ECLI:NL:RBZWB:2026:1375

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443889 / FA RK 26-173
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Dun
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 lid 1 onder b Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening zorgmachtiging voor verplichte psychiatrische zorg en opname in GGZ-accommodatie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene, die lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene ontkent ziek te zijn en weigert medicatie, maar vertoont ernstig nadeel door verwaarlozing, agressie en maatschappelijke teloorgang.

Tijdens de zitting, die zonder betrokkene plaatsvond, werden de advocaat, behandelaar, verzorgende IG en curator gehoord. De behandelaar gaf aan dat betrokkene sinds een eerdere zorgmachtiging medicatie gebruikt en enigszins verbetert, maar nog steeds passief is en zijn hygiëne ondermaats blijft. Verplichte zorg is noodzakelijk om ernstig nadeel af te wenden.

De rechtbank oordeelde dat verplichte zorgvormen zoals medicatietoediening, beperkingen in de vrijheid van het eigen leven, bewegingsbeperking en opname in een GGZ-appartement passend en noodzakelijk zijn. De zorgmachtiging wordt verleend voor twaalf maanden, met het oog op de veiligheid en stabilisatie van betrokkene.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor verplichte zorg en opname in een GGZ-appartement voor twaalf maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443889 / FA RK 26-173
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonende in [plaats 1] , [accommodatie] , [afdeling] ,
[adres] ,
advocaat mr. V.C. Andeweg te Breda.
De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbende aan:
[bewindvoering] B.V.te [plaats 2] in de persoon van de heer [de curator] , curator van betrokkene.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 13 januari 2026.
1.2.
De zitting in deze zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 23 januari 2026.
1.3.
Bij aanvang van die zitting heeft de behandelaar van betrokkene aanstonds aangegeven dat betrokkene haar heeft gezegd de mondelinge behandeling niet te willen bijwonen. Daarop is de rechter éérst met de griffier, de advocaat en de verzorgende IG van betrokkene naar het op het GGZ/terrein gelegen appartement van betrokkene gegaan. Aldaar is kort met betrokkene gesproken en heeft betrokkene de rechter desgevraagd bevestigd dat hij inderdaad niet bij de mondelinge behandeling wilde zijn.
1.4.
Vervolgens heeft de rechtbank in een ruimte in het hoofdgebouw van de accommodatie aan de [adres] , de mondelinge behandeling van het verzoekschrift buiten aanwezigheid van betrokkene voortgezet en zijn gehoord:
  • de advocaat van betrokkene;
  • mevrouw [persoon 1] , behandelaar;
  • mevrouw [persoon 2] , verzorgende IG;
  • de curator.
1.5.
De officier is zoals reeds werd aangegeven in het verzoek niet op de mondelinge behandeling verschenen en is dus ook niet gehoord.

2.Wat vaststaat

De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend tot en met 19 februari 2026.

