is geworden en dat de minderjarige profiteert van de zorg van de pleegouders. Er is echter nog behoefte aan verdere vormgeving van de betrokkenheid van de ouders en het contact met het kind. Daarom wordt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verlengd voor de duur van een jaar, met de GI als betrokken partij om de langere termijn te onderzoeken.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443132 / JE RK 25-2265
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg,
[de vader], hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[pleegouder 1] EN [pleegouder 2], hierna te noemen de pleegouders,
wonende te [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- de pleegouders;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was ter ondersteuning van de vader de zus en mentor van de vader, mevrouw [persoon] , aanwezig.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 12 februari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met
ingang van 12 februari 2025 en tot 12 februari 2026. Tevens is bij deze beschikking een
machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met
ingang van 12 februari 2025 en tot 12 augustus 2025.
2.3.
Bij beschikking van 6 augustus 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 12 februari 2026.
2.4.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij de pleegouders.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI constateert een grote verandering in de houding van de ouders. De ouders stonden eerst lijnrecht tegen over elkaar, maar staan nu naast elkaar en werken samen als er zaken voor [minderjarige] geregeld moeten worden. Het blijft echter voor hen een moeilijke situatie nu zij niet zelf meer voor [minderjarige] kunnen zorgen. De GI vindt dat ouders een groot compliment verdienen voor de stappen die zij hierin zetten. De GI heeft inmiddels het perspectiefbesluit genomen en vindt het in het belang van [minderjarige] dat hij bij pleegouders blijft wonen. De GI wil in de komende periode met alle betrokkenen gaan kijken wat nodig is voor de langere termijn met daarbij specifieke aandacht voor de betrokkenheid van de ouders en waarbij ook gekeken zal worden naar de wensen van beide ouders ten aanzien van hun contact met [minderjarige] . Er is meer tijd nodig om dit alles vorm te geven, goede structurele afspraken hierover te maken en om hierop bij te sturen. De GI verzoekt daarom de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
4.2.
De moeder ziet dat het goed gaat met [minderjarige] , zowel op school als bij pleegouders. De moeder blijft het moeilijk vinden dat [minderjarige] niet meer bij haar woont. Ze is tenslotte de moeder van [minderjarige] . De moeder vindt het fijn dat de communicatie met de vader is verbeterd. Zij werken samen en hebben contact met elkaar over wat het beste is voor [minderjarige] . De moeder kan zich erin vinden dat [minderjarige] bij de pleegouders blijft wonen, maar hoopt dat de GI wil kijken naar mogelijkheden om haar contact met [minderjarige] uit te breiden, het liefst met een overnachting. Ook zou zij graag willen dat ouders samen met [minderjarige] een dagje op stap kunnen, zoals zij dat voorheen ook deden. Volgens de moeder kennen beide ouders andere behoeften in het contact met [minderjarige] en de uiteindelijke regeling hoeft dus niet voor beide ouders hetzelfde te zijn. De moeder vraagt de GI om te kijken waar [minderjarige] behoefte aan heeft en om daarbij aan te sluiten. Namens de moeder wordt gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter.
4.3.
De vader merkt dat [minderjarige] het afgelopen jaar veel is veranderd, ook in zijn gedrag bij de vader thuis. Voor nu vindt de vader het nog te vroeg om zijn omgang met [minderjarige] uit te breiden. Hij wil daar het liefst nog even mee wachten, omdat [minderjarige] nog maar kort bij de pleegouders verblijft. [minderjarige] moet eerst de ruimte krijgen om te wennen aan die situatie en om tot rust te komen. De vader ervaart een fijne samenwerking met de pleegouders.
4.4.
