ECLI:NL:RBZWB:2026:141

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/6800
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 ParticipatiewetArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot hervatting bijstandsuitkering na opschorting door gemeente

Verzoeker ontving een bijstandsuitkering volgens de norm voor een alleenstaande in een inrichting. Het college van burgemeester en wethouders van Breda schortte deze uitkering op vanaf 1 november 2025 omdat verzoeker niet had doorgegeven waar hij sinds 27 oktober 2025 verbleef, wat een schending van de inlichtingenplicht is.

Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg op 31 december 2025 om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de opschortingstermijn van maximaal acht weken volgens de Participatiewet inmiddels was verstreken, waardoor geen rechtsgrond meer bestond voor het niet uitbetalen van de uitkering.

Daarom werd een ordemaatregel getroffen die het college verplicht de uitkering te hervatten vanaf 27 december 2025 tot de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening. Deze maatregel is voorlopig en bindt de rechter niet in de verdere procedure. De zitting voor de behandeling van het verzoek staat gepland op 21 januari 2026.

Uitkomst: Het college wordt bevolen de bijstandsuitkering van verzoeker te hervatten vanaf 27 december 2025 tot de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6800

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. P.C. Schouten),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda .

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de opschorting van de bijstandsuitkering van verzoeker. De voorzieningenrechter treft in deze uitspraak een ordemaatregel in afwachting van de behandeling van het verzoek ter zitting.

Procesverloop

2. Verzoeker ontving van het college een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande die in een inrichting verblijft.
3. Met het bestreden besluit van 14 november 2025 heeft het college verzoekers recht op een uitkering vanaf 1 november 2025 opgeschort op grond van artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet. Reden hiervoor is dat verzoeker niet heeft doorgegeven waar hij sinds 27 oktober 2025 verblijft. Sinds die datum verblijft hij niet meer in de voorziening van het Leger des Heils te [locatie] . Hiermee heeft hij niet voldaan aan de inlichtingenverplichting.
4. Verzoeker heeft op 24 december 2025 bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter op 31 december 2025 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
5. De behandeling van het verzoek op zitting zal plaatsvinden op 21 januari 2026.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onverwijlde spoed vereist dat een ordemaatregel wordt getroffen in afwachting van de behandeling van het verzoek ter zitting. Deze uitspraak wordt op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb gedaan buiten zitting.
7. Uit telefonisch contact van de rechtbank met het college is gebleken dat de opschorting van de uitkering op dit moment nog steeds voortduurt en dat er ook geen ander besluit is gevolgd.
8. Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet kan het college het recht op bijstand voor
ten hoogste acht wekenopschorten. Op grond van de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak staat vast dat dit een maximale termijn is. Deze termijn is inmiddels ruimschoots verstreken. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er op dit moment geen rechtsgrond meer bestaat voor het niet uitbetalen van de uitkering van verzoeker.
9. Uit de door verzoeker ingediende stukken blijkt voldoende dat verzoeker een dringend belang heeft bij betaling van zijn uitkering. Daarom zal de voorzieningenrechter een ordemaatregel treffen door te bepalen dat het college de betaling van de uitkering hervat vanaf het einde van de opschortingstermijn (27 december 2025) tot de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening. Deze ordemaatregel heeft een voorlopig karakter en de voorzieningenrechter is daaraan in de verdere procedure niet gebonden.
10. Over vergoeding van het griffierecht en een eventuele proceskostenvergoeding zal worden beslist bij de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • treft de voorlopige voorziening dat het college de betaling van de bijstandsuitkering van verzoeker hervat met ingang van 27 december 2025;
  • bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt als uitspraak wordt gedaan op het verzoek.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier op 14 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.