3.Het verzoek

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden voor de navolgende zorgvormen:
- het toedienen van vocht en voeding;
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene verleent zijn advocaat, de behandelend rechter, de verzorgende IG en de griffier probleemloos toegang tot zijn appartement. Aldaar geeft betrokkene op de vraag van de rechter of hij de mondelinge behandeling wil bijwonen duidelijk aan dat hij dat niet wil. Voorts geeft hij aan dat hij het liefst naar Indonesië zou willen, om daar met behoud van zijn WAO uitkering te kunnen wonen, maar er zijn regels waardoor dat op dit moment niet mogelijk is. Zolang dat zo is zegt betrokkene in zijn huidige appartement te willen blijven wonen. Tenslotte zegt hij nog dat hij niet ziek is en daarom geen medicatie en ook geen zorgmachtiging wil.
4.2.
De behandelaar van betrokkene brengt naar voren dat betrokkene in een appartement woont op het terrein van de GGZ zorgaccommodatie, die is toegerust op het bieden van 24 uurs zorg en ook beschikt over een gesloten gedeelte. Betrokkene heeft in het voorjaar van 2025 een terugval laten zien, waarbij sprake was van verwaarlozing van zichzelf en zijn appartement, hij zijn behoeften deed op het balkon en veelvuldig schreeuwde naar medewerkers en buren/medecliënten. Betrokkene liet ook zijn (ambulante) zorgverleners niet langer toe in zijn appartement, met rommel, stankoverlast en een vliegenplaag tot gevolg. Tevens werd vastgesteld dat betrokkene vaker middelen (cannabis) ging gebruiken. Er is vervolgens een zorgmachtiging verleend. Sindsdien neemt betrokkene weer medicatie (antipsychotica) waarop hij geleidelijk aan beter wordt in het contact en bij hem de dreiging, agressie en achterdocht is afgenomen. Ook laat hij ambulante zorg toe, die deels is bedoeld om zijn woning schoon te maken. Dat is ook nodig omdat zijn zelfzorg en de hygiëne in zijn appartement nog steeds ondermaats is. Daarnaast is er sprake van passiviteit. Zo ligt betrokkene vaker in bed, onderhoudt hij niet/nauwelijks sociale contacten en doet hij nog steeds zijn behoeften op het balkon. Betrokkene werkt momenteel wel mee aan toediening van zijn medicatie, maar geeft daarbij wel aan dat hij die niet nodig heeft. Zoals het er nu naar uit ziet verwacht de behandelaar dat betrokkene, in elk geval zo lang een emigratie naar Indonesië niet tot de mogelijkheid behoort, blijft meewerken aan zorg en ook zijn huidige woonplek niet zal (willen) opgeven, maar volgens haar is het zeker niet uitgesloten dat dat verandert, zodra betrokkene medicatie incidenteel weigert of geheel staakt, betrokkene zich aan ambulante zorg onttrekt, of zijn appartement metterwoon zou verlaten. Daarom acht zij verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie, het beperken van de bewegingsvrijheid, het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, daaronder te verstaan dat betrokkene periodiek contact moet blijven houden met zijn ambulant behandelteam en opname in een accommodatie nog steeds nodig.
4.3.
De mentor sluit zich aan bij dat wat door de behandelaar naar voren is gebracht. Aanvullend merkt hij op dat op dit moment nog steeds actief de mogelijkheden worden onderzocht om betrokkene naar Indonesië, zijn thuisland, te laten terugkeren.
4.4.
De advocaat van betrokkene voert aan dat haar cliënt duidelijk is in zijn standpunt. Hij vindt dat hij niet ziek is en hij wil geen medicatie en zorgmachtiging. Namens betrokkene stelt zij zich daarom primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen.
Voor het geval de rechtbank anders mocht beslissen verzoekt zij subsidiair om de verplichte zorgvormen te beperken tot het toedienen van medicatie en het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, daaronder te verstaan dat betrokkene periodiek contact moet blijven houden met zijn ambulant behandelteam, onder afwijzing van het overige. Voor zover de rechtbank van oordeel mocht zijn dat (ook) het beperken van de bewegingsvrijheid en het opnemen in een accommodatie als verplichte zorgvormen noodzakelijk zijn dient toepassing van deze zorgvormen beperkt te blijven tot specifiek het (kunnen) blijven wonen van betrokkene in het appartement op het terrein van de GGZ accommodatie. Daarbij betrekt zij dat van een (klinische) opname op dit moment feitelijk geen sprake is, nu haar cliënt in een appartement op het terrein van de GGZ accommodatie woont, waar hij zelf de sleutel van in zijn bezit heeft en hij bovendien in de gelegenheid is om zich buiten de instelling te begeven c.q. te reizen.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank verleent de gevraagde zorgmachtiging. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Uit de overgelegde stukken, waaronder de medische verklaring en de mondelinge behandeling ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, middel gerelateerde en verslavingsstoornissen en andere problemen die een reden voor zorg kunnen zijn. De enkele omstandigheid dat betrokkene ontkent dat hij een psychische stoornis heeft, is voor de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen in de medische over verklaring wordt gesteld en geconcludeerd.