De pleegouders vinden dat [minderjarige] sinds de komst in het pleeggezin positief is veranderd. Zijn gedrag is van alert en gespannen naar ontspannen gegaan. [minderjarige] accepteert de regels en grenzen in het pleeggezin en zoekt steun bij de pleegouders. Hij vindt het wel lastig om te praten over zijn gevoelens en gedachten, maar hier hebben zij een oplossing voor gevonden. [minderjarige] schrijft dit op in een schriftje, waardoor pleegouders kunnen lezen wat hem bezig houdt. [minderjarige] durft nu weer kind te zijn. De laatste tijd merken de pleegouders wel wat meer spanningen bij [minderjarige] . Het is voor hen niet duidelijk of dit komt door het perspectiefbesluit of dat dit te maken heeft met de uitbreiding van de omgang. De pleegouders ervaren een fijne samenwerking met beide ouders en de GI.
4.5.
[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat hij het moeilijk vindt om niet meer thuis te mogen wonen. Hij is hier echt verdrietig over en wil hier niet verder over praten. Als de kinderrechter [minderjarige] vraagt bij wie hij terecht kan als hij zich zorgen maakt, vindt [minderjarige] deze vraag lastig te beantwoorden. Hij weet dat niet zo goed bij wie hij terecht kan. Daarnaast heeft [minderjarige] de kinderrechter verteld over zijn grootste hobby en dat is voetbal, wat hij ook leuk vindt om te doen met papa en mama.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat sinds [minderjarige] bij de pleegouders verblijft, er meer rust is ontstaan in de situatie van ouders en [minderjarige] . [minderjarige] doet het goed op school en in het pleeggezin, ondanks dat hij verdriet ervaart over het besluit dat hij niet langer thuis kan wonen. Beide ouders hebben een verstandelijke beperking en vinden het moeilijk om aan te sluiten bij de belevingswereld en opvoedbehoeften van [minderjarige] . Daarbij lukt het hen onvoldoende om [minderjarige] kaders, grenzen en structuur te geven. Het perspectiefbesluit is door de GI genomen, wat betekent dat [minderjarige] in het pleeggezin verder zal opgroeien. De kinderrechter is het hiermee eens. Hoewel beide ouders dit besluit begrijpen, begrijpt de kinderrechter dat dit hen veel verdriet doet. De kinderrechter vindt dat de ouders dan ook een compliment verdienen. In de afgelopen periode hebben de ouders namelijk positieve stappen gezet. Daar de ouders eerder strijd voerden met elkaar, lukt het hen nu om samen op te trekken, met elkaar te overleggen en samen te werken met de pleegouders. Het is ook knap dat zij [minderjarige] laten merken dat het goed is dat hij bij pleegouders verblijft, ondanks hun eigen gevoelens en verdriet. [minderjarige] profiteert van de opvoeding die hem geboden wordt door de pleegouders en ervaart de toestemming van zijn ouders om bij hen te wonen. Dit alles moet echter nog verder vorm gegeven worden. In de komende periode dient de GI te gaan onderzoeken hoe het nu verder moet en welke stappen hierbij gezet moeten worden. De GI moet gaan kijken wat nodig is voor de langere termijn. Daarbij dient onderzocht te worden hoe de betrokkenheid van beide ouders bij [minderjarige] behouden kan blijven. Hier zijn goede afspraken voor nodig. De kinderrechter vindt het dan ook belangrijk dat de GI het komende jaar nog betrokken blijft. Ook vindt de kinderrechter het goed dat [minderjarige] bij pleegouders blijft wonen. Beide ouders, de GI en de pleegouders zijn het hier ook over eens. Daarbij zal nagedacht moeten worden over hoe het contact met beide ouders verder vorm gegeven moet worden, waarbij de wensen van zowel de vader als de moeder meegenomen worden zolang dit aansluit bij het belang van [minderjarige] . Het belangrijkste daarbij is namelijk dat het goed moet zijn voor [minderjarige] .
5.3.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter zal ook dit verzoek toewijzen voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 februari 2026 en tot 12 februari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 12 februari 2026 en tot 12 februari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 24 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.