Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1365

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/02/425803 / FA RK 24-3860
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:253c BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag en voorlopige hoofdverblijf en zorgregeling voor minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind toe te wijzen, het hoofdverblijf bij hem te bepalen en een zorgregeling vast te stellen. De moeder verzette zich tegen het gezamenlijk gezag en wilde het hoofdverblijf bij haar behouden met een aangepaste zorgregeling.

De rechtbank overwoog dat het wettelijke uitgangspunt gezamenlijk gezag is, tenzij er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. Uit de stukken en zitting bleek dat het kind veel last heeft van de strijd tussen de ouders, mede veroorzaakt door de ongelijkwaardige positie waarin zij verkeren. De rechtbank vond dat gezamenlijk gezag de ouders in een gelijkwaardige positie brengt en het belang van het kind dient.

Ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling besloot de rechtbank de definitieve beslissing aan te houden in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling en hulpverlening. De voorlopige zorgregeling, waarbij het kind drie weekenden per vier weken bij de vader verblijft, werd gehandhaafd. De rechtbank wees het verzoek tot oplegging van een dwangsom af.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de partijen worden verzocht de rechtbank te informeren over het verdere verloop van de procedure en hulpverlening.

Uitkomst: Gezamenlijk gezag toegewezen, voorlopig hoofdverblijf bij moeder vastgesteld en voorlopige zorgregeling gehandhaafd, definitieve beslissing aangehouden.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/425803 / FA RK 24-3860
Datum uitspraak: 2 maart 2026
Beschikking betreffende gezag, hoofdverblijf en omgang
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1] , gemeente Goes,
advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: voorheen: mr. R.A.C.M. Jansen te Rotterdam en mr. C.E. van der Starre te Oostvoorne, beiden onttrokken, thans: mr. T. Abbo te Rotterdam,
betreffende de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, hierna te noemen: [minderjarige] .
Als informant is in de procedure betrokken:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 21 augustus 2024 ontvangen verzoekschrift strekkende tot gezamenlijk gezag, hoofdverblijf en vaststelling omgangs/zorgregeling, met bijlagen;
- het op 23 september 2024 ontvangen F9-formulier van mr. Jansen, met bijlagen;
- de op 1 april 2025 ontvangen raadsrapportage van 27 maart 2025;
- het op 28 april 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Van der Starre, met bijlagen;
- het op 29 april 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Tiggelaar, met bijlage;
- het op 23 januari 2026 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken;
- het op 28 januari 2026 ontvangen gewijzigde verzoek, met bijlagen.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op de zitting van 4 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3
Voorafgaand aan voornoemde zitting is de [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. [minderjarige] heeft daar gebruik van gemaakt door een brief te schrijven aan de kinderrechter en middels een gesprek met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven en verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende, thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014.
2.2
De minderjarige verblijft bij de vrouw.
2.3
De man heeft de minderjarige erkend. De vrouw oefent van rechtswege het
eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige uit.
2.4
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 15 oktober 2024 is bepaald dat bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, de man en [minderjarige] in het kader van de omgangsregeling gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende drie aaneengesloten weekenden per vier weekenden, van vrijdag na school tot maandag naar school, alsmede gedurende de helft van de reguliere schoolvakanties en feestdagen – met uitzondering van de herfstvakantie 2024 –, waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt.