5.3.
Ook is uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling gebleken dat het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
  • levensgevaar;
  • ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat betrokkene langdurig in zorg is bij de GGZ wegens periodes, waarin er bij hem sprake is van psychotische decompensaties. Gebleken is dat, zodra betrokkene decompenseert, er gevaar ontstaat voor verwaarlozing van zichzelf en zijn woonomgeving met als mogelijke consequentie maatschappelijke teloorgang, het verlies van zijn woning op het zorgcomplex van de GGZ, verlies van contacten met zijn familie en bovendien ook reëel gevaar voor de psychische gezondheid van betrokkene en omwonenden, alsook het risico op het toebrengen van fysiek letsel door betrokkene aan anderen en het afroepen van agressie over zichzelf van anderen.
5.4.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene op de vraag wat hij van de gevraagde machtiging vindt, duidelijk heeft aangegeven dat hij niet ziek is en dat hij liever ook geen medicatie meer wil gebruiken. Bovendien gaf hij ook duidelijk aan dat hij in een appartement op het GGZ complex woont, maar dat hij zodra zich daartoe de mogelijkheid voordoet, het liefst zou willen emigreren naar Indonesië, waar veel van zijn familie woont. Uit een en ander blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat kennelijk vooral de feitelijke situatie voor betrokkene aanleiding is om mee te werken aan de voor hem noodzakelijk geachte zorg, maar dat hij niet, althans onvoldoende intrinsiek gemotiveerd is om voor hem noodzakelijk geachte zorg ter afwending van het hiervóór beschreven ernstig nadeel, vrijwillig te accepteren en daaraan consequent mee te (blijven) werken. Daarom is verplichte zorg nodig.
5.5.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
  • het verrichten van medische controles;
  • het beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot
gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, daaronder te verstaan:
a. dat betrokkene periodiek contact moet blijven houden met zijn ambulant behandelteam, waarbij de frequentie van dat contact en de wijze waarop dat plaatsvindt door zijn ambulant behandelteam op geleide van het toestandsbeeld zal worden bepaald;
b. dat betrokkene er volledig aan moet meewerken dat zijn appartement
periodiek door zijn ambulant behandelteam en of derden in opdracht van dat team zal worden schoongehouden;
- opnemen in een accommodatie.
Ten aanzien van de laatstgenoemde zorgvorm en de daarmee samenhangende zorgvorm ‘beperken van de bewegingsvrijheid’ neemt de rechtbank nog in aanmerking dat op grond van de stukken en de toelichting ter zitting naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam is komen vast te staan dat een niet onbelangrijk aspect van de zorg aan betrokkene is, dat betrokkene werd c.q. is gehuisvest en gehuisvest blijft in zijn op het GGZ terrein aan de [adres] te [plaats 1] gelegen appartement. Daardoor heeft/houdt het behandelteam immers een korte lijn naar c.q. zicht op betrokkene, waardoor het behandel-team, indien en voor zover het toestandsbeeld van betrokkene daartoe aanleiding zou geven ook vrijwel onmiddellijk zal kunnen ingrijpen. Daarbij is niet zonder belang dat er binnen de GGZ accommodatie te [plaats 1] zo nodig ook de mogelijkheid tot gesloten opname bestaat. De accommodatie is in zoverre dan ook vergelijkbaar met een zuiver klinische accommodatie.
Derhalve en omdat het aan de [adres] te [plaats 1] gelegen complex een accommodatie in de zin van artikel 1:1 lid 1 onder Pro b. van de Wvggz is, kan naar het oordeel van de rechtbank, om te bewerkstelligen dat betrokkene door de GGZ in het kader van de hem noodzakelijkerwijs te verlenen zorg werd gehuisvest in een appartement op het GGZ complex aan de [adres] te [plaats 1] en betrokkene daar zolang hij verplichte zorg behoeft ook moet blijven wonen, de zorgvorm ‘opnemen in een accommodatie’ en de daarmee samenhangende zorgvorm ‘beperken van de bewegings-vrijheid’ worden toegepast.
De hiervoor in deze overweging genoemde zorgvormen worden derhalve toegewezen.
5.6.
De rechtbank overweegt tenslotte dat de noodzaak voor meer en of andere dan de in overweging 5.5 genoemde zorgvormen niet is gesteld en ook niet is gebleken, zodat in het verzoekschrift gevraagde meer en of andere zorgvormen dan de in overweging 5.5 genoemde zorgvormen worden afgewezen.
5.7.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.
5.8.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank een zorgmachtiging verlenen voor een periode van twaalf maanden.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een zorgmachtiging voor:
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] ,
wat inhoudt dat de maatregelen die in rechtsoverweging 5.5, eerste alinea staan, kunnen worden toegepast;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 23 januari 2027;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026 door mr. Van Dun, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.