ECLI:NL:RBZWB:2026:1410

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444490 / JE RK 26-164
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek spoedmachtiging tot uithuisplaatsing minderjarige na schorsing gezag moeder

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot het verlenen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een jeugdhulpaccommodatie. De moeder was belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige. Eerder waren al diverse machtigingen tot uithuisplaatsing en ondertoezichtstellingen verleend en verlengd.

Tijdens de procedure op 2 februari 2026 werd het verzoek gelijktijdig behandeld met andere gerelateerde zaken. De kinderrechter nam kennis van het schriftelijke verzoek van de GI en hoorde de minderjarige, haar advocaat, de moeder met haar advocaat, de vader, vertegenwoordigers van de GI en een vertegenwoordigster van de Raad.

Op dezelfde dag werd in een andere beschikking het gezag van de moeder geschorst en werd de GI belast met de voorlopige voogdij over de minderjarige. Gezien deze nieuwe situatie heeft de GI geen belang meer bij het verzoek tot uithuisplaatsing. Daarom wijst de kinderrechter het verzoek af.

Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarvoor een advocaat nodig is. De beschikking is op 2 februari 2026 in het openbaar uitgesproken en op 6 februari 2026 schriftelijk vastgesteld.

Uitkomst: Het verzoek tot spoedmachtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat de GI inmiddels belast is met de voorlopige voogdij.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444490 / JE RK 26-164
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. Pool te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 28 januari 2026.
1.2.
Op 2 februari 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • [minderjarige] en haar advocaat, die eerst apart met de kinderrechter hebben gesproken;
  • de moeder en haar advocaat;
  • de vader;
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
Het verzoek is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de Raad in de zaak met kenmerk C/02/444440 FA RK 26-450 en de verzoeken van de GI met kenmerk C/02/4442280 JE RK 26-114 en C/02/444231 JE RK 26-116. In deze zaken wordt een afzonderlijke beschikking afgegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 november 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 14 december 2025. Daarnaast is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder zonder gezag, te weten bij de vader, dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 14 december 2025.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 11 december 2025 is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 28 februari 2026. Het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is afgewezen.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 17 december 2025 is met spoed, oftewel zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 31 december 2025.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 december 2025 is voormelde machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 28 februari 2026.
2.6.
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 21 januari 2026 heeft de kinderrechter (zonder het horen van de belanghebbenden) voor [minderjarige] een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 21 januari 2026 tot 4 februari 2026 onder aanhouding van het overige deel van de verzoeken.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling in een accommodatie van een jeugdhulpverlener te verlenen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
Daarbij verzoekt de GI op te nemen dat de machtiging tot uithuisplaatsing parallel geldt aan de machtiging gesloten jeugdhulp.

4.De beoordeling

4.1.
In de zaak met kenmerk C/02/444440 FA RK 26-450 heeft de kinderrechter bij beschikking van heden het gezag van de moeder geschorst. Daarbij heeft de kinderrechter de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] . Gelet op deze beslissing heeft de GI geen belang meer bij het onderhavige verzoek. De kinderrechter zal dit verzoek dan ook afwijzen.

5.De beslissing

De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier, en op schrift gesteld op 6 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.