ECLI:NL:RBZWB:2026:1389

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
12064524 VV EXPL 26-4 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:629 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering werknemer grotendeels toegewezen wegens niet-betaling tijdens arbeidsongeschiktheid

De werknemer trad op 17 mei 2018 in dienst bij de werkgever als verkoopster voor 24 uur per week met een bruto maandsalaris van €1.598,47, onder toepassing van de Cao Retail Non-Food. Vanaf 10 april 2025 was de werknemer arbeidsongeschikt. De werkgever stopte vanaf november 2025 met het betalen van loon, ondanks aanmaningen van de werknemer.

De werknemer vorderde betaling van achterstallig loon vanaf november 2025, het toekomstige loon zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, wettelijke rente en proceskosten. De werkgever verscheen niet in de procedure, waardoor verstek werd verleend.

De kantonrechter oordeelde dat de cao bepalingen over loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid gelden, waarbij na 26 weken 90% van het loon wordt betaald, maar minimaal het wettelijk minimumloon. Omdat het minimumloon hoger was dan 90% van het loon, werd het minimumloon toegewezen voor november en december 2025. De vakantietoeslag wordt jaarlijks betaald en niet maandelijks toegewezen.

De wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige loon werd toegewezen wegens te late betaling. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het loon vanaf januari 2026 conform cao en minimumloon, wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente en proceskosten aan de werknemer.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12064524 \ VV EXPL 26-4
Vonnis in kort geding van 25 februari 2026
in de zaak van
[werknemer],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. C.H. Ruis,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] en kantoorhoudende te [plaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
niet verschenen.

1.De zaak in het kort

[werknemer] vordert betaling van loon op grond van een met [werkgever] gesloten arbeidsovereenkomst. De kantonrechter wijst de vorderingen van [werknemer] grotendeels toe. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 januari 2026 met producties;
- de mondelinge behandeling van 11 februari 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

3.De feiten

3.1.
Op 17 mei 2018 is [werknemer] bij [werkgever] in dienst getreden als verkoopster voor 24 uur per week tegen een loon van laatstelijk € 1.598,47 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Op de gesloten arbeidsovereenkomst is de Cao Retail Non-Food (hierna: cao) van toepassing verklaard.
3.2.
Vanaf 10 april 2025 is [werknemer] arbeidsongeschikt.
3.3.
Op 23 september 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] een vaststellingsovereenkomst aangeboden ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [werknemer] is daar niet mee akkoord gegaan.
3.4.
[werkgever] heeft het loon van [werknemer] vanaf november 2025 onbetaald gelaten. [werknemer] en haar gemachtigde hebben [werkgever] aangemaand tot betaling van achterstallig loon. [werkgever] heeft daar niet op gereageerd.

4.De vordering

4.1.
[werknemer] vordert – samengevat – dat [werkgever] wordt veroordeeld om aan haar te betalen:
I. het loon van € 1.598,47 bruto per maand, vermeerderd met de vakantietoeslag vanaf november 2025 en vermeerderd met de wettelijke verhoging;
II. het toekomstige loon van € 1.598,47 bruto per maand, alsmede de vakantietoeslag, telkens op de overeengekomen tijdstippen, zolang de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortduurt;
III. de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van voornoemde bedragen tot de dag van volledige betaling;
IV. de kosten van de procedure.

