Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat en een tolk;
- [persoon 1] , casemanager FACT;
- [persoon 2] , verpleegkundig specialist FACT.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene heeft een zorgmachtiging opgelegd gekregen op 23 september 2025, geldig tot 23 september 2026. Haar advocaat heeft namens haar een verzoek tot beëindiging van deze machtiging ingediend, dat door de geneesheer-directeur en vervolgens door de officier van justitie is afgewezen. De rechtbank heeft op 29 januari 2026 een zitting met gesloten deuren gehouden waarbij betrokkene, haar advocaat, een casemanager en een verpleegkundig specialist zijn gehoord.
Betrokkene stelt dat zij geen psychiatrische ziekte heeft, wilsbekwaam is en geen ernstig nadeel ondervindt van het niet gebruiken van medicatie. De casemanager en verpleegkundig specialist geven aan dat betrokkene wel psychotische symptomen vertoont en dat de medicatie effect heeft. De rechtbank concludeert dat de doelen van de verplichte zorg nog niet zijn bereikt en dat betrokkene nog steeds lijdt aan een psychische stoornis die leidt tot ernstig nadeel.
De rechtbank acht de verplichte zorg noodzakelijk en proportioneel, mede omdat betrokkene geen ziektebesef heeft en zonder medicatie een terugval te verwachten is. Daarom wordt het verzoek tot beëindiging van de zorgmachtiging afgewezen en blijft de machtiging van kracht tot de oorspronkelijke einddatum.
Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van de verplichte zorgmachtiging wordt afgewezen en de machtiging blijft van kracht tot 23 september 2026.