ECLI:NL:RBZWB:2026:1381

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443112 / JE RK 25-2257
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:262b BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeslissing voortzetting behandeling geschil ondertoezichtstelling minderjarigen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een geschil tussen de moeder en het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (GI) over de uitvoering van een ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen. De ouders zijn gezamenlijk gezagdragers, waarbij de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben. De GI was niet verschenen bij de zitting, wat een inhoudelijke behandeling belemmerde.

De moeder verzocht onder meer dat de afspraken omtrent omgang zonder aanwezigheid van de grootouders van de vader worden gehandhaafd en dat de kinderen binnen veertien dagen worden aangemeld bij een psychologenpraktijk voor hulp en intensieve oudergesprekken. De vader woonachtig in Groot-Brittannië was via beeldverbinding aanwezig.

De kinderrechter constateerde dat de GI correct was opgeroepen maar niet aanwezig was, waardoor de zaak niet inhoudelijk kon worden behandeld. De behandeling wordt daarom voortgezet op een nader te bepalen datum, waarbij alle partijen worden opgeroepen en de vader digitaal kan aansluiten. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 en schriftelijk uitgewerkt op 18 februari 2026.

Uitkomst: De behandeling van het geschil over de ondertoezichtstelling wordt voortgezet op een nader te bepalen datum vanwege afwezigheid van de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/443112 / JE RK 25-2257
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Tussenbeschikking
in de zaak van
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N.A.H. Limbourg te Breda,
en
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING &
RECLASSERING,
gecertificeerde instelling, hierna te noemen de GI,
kantoorhoudende te Eindhoven,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2019 te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk), hierna te noemen [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2] ,geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk), hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] (Verenigd Koninkrijk).
advocaat mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met producties, ontvangen op 16 december 2025;
  • de op 22 januari 2026 van de advocaat van de vader ontvangen producties;
  • de op 28 januari 2026 van de advocaat van de vader ontvangen productie.
1.2.
Na uitroeping van de zaak op 29 januari 2026 om 09:00 uur zijn verschenen:
  • de moeder en haar advocaat;
  • de advocaat van de vader;
  • de vader door middel van een beeldbelverbinding.
1.3.
Tevens is verschenen en is gebruik gemaakt van de diensten van de heer [persoon] , tolk in de Engelse taal, met [registratienummer] .
1.4.
De gecertificeerde instelling het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering is niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest.
2.2.
Over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn de ouders gezamenlijk met het gezag belast.
2.3.
De vader woont in Groot-Brittannië, de moeder woont in Nederland.
2.4.
De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.
2.5.
Bij de mondeling op 8 juli 2025 gegeven beschikking, op schrift gesteld op 15 juli 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 juli 2025 tot
8 juli 2026, welke beslissing uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

3.Het verzoek

De moeder heeft een geschil, als bedoeld in artikel 1:262b Burgerlijk Wetboek, aan de rechtbank voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
Zij heeft verzocht te bepalen dat:
de GI de afspraken die tussen partijen zijn gemaakt handhaaft in die zin dat de ouders van de vader niet bij de omgangsmomenten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanwezig zijn;
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen veertien dagen worden aangemeld bij [psychologenpraktijk] , of een soortgelijke zorgaanbieder voor hulp voor deze kinderen en voor het voeren van intensieve oudergesprekken (middels een systemische aanpak en waarbij de ouders tenminste de eerste vier oudergesprekken fysiek aanwezig zijn), althans bij een geschikte hulpverlener/psycholoog die de rechtbank wenselijk acht.

4.Het verloop van de zitting

4.1.
De kinderrechter heeft op grond van de stukken vast gesteld dat de GI voor de zitting behoorlijk is opgeroepen.
4.2.
Door de advocaat van de vader is medegedeeld dat zij vóór de uitroeping van de zaak heeft geprobeerd telefonisch contact te krijgen met de jeugdbeschermer in deze zaak. Daarop ontving zij een voicemail, waaruit bleek dat de betreffende jeugdbeschermer op de zittingsdag niet werkzaam is. Ook bleek daaruit dat contact kon worden gezocht met een vervangend jeugdbeschermer. Bij navraag bij de GI bleek echter dat niet over een mobiel telefoonnummer van deze jeugdbeschermer werd beschikt.
4.3.
Door de advocaat van de moeder is opgemerkt dat de gegeven omstandigheden er in haar visie aan in de weg staan tot een inhoudelijke behandeling van de zaak over te gaan. De advocaat van de vader sluit zich daarbij aan.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter stelt vast dat in deze zaak een geschil aan de orde is, als bedoeld in artikel 1:262b Burgerlijk Wetboek. Nu de GI partij is bij dat geschil en zij niet ter zitting is verschenen vormt dit, hoe vervelend ook voor de beide ouders en hun advocaten, een belemmering om de zaak mondeling te behandelen. De kinderrechter betreurt deze situatie, aangezien er vooraf contact is geweest met betrokkenen over de te plannen zittingsdatum, gelet op de spoedeisendheid, alsook met het oog op de spaarzame zittingsruimte.
5.2.
De kinderrechter bepaalt, rekening houdend met de ontvangen verhinderdata, dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op de hierna in het dictum vermelde datum en tijdstip. De moeder en haar advocaat, de advocaat van de vader en de GI worden verzocht op deze datum en tijdstip aanwezig te zijn. De vader wordt in de gelegenheid gesteld bij de mondelinge behandeling ter zitting wederom langs digitale weg aan te sluiten.
5.3.
Met inachtneming van het voorgaande komt de tussenbeslissing in deze zaak als volgt te luiden.

4.De beslissing

De kinderrechter:
4.1.
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet ter zitting - met gesloten deuren - van
[datum] 2026 om [tijdstip]bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in de persoon van mr. De Jong, in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10, 4815 GW;
4.2.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en haar advocaat, de vader en zijn advocaat en de GI;
4.3.
bepaalt dat de vader tevens in de gelegenheid wordt gesteld digitaal bij de zitting aan te sluiten en dat hem daartoe door de griffier van de rechtbank een Teams link zal worden gestuurd;
4.4.
behoudt zich iedere beslissing in deze zaak voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. Sumner, kinderrechter, op 10 februari 2026, in aanwezigheid van Baremans, als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 18 februari 2026.