ECLI:NL:RBZWB:2026:1416

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444088 / FA RK 26-281
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing zorgmachtiging op grond van Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 2 februari 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, geboren in 1998. Betrokkene ontkent een stoornis te hebben en verzet zich tegen de machtiging, terwijl de casemanager en maatschappelijk werker de noodzaak van verplichte zorg onderbouwen.

Uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene lijdt aan schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, alsmede impulsbeheersingsproblemen en een licht verstandelijke beperking. De rechtbank wijst het verzoek tot tegenonderzoek af, omdat de medische stukken met de vereiste zorgvuldigheid zijn opgesteld.

De rechtbank stelt vast dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt, waaronder agressief gedrag, zelfverwaarlozing en grensoverschrijdend gedrag, mede veroorzaakt door middelengebruik. Gezien het ontbreken van ziekte-inzicht en het weigeren van vrijwillige zorg, acht de rechtbank verplichte zorg noodzakelijk.

De toegewezen zorg omvat medicatietoediening, medische controles, bewegingsvrijheidsbeperking, beperkingen in het eigen leven en opname in een accommodatie. Minder bezwarende alternatieven zijn niet beschikbaar. De machtiging geldt voor zes maanden tot 2 augustus 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor zes maanden met specifieke vormen van verplichte zorg voor betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444088 / FA RK 26-281
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. Ph. van Kampen uit Goes.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 16 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 februari 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • mevrouw [persoon 1] , casemanager;
  • mevrouw [persoon 2] , maatschappelijk werker.

2.Het verzoek

2.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.

