Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- mevrouw [persoon 1] , regiebehandelaar.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene, die verblijft in een accommodatie te Tilburg. Betrokkene lijdt aan het Syndroom van Down en vertoonde agressief gedrag vermoedelijk veroorzaakt door een delier ten gevolge van een blaasontsteking.
Tijdens de zitting op 2 februari 2026, die met gesloten deuren plaatsvond, werd betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn advocaat, evenals de regiebehandelaar. De regiebehandelaar gaf aan dat betrokkene was opgeknapt en dat er geen noodzaak meer was voor voortzetting van de inbewaringstelling. Ook betrokkene en zijn moeder wensten dat hij naar huis mocht.
De rechtbank oordeelde dat op grond van de wettelijke bepalingen (artikelen 37, 38 en 39 Wzd) een machtiging tot voortzetting alleen kan worden verleend indien de burgemeester een last tot inbewaringstelling heeft afgegeven en er noodzaak bestaat. Nu de regiebehandelaar en betrokkene zelf aangaven dat voortzetting niet nodig was, werd het verzoek afgewezen. De beschikking werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.
Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt afgewezen wegens het ontbreken van noodzaak.