ECLI:NL:RBZWB:2026:1344

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444226 / FA RK 26-340
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:19 WvggzArt. 6:4 WvggzArt. 3:3 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging verplichte zorg op grond van Wvggz

Betrokkene heeft een zorgmachtiging opgelegd gekregen op 23 september 2025, geldig tot 23 september 2026. Haar advocaat heeft namens haar een verzoek tot beëindiging van deze machtiging ingediend, dat door de geneesheer-directeur en vervolgens door de officier van justitie is afgewezen. De rechtbank heeft op 29 januari 2026 een zitting met gesloten deuren gehouden waarbij betrokkene, haar advocaat, een casemanager en een verpleegkundig specialist zijn gehoord.

Betrokkene stelt dat zij geen psychiatrische ziekte heeft, wilsbekwaam is en geen ernstig nadeel ondervindt van het niet gebruiken van medicatie. De casemanager en verpleegkundig specialist geven aan dat betrokkene wel psychotische symptomen vertoont en dat de medicatie effect heeft. De rechtbank concludeert dat de doelen van de verplichte zorg nog niet zijn bereikt en dat betrokkene nog steeds lijdt aan een psychische stoornis die leidt tot ernstig nadeel.

De rechtbank acht de verplichte zorg noodzakelijk en proportioneel, mede omdat betrokkene geen ziektebesef heeft en zonder medicatie een terugval te verwachten is. Daarom wordt het verzoek tot beëindiging van de zorgmachtiging afgewezen en blijft de machtiging van kracht tot de oorspronkelijke einddatum.

Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van de verplichte zorgmachtiging wordt afgewezen en de machtiging blijft van kracht tot 23 september 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444226 / FA RK 26-340
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking beëindiging verplichte zorg (art. 8:19 Wvggz Pro)
op het door tussenkomst van de officier van justitie ingediende verzoek voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] , Polen,
hierna te noemen betrokkene,
zonder vaste woon- of verblijfplaats, met briefadres in [plaats] ,
advocaat mr. H.M.Th. de Pont uit Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 21 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat en een tolk;
  • [persoon 1] , casemanager FACT;
  • [persoon 2] , verpleegkundig specialist FACT.

2.Wat vaststaat

2.1.
Ten aanzien van betrokkene is op 23 september 2025 door deze rechtbank een zorgmachtiging afgegeven voor de in die beschikking genoemde vormen van verplichte zorg. Daarbij is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 23 september 2026.
2.2.
De advocaat van betrokkene heeft op 27 november 2025 een aanvraag tot beëindiging van de zorgmachtiging ingediend bij de geneesheer-directeur. Op 4 december 2025 heeft de geneesheer-directeur hier schriftelijk afwijzend op beslist.
2.3.
De advocaat van betrokkene heeft op grond van artikel 8:19 Wvggz Pro op 9 december 2025 de officier van justitie verzocht om een verzoek voor de beëindiging van de verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging bij de rechtbank in te dienen. De officier van justitie heeft vervolgens op 21 januari 2026 de rechtbank verzocht een beslissing te nemen op de aanvraag van betrokkene tot beëindiging van de zorgmachtiging.

