4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feitenvaststelling
Op grond van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte is op 29 augustus 2025 naar de woning van aangeefster in [plaats] gereden. Eerder die dag hadden zij samen in de auto gezeten, was verdachte gestopt op de dijk en had hij gedreigd zelfmoord te plegen. Toen hij bij de woning van aangeefster aankwam, kwam hij binnen met een jerrycan met daarin benzine. Hij heeft een deel van de benzine in de gang van de woning van aangeefster uitgegoten, waarbij zij aanwezig was.
Dat verdachte ook benzine in de woonkamer en keuken heeft uitgegoten, kan de rechtbank niet vaststellen nu dit enkel door aangeefster wordt verklaard. Vast staat wel dat er ook benzine in de woonkamer en keuken is terechtgekomen. De rechtbank kan evenmin vaststellen of verdachte een (ontstoken) sigaret in zijn mond had en een aansteker in zijn hand heeft genomen. De verklaring van aangeefster daarover is wisselend en op onderdelen tegenstrijdig. Zo heeft zij bij haar eerste verklaring op 29 augustus 2025 verklaard dat verdachte een sigaret in zijn mond had, maar dat ze niet wist of die aan of uit was. Over een aansteker heeft zij toen niet gesproken. Uit bevindingen van de politie blijkt dat zij diezelfde dag tegen een verbalisant heeft gezegd dat verdachte de benzine aan wilde steken met een aansteker, maar dat zij dit kon voorkomen. Uit de aanvullende verklaring die aangeefster op 11 februari 2026 bij de politie heeft afgelegd, volgt dat zij heeft verklaard dat verdachte een brandende sigaret in zijn mond had en dat verdachte een aansteker op de grond in de woonkamer gooide en dat er een vlammetje uitkwam. Gelet op de wisselende verklaringen, kan de rechtbank onvoldoende vaststellen of verdachte handelingen heeft verricht met een (al dan niet brandende) sigaret en/of een aansteker. De omstandigheid dat er blijkens de aan het dossier toegevoegde foto’s een sigarettenpeuk in de gang en een aansteker in de woonkamer zijn aangetroffen, maakt dat niet anders. De verklaring van aangeefster dat verdachte heeft geroepen ‘de enige die ons nog kan redden is de politie’ wordt niet ondersteund door ander bewijs. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat verdachte dit heeft geroepen.
Primair: poging tot brandstichting?
Gelet op het voorgaande staat vast dat verdachte een van de in de tenlastelegging opgenomen handelingen heeft verricht, namelijk het uitgieten van een jerrycan met benzine in de gang. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze handeling kan worden gekwalificeerd als een poging tot brandstichting.
Uit de wet volgt dat een poging tot misdrijf strafbaar is, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat daarvoor is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval en algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een samenstel van gedragingen. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
De rechtbank is van oordeel dat alleen het uitgieten van benzine, zonder dat kan worden vastgesteld dat door verdachte een concrete poging is gedaan om deze aan te steken, op zichzelf geen gedraging is die naar de uiterlijke verschijningsvorm moet worden gezien als gericht op voltooiing van een brandstichting. In dat geval kan het bijvoorbeeld ook blijven bij het dreigen met brandstichting. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte uiteindelijk zelf is weggegaan uit de woning en dat hij volgens aangeefster zou hebben geroepen dat hij haar niets aan wilde doen. De rechtbank zal verdachte dus vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.
Subsidiair: voorbereidingshandelingen voor brandstichting?
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte middelen voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van brandstichting.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of het subsidiair ten laste gelegde feit is bewezen, moet komen vast te staan dat de in de tenlastelegging omschreven voorwerpen (hierna: de middelen) bestemd waren tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of de middelen (afzonderlijk dan wel gezamenlijk), naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had. Daarbij is vereist dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte een jerrycan met benzine voorhanden heeft gehad. Dat verdachte ook een aansteker voorhanden heeft gehad, wordt door hem niet ontkend. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij rookt en om die reden een aansteker in zijn zak had, maar dat hij hier verder niets mee heeft gedaan en dat deze door de politie bij zijn aanhouding in beslag is genomen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, kan niet worden vastgesteld dat verdachte handelingen heeft verricht met de aansteker.
Onder genoemde omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat de aansteker die verdachte voorhanden heeft gehad bestemd was tot het begaan van brandstichting. Ten aanzien van de jerrycan met benzine kan dat evenmin worden vastgesteld, nu op grond van het dossier niet is vast komen te staan dat verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin - had op het begaan van brandstichting. Contra-indicaties daarvoor zijn dat verdachte de woning uiteindelijk heeft verlaten en hij volgens aangeefster zou hebben geroepen dat hij haar niets aan wilde doen.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte de middelen voorhanden heeft gehad teneinde deze te gebruiken voor brandstichting. De rechtbank zal verdachte dus vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde feit.
Feit 2
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte benzine heeft uitgegoten in de gang in de woning van aangeefster. Dat hij daarbij heeft gezegd “De enige die ons nog kan redden is de politie” en dat hij hierbij een aansteker in zijn hand heeft genomen, acht de rechtbank niet bewezen, omdat de verklaring van aangeefster hierover wisselend is en het dossier hiervoor verder onvoldoende steunbewijs bevat.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor veroordeling ter zake van bedreiging vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.
De rechtbank is van oordeel dat het uitgieten van benzine in een woning in aanwezigheid van aangeefster als een bedreiging met brandstichting moet worden beschouwd, omdat hierdoor de redelijke vrees bij aangeefster kon ontstaan dat brand zou worden gesticht. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.