5.De beoordeling

Verstek
5.1.
[werkgever] is niet verschenen. Omdat uit de dagvaarding blijkt dat [werkgever] behoorlijk is opgeroepen en de bij wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, zal tegen [werkgever] verstek worden verleend.
Loonvordering
5.2.
De vorderingen van [werknemer] zijn daarmee niet weersproken door [werkgever] . Dit betekent dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, tenzij deze de kantonrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomen. De vorderingen van [werknemer] worden grotendeels toegewezen. Dat zal hierna worden toegelicht.
5.3.
In artikel 11 van Pro de cao is – in afwijking van artikel 7:629 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) – opgenomen dat bij arbeidsongeschiktheid er de eerste 26 weken recht is op loondoorbetaling van 100% van het brutoloon. Verder dat vanaf week 27 t/m 52 er recht is op 90% van het brutoloon, maar ten minste het wettelijke minimumloon (WML), dat van week 53 t/m 78 er recht is op 80% van het brutoloon en dat van week 79 t/m 104 de wettelijke loondoorbetalingsverplichting geldt van 70% van het brutoloon.
5.4.
[werknemer] heeft ter zitting aangegeven dat zij over de maand oktober 2025 100% doorbetaald heeft gekregen. Zij was per 9 oktober 2025 26 weken arbeidsongeschikt waardoor de periode van 100% doorbetaling in de periode van 10 tot en met 30 oktober 2025 geen dusdanige periode is dat [werknemer] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij (los van de cao en wet) bij arbeidsongeschiktheid (ook na 26 weken arbeidsongeschikt te zijn) steeds 100% doorbetaald zou krijgen. Daarom zal worden uitgegaan van de cao waarin is opgenomen dat er vanaf week 27 recht is op 90% van het loon. Dat komt neer op € 1.438,63 bruto, maar is lager dan het wettelijke minimumloon van € 14,40 bruto per uur dat bij een dienstverband van 24 uur per week neerkomt op van € 1.550,20 bruto per maand ((€ 14,40 x 24) x 4,5). Hierdoor zal het wettelijke minimumloon worden toegewezen over de maanden november en december 2025 dat neerkomt op totaal € 3.100,40 (2 x € 1.550,20) bruto.
5.5.
[werknemer] heeft ter zitting aangegeven dat de vakantietoeslag jaarlijks in mei wordt betaald en niet maandelijks. Daarom zal de vakantietoeslag niet (zoals gevorderd) maandelijks worden toegewezen, maar jaarlijks vanaf het moment van opeisbaarheid.
5.6.
Vanaf januari 2026 heeft [werknemer] ook recht op het minimumloon dat vanaf dan op € 14,71 bruto per uur is vastgesteld en neerkomt op € 1.588,68 bruto ((€ 14,71 x 24) x 4,5). Dat betekent dat er vanaf januari 2026 recht is op betaling van loon als volgt:
  • bij arbeidsongeschiktheid, tot en met week 52 dat [werknemer] arbeidsongeschikt is het wettelijke minimumloon van € 1.588,68 bruto en vervolgens vanaf week 53 het loon volgens de cao,
  • bij arbeidsgeschiktheid het loon van € 1.598,47 bruto per maand zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt.
5.7.
Omdat het loon over november en december 2025 zonder geldige reden te laat is betaald, is de gevorderde wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro toewijsbaar. De kantonrechter ziet in de omstandigheden geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen en stelt deze vast op 50%. Aan wettelijke verhoging is over de maanden november en december 2025 daarom een bedrag van € 1.550,20 (€ 3.100,40 bruto x 50%) toewijsbaar.
5.8.
De gevorderde wettelijke rente is vanaf de data van opeisbaarheid toewijsbaar.
Proceskosten
5.9.
[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- explootkosten
155,67
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
Totaal
1141,67

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 3.100,40 bruto aan loon over november en december 2025,
6.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 1.550,20 bruto aan wettelijke verhoging over de maanden november en december 2025,
6.3.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen het loon vanaf januari 2026, dat bedraagt
- bij arbeidsongeschiktheid: tot en met week 52 dat [werknemer] arbeidsongeschikt is het wettelijke minimumloon van € 1.588,68 bruto en vervolgens vanaf week 53 het loon volgens de cao,
- bij arbeidsgeschiktheid: het loon van € 1.598,47 bruto per maand zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt,
en vermeerderd met de vakantietoeslag die jaarlijks verschuldigd is over het ontvangen loon,
6.4.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over de voornoemde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
6.5.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.141,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.