2.5
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, van 19 mei 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 19 mei 2025 en tot 19 mei 2026.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, na wijziging, bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
Te bepalen dat voortaan aan de man en vrouw gezamenlijk het gezag zal toekomen over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] ;
primair te bepalen dat voornoemde minderjarige met ingang van een door de
rechtbank te bepalen datum (zijnde voor aanvang van het schooljaar 2026/2027)
zijn hoofdverblijf heeft bij de man met bevel tot afgifte van voornoemde
minderjarige aan de man;
althans subsidiair de vrouw te gelasten met voornoemde minderjarige terug te
verhuizen naar de gemeente Goes, waarbij heeft te gelden dat de vrouw met
voornoemde minderjarige uiterlijk eind juli 2026 feitelijk woonplaats heeft in de
gemeente Goes;
alsmede zowel primair en subsidiair, zulks op straffe van verbeurte van een door
de vrouw aan de man te betalen dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de
vrouw de door de rechtbank te wijzen beschikking in deze niet nakomt, met een
maximum van € 40.000, -;
3. primair, in geval beide partijen woonachtig zijn binnen de gemeente Goes, te
bepalen dat voornoemde minderjarige en de man gerechtigd zijn tot het hebben van
omgang/contact met elkaar gedurende een aaneengesloten week (7 dagen/7
nachten) per twee weken telkens vanaf vrijdag van 14:00 uur tot de daaropvolgende
vrijdag 14:00 uur alsmede gedurende de helft van de erkende feestdagen en de
reguliere schoolvakanties, in onderling overleg te verdelen, en waarbij het halen
en brengen gelijk wordt verdeeld;
althans subsidiair, in geval het hoofdverblijf van voornoemde minderjarige wordt
bepaald bij de vrouw, te bepalen dat tussen de man en voornoemde minderjarige
een zorg- en contactregeling althans omgangsregeling zal gelden, inhoudende dat
voornoemde minderjarige gedurende drie aaneengesloten weekenden per vier
weekenden van vrijdag na school tot maandag naar school alsmede gedurende de helft van de reguliere schoolvakanties en erkende feestdagen bij de man verblijft
zulks in onderling overleg te verdelen, waarbij het halen en brengen in het kader
van deze regeling wordt verdeeld;
4. een dwangsom te verbinden aan de door de rechtbank vast te stellen zorg- en
contactregeling althans omgangsregeling van een door de vrouw aan de man te
betalen dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de vrouw de door de rechtbank
vast te stellen regeling niet nakomt, met een maximum van € 40.000, -;
5. althans een of meerdere zodanige voorzieningen te treffen als de rechtbank met
inachtneming van hetgeen door en namens de man is aangevoerd en/of verzocht en
in het belang van voornoemde minderjarige als juist/wenselijk voorkomt.
3.2
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn en een zorgregeling vast te stellen waarbij de man eens in de veertien dagen van vrijdag na school tot zondagavond na het avondeten alsmede eens in de veertien dagen op de woensdagmiddag na school tot na het avondeten omgang zal hebben met [minderjarige] waarbij [minderjarige] op de woensdag om 19:30 weer in [woonplaats 2] is alsmede gedurende de helft van de reguliere schoolvakanties en de feestdagen.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
Ten aanzien van het gezag
Het juridisch kader
4.1.1
Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
4.1.2
De man stelt ter onderbouwing van zijn verzoek dat er geen reden is om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt dat ouders gezamenlijk met het gezag over hun kind belast zijn en blijven. De man heeft sinds de geboorte van [minderjarige] zijn verantwoordelijkheid genomen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . In de huidige situatie neemt de vrouw alle beslissingen over [minderjarige] , zonder overleg met de man. Dit acht de man niet in het belang van [minderjarige] . Het is ook niet zo dat partijen er niet in zullen slagen om samen de beslissingen over [minderjarige] te nemen, aldus de man. Bovendien is de GI nu bij partijen en [minderjarige] betrokken en kan de GI partijen indien nodig wat bijsturen. Verder is er volgens de man een tendens zichtbaar in de jurisprudentie, waarbij het gezamenlijk gezag in het geval er sprake is van een slechte oudercommunicatie juist wordt toegewezen om ervoor te zorgen dat het recht op family life wordt gewaarborgd. Een andere belangrijke factor is dat het gezamenlijk gezag ervoor zal zorgen dat partijen in een gelijkwaardige positie komen te staan ten opzichte van elkaar, de GI, de hulpverlening en de school van [minderjarige] . Tot slot betwist de vader de incidenten die de vrouw benoemt en dat de vrouw uit angst voor de man is gevlucht.
