ECLI:NL:RBZWB:2026:1415

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444518 / FA RK 26-491
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 lid 1 en 2 WzdArt. 37 WzdArt. 38 WzdArt. 39 Wzd
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot voortzetting inbewaringstelling wegens ontbreken noodzaak

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene, die verblijft in een accommodatie te Tilburg. Betrokkene lijdt aan het Syndroom van Down en vertoonde agressief gedrag vermoedelijk veroorzaakt door een delier ten gevolge van een blaasontsteking.

Tijdens de zitting op 2 februari 2026, die met gesloten deuren plaatsvond, werd betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn advocaat, evenals de regiebehandelaar. De regiebehandelaar gaf aan dat betrokkene was opgeknapt en dat er geen noodzaak meer was voor voortzetting van de inbewaringstelling. Ook betrokkene en zijn moeder wensten dat hij naar huis mocht.

De rechtbank oordeelde dat op grond van de wettelijke bepalingen (artikelen 37, 38 en 39 Wzd) een machtiging tot voortzetting alleen kan worden verleend indien de burgemeester een last tot inbewaringstelling heeft afgegeven en er noodzaak bestaat. Nu de regiebehandelaar en betrokkene zelf aangaven dat voortzetting niet nodig was, werd het verzoek afgewezen. De beschikking werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt afgewezen wegens het ontbreken van noodzaak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444518 / FA RK 26-491
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Beschikking voortzetting inbewaringstelling
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
verblijvende in een [accommodatie] te [woonplaats] ,
advocaat mr. J. Nederlof uit Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 29 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 februari 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • mevrouw [persoon 1] , regiebehandelaar.
1.3.
Tevens was bij de mondelinge behandeling aanwezig, maar is niet gehoord:
- mevrouw [persoon 2] , moeder van betrokkene.

2.Wat vaststaat

2.1.
Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in de [accommodatie] te [woonplaats] . De burgemeester van de gemeente Tilburg heeft de inbewaringstelling op 28 januari 2026 afgegeven.

3.Het verzoek

3.1.
Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene geeft aan dat het beter met hem gaat. Volgens hem is hij weer helemaal beter en heeft hij zijn medicatie ingenomen. Betrokkene heeft zich vermaakt door spelletjes te spelen, te schommelen en te kleuren.
4.2.
De regiebehandelaar verklaart dat betrokkene de afgelopen periode veel verlieservaringen heeft meegemaakt, waaronder het overlijden van zijn opa en een geliefd huisdier. Uit de lichamelijke screening kwam een blaasontsteking naar voren die mogelijk een delier heeft veroorzaakt. Betrokkene slikt op dit moment antibiotica en is direct opgeknapt. De regiebehandelaar geeft aan dat zij geen reden ziet voor voortzetting van de inbewaringstelling. Betrokkene wenst zelf graag naar huis te gaan, evenals zijn moeder. Er is afgesproken om de afspraken bij de darmpoli na te komen voor een eventuele screening.
4.3.
De advocaat bepleit afwijzing van het verzoek.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 37 Wzd Pro in samenhang gelezen met artikel 38 en Pro artikel 39 Wzd Pro kan de rechter op verzoek van het CIZ met betrekking tot een cliënt een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verlenen, indien de burgemeester ten aanzien van deze cliënt op grond van artikel 29 lid 1 en Pro 2 Wzd een last tot inbewaringstelling heeft afgegeven.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een verstandelijke handicap, te weten het Syndroom van Down. In de dag voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft betrokkene (zeer vermoedelijk vanuit een delier veroorzaakt door blaasontsteking) agressief gedrag laten zien richting spullen en personen in zijn omgeving. Ook was er sprake van stemmenlast.
5.3.
Tijdens de mondelinge behandeling licht de regiebehandelaar toe dat er geen noodzaak meer wordt gezien voor het verlengen van de inbewaringstelling. Betrokkene is opgeknapt van de blaasontsteking die (zeer mogelijk) een delier heeft veroorzaakt. Het (agressief) gedrag van betrokkene voortkomend uit dit delier is thans niet meer aan de orde. Er wordt geen reden meer gezien om het verblijf van betrokkene te verlengen.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, nu geen noodzaak meer wordt gezien tot voortzetting van de inbewaringstelling, niet is voldaan aan de wettelijke vereisten om de inbewaringstelling voort te zetten. Het verzoek dient derhalve afgewezen te worden.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 16 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.