Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) op zijn handhavingsverzoek van 4 februari 2025. De rechtbank stelt vast dat het beroep rechtsgeldig is ingesteld nadat de beslistermijn was verstreken.
Na het instellen van het beroep heeft de AP alsnog op 7 oktober 2025 een besluit genomen. De rechtbank concludeert dat eiser hierdoor geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig beslissen en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De rechtbank heeft eiser verzocht te reageren op het besluit van de AP, maar hij heeft niet gereageerd. Daarom wordt het beroep tegen het besluit doorverwezen naar de AP als bezwaar. De rechtbank stelt de bestuurlijke dwangsom niet vast omdat de AP dit al op 16 september 2025 heeft gedaan.
Ten slotte bepaalt de rechtbank dat de AP het griffierecht van €194 aan eiser moet vergoeden, aangezien het beroep niet ten onrechte is ingesteld. Er worden geen proceskosten toegekend.