4.1.3
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man om partijen met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te belasten. Volgens de vrouw is de man tijdens de relatie van partijen heel weinig betrokken geweest bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] , omdat hij voornamelijk aan het werk was. De verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] heeft dus altijd grotendeels bij de vrouw gelegen, en dit moet zo blijven, juist ook vanwege de moeizame communicatie van partijen. De afgelopen jaren is namelijk gebleken dat partijen niet in staat zijn om met elkaar in overleg te treden over [minderjarige] , waardoor hij nu klem zit tussen zijn ouders en zelfs al verloren is geraakt tussen hen. Daarbij komt dat de vrouw erg angstig is geworden en is gevlucht voor de man vanwege diverse, nare incidenten, waaronder brandschtichting. Als partijen met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] worden belast, zal de man dergelijk gedrag ook in de uitvoering van het gezag laten zien. Tot slot heeft de man op dit moment een uitgebreide contactregeling met [minderjarige] . Daar heeft hij geen gezag voor nodig.
4.1.4
Namens de Raad wordt geadviseerd om het wettelijke uitgangspunt ten aanzien van het gezag op te volgen en de man mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten. De ouders komen dan in een meer gelijkwaardige positie tot elkaar te staan, waardoor zij genoodzaakt zijn om te leren om er samen uit te gaan komen. [minderjarige] heeft daar grote behoefte aan en heeft dit hard nodig om zo onbezorgd mogelijk op te kunnen groeien. De ouders moeten dus aan de slag; zij zullen moeten gaan samenwerken met de GI en zich moeten gaan inzetten voor de benodigde hulpverlening. Dit zijn zij naar [minderjarige] toe verplicht.
4.1.5
Namens de GI wordt naar voren gebracht dat de vaste jeugdbeschermer pas sinds twee weken bij partijen en [minderjarige] betrokken is, waardoor zij nu geen uitspraak kan doen over het gezag. Verder wordt benoemd dat het positief is dat beide ouders open staan voor een parallel solo ouderschap-traject. Daar is al een hulpverlener voor gevonden.
De inhoudelijke onderbouwing
4.1.6
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kind. Slechts indien er sprake is van (één van) de in het tweede lid van artikel 1:253c BW bepaalde afwijzingsgronden wordt het verzoek afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat van deze gronden geen sprake is. Uit de overgelegde stukken, het gesprek met [minderjarige] en de zitting is het de rechtbank gebleken dat [minderjarige] ontzettend veel last heeft van de aanhoudende, forse strijd van zijn ouders. Deze strijd wordt naar het oordeel van de rechtbank mede in stand gehouden door de ongelijkwaardige positie van de ouders. De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en lijkt de beslissingen over hem zonder overleg met de man te nemen, hetgeen steeds weer tot (meer) wrijving en spanningen tussen partijen leidt. [minderjarige] wordt daar mee belast en lijdt daar ernstig onder. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat deze situatie erg schadelijk is voor [minderjarige] en niet langer kan voortduren.
4.1.7
Tijdens de zitting hebben beide partijen aangegeven dat zij ondanks hun verstoorde communicatie en verstandhouding, vertrouwen hebben in elkaars ouderschap. Zij zijn beiden bereid om via parallel solo ouderschap met elkaar in overleg te treden om goede afspraken te maken over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en willen dat [minderjarige] zich vrij gaat voelen om tussen hen in te blijven bewegen. In navolging van de Raad acht de rechtbank daarvoor van belang dat de ouders met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] worden belast. De ouders komen dan in een gelijkwaardige positie tot elkaar te staan, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank nodig is om het parellel solo ouderschap-traject te laten slagen. Het gezamenlijk gezag zal er bovendien toe leiden dat de GI beter in staat is om beide ouders te begeleiden en indien nodig aan te sturen. Tot slot zal [minderjarige] door de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten, gaan ervaren dat zijn ouders beiden op een gelijkwaardige manier betrokken zijn bij zijn opvoeding en gezamenlijk beslissingen over hem nemen. Dit acht de rechtbank in het belang van [minderjarige] , die daar ook grote behoefte aan lijkt te hebben.