3.Het verzoek

3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een beslissing te nemen op de aanvraag van betrokkene tot beëindiging van de verplichte zorg, zoals aan betrokkene is opgelegd in de zorgmachtiging van 23 september 2025.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene voelt zich gedupeerd door de wet. Zij is het niet eens met de zorgmachtiging die haar is opgelegd. In haar situatie is niet voldaan aan de criteria die gelden voor een zorgmachtiging. Betrokkene gebruikt geen alcohol of drugs, is niet agressief en vormt geen gevaar voor anderen. Volgens betrokkene is er ten opzichte van het moment dat de zorgmachtiging is afgegeven tot nu niets veranderd. Volgens haar heeft zij geen psychotische symptomen. Zij is het niet eens met de medewerkers van het FACT dat haar situatie is verbeterd, want deze is juist verslechterd. Haar depressie is juist verergerd.
4.2.
De casemanager zegt dat het beter gaat met betrokkene. Zij is goed ingesteld op haar depotmedicatie en de effecten daarvan worden steeds beter zichtbaar. De casemanager zegt dat betrokkene de medewerkers van het FACT eerder beschuldigde van misbruik. Het misbruik gebeurde volgens betrokkene zelfs tijdens de vorige zitting waar de rechtbank bij was. Betrokkene uit deze beschuldigingen nu niet meer. Zij zegt nu dat het misbruik jaren geleden heeft plaatsgevonden. Daaruit blijkt dat het toestandsbeeld van betrokkene verbetert. De casemanager zegt dat de bijwerkingen die betrokkene ervaart serieus worden genomen en dat er een gesprek gepland staat om te kijken naar een andere woning.
4.3.
De verpleegkundig specialist zegt dat hij zich kan voorstellen dat de somberheid van betrokkene wat toegenomen is. Hij zegt dat als bepaalde psychotische symptomen worden teruggedrongen als eerste stap van de behandeling, kan blijken dat de depressie het onderliggend probleem is en dat betrokkene zich daardoor niet direct vrolijker voelt. De verpleegkundig specialist zegt dat een kortere duur van de zorgmachtiging volgens hem niet zoveel zin heeft, vanwege de voorbereidingen voor een eventuele verlenging die dan nu al bijna moeten starten en veel tijd kosten.
4.4.
De advocaat voert vier punten aan die pleiten voor het beëindigen van de zorgmachtiging. Ten eerste is er volgens betrokkene geen sprake van een psychiatrische ziekte. Zij heeft wel last van depressiviteit. Betrokkene is ten tweede wilsbekwaam. Wanneer er nadelige gevolgen zitten aan het niet gebruiken van de medicatie, dan accepteert betrokkene dat risico. Betrokkene is van mening dat haar wilsbekwaamheid niet wordt beïnvloed door een psychiatrische ziekte. Ten derde is er volgens de advocaat geen ernstig nadeel. Betrokkene gebruikt geen alcohol of drugs, is een rustig persoon en vertoont geen agressie. Zij ziet juist voordelen van het niet gebruiken van medicatie. Door afname van gewicht vanwege het stoppen met de medicatie, zou betrokkene haar hobby als balletdanser weer op kunnen pakken. Ten vierde voert de advocaat aan dat wanneer de rechtbank de voortzetting van de zorgmachtiging noodzakelijk vindt, dat dit dan voor een kortere duur zou moeten zijn.
4.5.
De officier van justitie heeft in zijn verzoek aangegeven geen aanleiding te zien om de zorgmachtiging te beëindigen, omdat niet blijkt dat de gezondheidstoestand van betrokkene zodanig is verbeterd dat het ernstig nadeel is weggenomen dan wel welke voorwaarden of beperkingen aan een beëindiging van verplichte zorg moeten worden gesteld om het ernstig nadeel weg te nemen. De officier van justitie vindt dat de geneesheer-directeur op goede gronden heeft besloten tot afwijzing van de aanvraag tot beëindiging van het verlenen van verplichte zorg.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 8:19 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) kan degene op wiens aanvraag tot beëindiging van de zorgmachtiging afwijzend of niet tijdig is beslist door de geneesheer-directeur, een aanvraag indienen bij de officier van justitie voor het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank voor de beëindiging van de verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging.
5.2.
De rechtbank moet beoordelen of de verplichte zorg zoals benoemd in de beschikking van 23 september 2025, nog steeds noodzakelijk is. Ter beoordeling ligt voor of de gezondheidstoestand van betrokkene zodanig is verbeterd dat het ernstig nadeel is weggenomen, dan wel welke voorwaarden of beperkingen aan een beëindiging van de verplichte zorg moeten worden gesteld om het ernstig nadeel weg te nemen.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting dat de in de lopende machtiging genoemde doelen van de verplichte zorg nog niet zijn bereikt en dat er nog steeds wordt voldaan aan de gronden voor de zorgmachtiging zoals genoemd in artikel 6:4 Wvggz Pro jo artikel 3:3 Wvggz Pro. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.
5.4.
Ten opzichte van het moment dat de zorgmachtiging werd afgegeven, op 23 september 2025, en nu, zijn er in de situatie van betrokkene geen grote veranderingen opgetreden. Betrokkene geeft dit ook zelf aan. Volgens haar gaat het zelfs alleen maar slechter met haar. De medewerkers van het FACT-team geven aan dat het wel beter met betrokkene gaat, maar dat zij nog steeds psychotische belevingen heeft. Betrokkene is al langere tijd onder behandeling bij het FACT-team voor een psychotisch toestandsbeeld. Deze diagnose is door meerdere (onafhankelijke) artsen gesteld. De rechtbank ziet, anders dan betrokkene, geen reden om aan deze diagnose te twijfelen.
5.5.
Het is voor de rechtbank ook duidelijk dat deze psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. Zonder het gebruik van medicatie zullen de psychotische belevingen toenemen en dat heeft eerder geleid tot ernstige zelfverwaarlozing en agressie. Betrokkene heeft daardoor onder meer haar huisvesting verloren.
5.6.
Verder stelt de rechtbank vast dat betrokkene niet in het vrijwillig kader de zorg accepteert die zij nodig heeft. Zo accepteert betrokkene de depotmedicatie alleen omdat er een zorgmachtiging is. Er is bij betrokkene geen sprake van ziektebesef of -inzicht. Betrokkene vindt dat ze geen zorgmachtiging had moeten krijgen, omdat niet aan de vereiste criteria wordt voldaan. De verwachting is dan ook dat betrokkene hulpverlening in een vrijwillig kader niet zal accepteren.
5.7.
De rechtbank volgt betrokkene niet in haar stelling dat zij wilsbekwaam is om te kiezen voor de voordelen van het niet gebruiken van de medicatie. De onafhankelijke psychiater heeft in de medische verklaring immers aangegeven dat betrokkene wilsonbekwaam is ten aanzien van het gebruiken van de medicatie.
5.8.
De rechtbank stelt tot slot vast dat de verplichte zorg noodzakelijk is. Er is nog steeds sprake van een psychische stoornis en wanen. Een terugval is voorzienbaar zonder behandeling, waardoor het ernstig nadeel weer kan toenemen. Een behandeling met (depot)medicatie is noodzakelijk. Gelet op het voorgaande zijn de in de lopende machtiging genoemde doelen van verplichte zorg nog niet bereikt. De genoemde zorg is nog steeds noodzakelijk en proportioneel.
5.9.
Omdat er nog steeds wordt voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz, is er geen aanleiding om de eerder verleende zorgmachtiging te beëindigen. De rechtbank zal hiertoe dan ook niet overgaan, hetgeen betekent dat de zorgmachtiging van kracht blijft voor de verleende duur, te weten tot en met 23 september 2026.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst af het verzoek van betrokkene tot beëindiging van de zorgmachtiging zoals verleend bij de beschikking van deze rechtbank van 23 september 2025.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Ginneken, griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.