3.De standpunten

3.1.
Betrokkene geeft aan dat er met hem niks aan de hand is. Hij heeft een tijdje vastgezeten en geprobeerd hier het beste van te maken. Betrokkene kreeg toen medicatie waardoor hij last kreeg van bijwerkingen. Inmiddels is betrokkene blij dat hij van die medicatie af is. Op dit moment is betrokkene bezig met het regelen van een woning en werk. Dit lukt vooralsnog niet. Verder is hij van mening dat er geen sprake is van een stoornis. Betrokkene heeft nergens hulp bij nodig. Hij geeft verder aan dat hij op dit moment zijn medicatie wel inneemt maar geen verschil merkt. Betrokkene is van mening dat een zorgmachtiging niet nodig is.
3.2.
De casemanager voert, samengevat, aan dat op het moment dat er geen ziekte-inzicht is en er eventueel misbruik van verdovende middelen is, er sprake is van impulsbeheersingsproblemen bij betrokkene. Zodra het minder goed gaat met betrokkene kan zijn gedrag buiten dusdanig veranderen dat hij agressie over zichzelf afroept. Daarnaast geeft de casemanager aan dat op het moment dat er geen contact is met betrokkene, de psychische stoornis alleen maar verder achteruit gaat. De casemanager geeft aan dat betrokkene wenst te stoppen met het contact met de hulpverlening wanneer hij verhuist naar een eigen studio. Hij woont nu nog op een locatie van begeleid wonen. De vaste casemanager van betrokkene zit er bovenop bij hem en belt hem bijvoorbeeld iedere dag om betrokkene te herinneren aan afspraken en te bekijken of het goed met hem gaat. Hierdoor is het leven buiten (na afloop van de ISD-maatregel) de afgelopen periode rustig en gecontroleerd verlopen.
3.3.
De maatschappelijk werker verklaart dat betrokkene nu beschermd woont en alle benodigde zorg en begeleiding is gewaarborgd. Betrokkene heeft dit ook nodig en wanneer deze structuur wegvalt, wordt het heel ingewikkeld.
3.4.
De advocaat geeft aan dat hij serieuze problemen heeft met de stukken zoals die door de instelling bij de rechtbank zijn neergelegd. Het zit ‘m niet alleen in het aankruisen van alle vormen van ernstig nadeel en (bijna) alle vormen van verplichte zorg, maar ook in de manier waarop de medische verklaring is opgesteld. De advocaat is dan ook van mening dat dit een tegenonderzoek in verband met het ontbreken van een eenduidige diagnose rechtvaardigt. Daar komt bij dat betrokkene sinds begin december 2025 volledig in de samenwerking met de hulpverlening zit. Wanneer op deze wijze zo’n verzoek wordt neergelegd met alle vormen van ernstig nadeel en verplichte zorg op voorhand zijn aangekruist, dan voldoet dit per definitie niet aan de wettelijke vereisten, aldus de advocaat. De advocaat pleit dan ook primair voor afwijzing. Subsidiair pleit de advocaat voor een tegenonderzoek om vragen goed te kunnen beantwoorden op grond van de wet.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen en disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen. Verder is er ook sprake neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (te weten: licht verstandelijke beperking en autismespectrumstoornissen), doch deze neurobiologische ontwikkelingsstoornissen staan thans niet op de voorgrond.
Het feit dat betrokkene aangeeft zich niet in deze beschrijving te herkennen maakt dit niet anders. De medische verklaring en het zorgplan zijn met de wettelijk vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. [persoon 3] heeft (subsidiair) verzocht om de zaak aan te houden om een zgn. ‘tegenonderzoek’ te laten plaatsvinden in verband met het ontbreken van een eenduidige diagnose. De rechtbank wijst dit verzoek af. Het enkele feit dat in het zorgplan niet alle facetten van de door de psychiater in de medische verklaring vastgestelde psychische stoornis op dezelfde manier worden genoemd (in DSM-terminologie), dan wel omschreven, rechtvaardigt (zonder nadere motivering) niet op voorhand een tegenonderzoek.
4.3.
De hiervoor onder 4.2. stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit ernstig lichamelijk letsel, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang, bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat betrokkene onder invloed van een ander raakt en gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de stukken blijkt dat betrokkene vanuit zijn psychotisch toestandsbeeld, veelal geluxeerd door middelengebruik, dreigend en zowel verbaal als fysiek agressief kan reageren. Voorts is er dan sprake van ernstige zelfverwaarlozing en seksueel ontremd en grensoverschrijdend gedrag. Verder betrekt zij hierbij de informatie dat betrokkene recent een ISD-maatregel heeft afgerond vanwege vermogens- en geweldsdelicten omdat eerdere gevangenisstraffen, ambulante behandelingen, reclasseringstoezichten en andere justitiële maatregelen, niet hebben geleid tot gedragsverandering.
De andere vormen van ernstig nadeel die in het verzoek tot zorgmachtiging (en in de medische verklaring en zorgplan) zijn aangekruist worden op geen enkele manier in de door de instelling aangeleverde stukken concreet onderbouwd en deze zal de rechtbank dan ook afwijzen.
4.4.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
4.5.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Het ontbreekt betrokkene aan ziekte-inzicht. Betrokkene is niet akkoord met de gestelde diagnose en ontkent überhaupt psychische klachten. Betrokkene wenst de medicatie te staken en meent geen hulp nodig te hebben. Daarom is verplichte zorg nodig.
4.6.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten;
- opnemen in een accommodatie.
4.6.1.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vormen ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘opnemen in een accommodatie’ enkel kunnen worden ingezet indien de ambulante zorg ontoereikend is. Verder merkt zij op dat alle andere aangekruiste vormen van verplichte zorg genoemd in het verzoek tot zorgmachtiging, de medische verklaring en het zorgplan niet voorzienbaar zijn (dit bleek niet uit de stukken en ook niet uit hetgeen namens de instelling op zitting naar voren is gebracht) Deze vormen van zorg zullen om die reden dan ook niet worden toegewezen.
4.7.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.
4.8.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz.
4.9.
Ten overvloede benadrukt de rechtbank dat zij enkel de vormen van ernstig nadeel (genoemd onder 4.3) en vormen van verplichte zorg (genoemd onder 4.6) opneemt in de beschikking die van toepassing zijn op en voorzienbaar zijn voor betrokkene, dit in tegenstelling tot hetgeen is verzocht.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verleent een zorgmachtiging voor
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in rechtsoverweging 4.6 staan kunnen worden toegepast;
5.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 2 augustus 2026;
5.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 16 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.