4.1.8
In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat door en namens de vrouw onvoldoende is onderbouwd dat [minderjarige] in het geval de ouders met het gezamenlijk gezag over hem worden belast, klem of verloren zal raken tussen zijn ouders. Het enkele feit dat de communicatie tussen partijen niet goed verloopt, is niet voldoende om aan te nemen dat [minderjarige] klem en verloren raakt. Daarbij heeft de rechtbank de verwachting dat er binnen afzienbare tijd verbetering in deze situatie zal komen door de inzet van het parallel solo ouderschap-traject.
4.1.9
Verder is het de rechtbank niet gebleken dat afwijzing van het gezamenlijk gezag op andere gronden in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De man wil graag meer betrokkenheid bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] en een volwaardige ouderrol vervullen. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de man gezagsbeslissingen zal gaan frustreren of tegenwerken. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden afgeleid uit de stellingen van de vrouw dat er diverse incidenten zijn voorgevallen door toedoen van de man. Deze stellingen missen bovendien onderbouwing voor wat betreft de betrokkenheid hierbij of schuld hieraan van de man.
4.1.10
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen, in die zin dat hij mede wordt belast met het gezag over [minderjarige] .
4.2
Ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling
Het juridisch kader
4.2.1
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van het tweede lid van dat artikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijf heeft. Deze regeling kan ook omvatten een toedeling aan de ouders van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling). De rechtbank neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De standpunten
4.2.2
De man benoemt tijdens de zitting dat hij het liefst wil dat [minderjarige] terug verhuist naar Goes, zodat de zorg voor [minderjarige] evenredig tussen de ouders kan worden verdeeld en de man op een frequente en actieve manier betrokken kan zijn in het leven van [minderjarige] . Hij begrijpt echter dat dit niet van de ene op de andere dag kan worden gerealiseerd. Daarom dient de komende tijd door de GI en eventueel door de Raad middels een aanvullend raadsonderzoek te worden onderzocht wat de beste plek is voor [minderjarige] om verder op te groeien en vanuit welke plek hij het beste contact kan onderhouden met zijn beide ouders. In afwachting daarvan dienen de definitieve verzoeken ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling te worden aangehouden. De huidige, voorlopige zorgregeling op basis waarvan [minderjarige] en de man contact met elkaar hebben gedurende drie aaneengesloten weekendes per vier weekenden van vrijdag na school tot maandag naar school, alsmende gedurende de helft van de reguliere vakanties en feestdagen, dient de komende tijd te worden voortgezet. Ondanks dat er herhaaldelijk gedoe is geweest tussen partijen over activiteiten van [minderjarige] in de omgeving van de vrouw in het weekend van de man, verloopt deze regeling volgens de man erg goed. [minderjarige] lijkt het fijn te vinden bij de man en hij heeft het altijd goed naar zijn zin in de omgeving van de man, die hem nog steeds vertrouwd is en waar hij ook nog steeds zijn sociale leven heeft. Er is nu bovendien sprake van een natuurlijke overgang waarbij de man het weekend samen met [minderjarige] kan afsluiten en hem op maandagochtend naar school toe brengt. Dit moet niet worden aangepast. De school beklaagt zich er ook niet over dat [minderjarige] moe zou zijn.
4.2.3
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling en verzoekt deze verzoeken af te wijzen en niet aan te houden. De vrouw is van mening dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw moet worden bepaald, nu [minderjarige] altijd grotendeels door de vrouw is verzorgd en opgevoed en zijn sociale leven bij de vrouw heeft opgebouwd. Ook bij de vrouw heeft [minderjarige] het erg fijn en goed naar zijn zin. Verder benoemt de vrouw dat de huidige, voorlopige zorgregeling zeer moeizaam verloopt. Zo gebeurt het regelmatig dat [minderjarige] sociale activiteiten met schoolvrienden mist, omdat deze in de weekenden van de man vallen. Dit acht de vrouw niet in het belang van [minderjarige] . Ook kan de vrouw nu weinig actviteiten met [minderjarige] ondernemen in de weekenden. Daarom dient er een zorgregeling te worden vastgesteld op basis waarvan [minderjarige] eens per twee weken een weekend bij zijn vader doorbrengt, van vrijdag uit school tot zondagavond na het eten. Zo wordt [minderjarige] bovendien meer rust geboden. De huidige, voorlopige zorgregeling valt [minderjarige] zwaar en hij is vaak moe op maandag. De vrouw wil de man eventueel compenseren door hem doordeweeks contact te laten hebben met [minderjarige] . Het opleggen van een dwangsom acht de vrouw tot slot een brug te ver. Er moet eerst worden bezien of de zorgregeling wordt uitgevoerd, en zo niet, dan staat de weg van een kort geding procedure open.
