In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen het UWV beoordeeld. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid op 69,65% volgens de Wet WIA, en stelt dat het UWV niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, omdat het UWV de beslistermijn heeft overschreden. Eiser heeft het UWV op 21 augustus 2025 in gebreke gesteld, waarna de termijn van twee weken is verstreken zonder dat er een nieuw besluit is genomen. De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen twee weken na deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen, maar geeft het UWV vier maanden de tijd om dit te doen, gezien de omstandigheden en het belang van zorgvuldige besluitvorming.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank stelt ook de bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-, omdat er meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling. Eiser krijgt ook een vergoeding van € 467,- voor proceskosten, en het UWV moet het griffierecht van € 53,- aan eiser vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.