Eiser stelde het UWV in gebreke omdat het niet tijdig had beslist op zijn bezwaar tegen het besluit van 22 januari 2025 over de mate van arbeidsongeschiktheid volgens de Wet WIA. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is vanwege de overschrijding van de beslistermijn, nadat eiser het UWV op 21 augustus 2025 in gebreke had gesteld.
Het UWV gaf aan dat het tekort aan verzekeringsartsen de vertraging veroorzaakte en dat onduidelijk is wanneer een besluit kan worden genomen, maar dat de zaak met voorrang wordt behandeld. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om alsnog te beslissen, gezien het belang van zorgvuldige besluitvorming en het belang van eiser om binnen afzienbare tijd duidelijkheid te krijgen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden. Omdat het UWV de dwangsom niet zelf had vastgesteld, stelt de rechtbank deze vast op €1.442, het maximale bedrag voor de verstreken periode. Tevens moet het UWV het griffierecht en proceskosten van €467 aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 15 januari 2026.