4.2.4
Namens de Raad wordt geadviseerd om de beslissingen ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling aan te houden voor de duur van twaalf maanden, in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling en de resultaten van de in te zetten hulpverlening. In de tussentijd dient de huidige, voorlopige zorgregeling te worden voortgezet.
4.2.5
Namens de GI wordt ook ten aanzien van de verzoeken betreffende het hoofdverblijf en de zorgregeling naar voren gebracht dat zij vanwege hun korte betrokkenheid geen standpunt kunnen innemen. Wel acht de jeugdbeschermer het voor [minderjarige] en ook voor de ouders van belang dat het perspectief van [minderjarige] wordt bepaald, zodat hier duidelijkheid over ontstaat.
De inhoudelijke onderbouwing
4.2.6
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat de uitkomsten en het verloop van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling eerst dienen te worden afgewacht voor dat kan worden beslist op de verzoeken van partijen ten aanzien van de definitieve hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de zorgregeling. Daarom zal de rechtbank de beslissing op deze verzoeken aanhouden voor de duur van acht maanden, in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling. De rechtbank verzoekt (de advocaten van) partijen om voor na te noemen pro forma datum de rechtbank hierover te informeren, alsmede over de wijze waarop zij de procedure wensen voort te zetten.
4.2.7
Voor de komende periode zal de rechtbank – overeenkomstig het advies van de Raad – bepalen dat de huidige, voorlopige zorgregeling, zoals die is bepaald bij beschikking van 15 oktober 2024, wordt voortgezet, nu de rechtbank, anders dan de vrouw, niet is gebleken dat deze zorgregeling niet in het belang van [minderjarige] dient te worden geacht. De rechtbank is daarnaast met de Raad van oordeel dat een wijziging in de zorgregeling niet zal leiden tot een verbetering van de situatie van [minderjarige] ; daarvoor zullen de ouders aan de slag moeten met de GI en de hulpverlening. Daarom zal de rechtbank een
voorlopigezorgregeling vaststellen tussen [minderjarige] en de man, waarbij [minderjarige] per vier weekenden drie weekenden van vrijdag na school tot maandag naar school bij de man verblijft, alsmede gedurende de helft van de reguliere schoolvakanties en feestdagen, waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt. Ook zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige]
voorlopigbij de vrouw bepalen, zodat de huidige situatie de komende tijd in stand wordt gehouden en hierover enige duidelijkheid ontstaat bij partijen en [minderjarige] .
4.2.8
De rechtbank gaat er tot slot van uit dat partijen begrijpen dat zij gehouden zijn om uitvoering te blijven geven aan de voorlopige zorgregeling. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat partijen dit zullen blijven doen. Gelet daarop ziet de rechtbank nu geen aanleiding om aan de nakoming hiervan een dwangsom te verbinden. Het verzoek van de man daartoe zal daarom worden afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.3
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van de [minderjarige] is dat deze beslissing direct in werking zal treden, ongeacht een eventueel hoger beroep tegen deze beschikking.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
bepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014;
5.2
stelt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014;
voorlopigvast bij de vrouw;
5.3
bepaalt als
voorlopigezorgregeling dat de man en [minderjarige] contact hebben met elkaar gedurende drie aaneengesloten weekenden per vier weekenden, van vrijdag na school tot maandag naar school, alsmede gedurende de helft van de reguliere schoolvakanties en
Feestdagen, waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt;
5.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
houdt iedere verdere beslissing in deze zaak voor wat betreft de definitieve hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de zorgregeling aan tot
10 november 2026 PRO FORMA, in afwachting van het verloop van de in te zetten hulpverlening, de nadere berichtgeving van partijen en het door hen gewenste procesverloop;
5.6
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.