ECLI:NL:RBZWB:2026:142

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/8120
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 2.27 WaboArt. 3.10 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over gebreken omgevingsvergunning bouw woningen en garageboxen in Breda

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 15 januari 2026 een bestuursrechtelijke zaak over een door het college van burgemeester en wethouders van Breda verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een twee-onder-een-kapwoning met twee garage-bergingen en 12 garageboxen. Eisers, buren van de bouwlocatie, waren het niet eens met het besluit en voerden meerdere beroepsgronden aan.

De rechtbank constateerde dat het college de vergunning verleende zonder een vereiste verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad, omdat het delegatiebesluit onvoldoende concreet is en niet voldoet aan het rechtszekerheidsbeginsel. Daarnaast ontbrak een adequate belangenafweging en motivering over het gebruik van de garageboxen, die als zelfstandige hoofdgebouwen buiten het bouwvlak worden gerealiseerd. Ook was de bescherming van een waardevolle eikenboom onvoldoende onderbouwd, mede omdat de boomeffectanalyse laat werd overgelegd en de paalfundering niet concreet werd getoetst.

Verder was de situatietekening onvolledig, waardoor niet duidelijk was hoe de garageboxen zich verhouden tot de bijgebouwen van eisers en buren, en ontbrak een gemotiveerd standpunt over de ruimtelijke uitvoerbaarheid bij gebrek aan medewerking van omwonenden. Ook was de waterinfiltratie onvoldoende concreet uitgewerkt, wat een motiveringsgebrek opleverde.

De rechtbank gaf het college de gelegenheid om binnen tien weken de gebreken te herstellen, met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen, en stelde eisers in de gelegenheid een deskundig tegenrapport in te dienen. De procedure wordt aangehouden tot de einduitspraak, waarbij nieuwe geschilpunten in beginsel niet worden toegelaten.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de omgevingsvergunning gebreken vertoont en stelt het college in de gelegenheid deze binnen tien weken te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8120

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. H.P.J.G. Berkers),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [woonplaats] (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een door het college aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een twee-onder-een-kapwoning met twee garage-bergingen en 12 garageboxen aan [adres] in [woonplaats] . Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de door het college verleende omgevingsvergunning enkele gebreken vertoont en stelt het college in de gelegenheid deze gebreken te herstellen. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2024 heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens het college zijn [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] verschenen. Vergunninghoudster is verschenen, samen met [de vader van vergunninghoudster].

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 28 december 2023 heeft vergunninghoudster bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. De bouwlocatie staat kadastraal bekend als [kadastrale gegevens], nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] . De oorspronkelijke woning op deze locatie is een aantal jaar geleden afgebrand. Het plan voorziet in de ontwikkeling van woningbouw op de percelen [nummer 1] en [nummer 2] aan [adres] . Aan de achterzijde, op het perceel [nummer 3] , worden de voorgestelde garageboxen gerealiseerd. Deze garages dienen als parkeergelegenheid op eigen terrein. De garageboxen die niet bij de woningen behoren, zijn bestemd voor verhuur. Aan de aanvraag is een ruimtelijke onderbouwing toegevoegd.
3.1.
Eisers wonen op [woonadres] in [woonplaats] , aangrenzend aan [adres] .
3.2.
Het college heeft voor de beoordeling van de aanvraag de uniforme openbare voorbereidingsprocedure doorlopen. Dit betekent dat het bestuursorgaan een ontwerpbesluit over de vergunningsaanvraag neemt, waartegen zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht.
3.3.
Het college heeft een ontwerpbesluit opgesteld, welke vanaf 27 juni 2024 zes weken ter inzage heeft gelegen. In de periode van terinzagelegging zijn vijf zienswijzen ontvangen.
3.4.
De ingediende zienswijzen hebben het college geen aanleiding gegeven om de omgevingsvergunning niet te verlenen. Wel is in de vergunning een aanvullende voorwaarde opgenomen, inhoudende dat bij de uitvoering van de werkzaamheden er gewerkt moet worden volgens het bomenprotocol ter bescherming van de op het perceel aanwezige waardevolle eikenboom. Met het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:
  • het bouwen van een bouwwerk;
  • het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.
Wettelijk kader
4. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet leidt de rechtbank af dat het oude recht van toepassing blijft op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De omgevingsvergunning is op 28 december 2023 aangevraagd en daarom blijft de Wabo van toepassing.
4.1.
De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Verklaring van geen bedenkingen
5. Eisers stellen dat ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad is afgegeven. De garageboxen, die hoofdgebouwen zijn maar niet ten behoeve van de woonfunctie worden gerealiseerd, kunnen volgens hen niet worden aangemerkt als één van de gevallen waarvoor dat op grond van het delegatiebesluit niet hoeft.
5.1.
Het college heeft gesteld dat de bouw van de garageboxen past binnen artikel 1, vierde lid, van het delegatiebesluit. De bouw van de twee-onder-een-kapwoning past volgens het college binnen artikel 1, achtste lid, van het delegatiebesluit.
5.2.
Bij toepassing van de door het college gevolgde procedure moet de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen afgeven, tenzij de gemeenteraad heeft bepaald dat een verklaring niet is vereist. [1] De gemeente Breda heeft op 16 augustus 2022 een delegatiebesluit genomen waarin zij een lijst met categorieën gevallen heeft vastgesteld, waarbij het college geen verklaring van geen bedenkingen hoeft te vragen. [2]
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de twee-onder-een-kapwoning behoort tot de categorie als genoemd in artikel 1, achtste lid, van het delegatiebesluit. De rechtbank stelt verder vast dat uit artikel 1, vierde lid, van het delegatiebesluit volgt dat het wijzigen van het gebruik van onbebouwde gronden, al dan niet in combinatie met het bouwen en het aanleggen een categorie is waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat deze categorie uit het delegatiebesluit te ruim is geformuleerd en daarom onverbindend is. In artikel 1, vierde lid, van het delegatiebesluit is onvoldoende bepaald om welke gevallen het gaat. Er is geen beperking in aard of omvang van het te vergunnen project. Op de zitting heeft het college toegelicht dat deze categorie van het delegatiebesluit moet worden bezien in samenhang met de andere categorieën. Hiervoor wijst het college specifiek op de categorie zoals bedoeld in artikel 1, achtste lid, waarin is bepaald dat voor bouwprojecten tot een maximum van 100 woningen geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Volgens het college zijn de 12 garageboxen hieraan ondergeschikt en betreft dit daarom geen project waarover de raad zich zou willen uitlaten.
5.5.
Dit betoog leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit het delegatiebesluit blijkt nergens dat deze categorie op de door het college voorgestane wijze moet worden uitgelegd en beperkt. Hoewel het college terecht opmerkt dat het voorliggende bouwplan van 12 garageboxen niet in verhouding staat tot een bouwplan van meer dan 100 woningen, blijft onduidelijk hoe de regeling moet worden toegepast in andere gevallen. Artikel 1, vierde lid, maakt geen onderscheid in de omvang van een project, waardoor in beginsel ieder plan dat een bouwwerk op onbebouwde gronden betreft hieronder zou kunnen vallen. Daarmee is het besluit zo ruim en onvoldoende concreet geformuleerd waardoor het niet voldoet aan de eisen van rechtszekerheid.
5.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit gebrekkig, omdat geen verklaring van geen bedenkingen is gevraagd en verkregen. Het beroep is daarom gegrond. Eisers hebben op de zitting evenwel aangegeven dat zij zich kunnen vinden in de door het college gegeven inhoudelijke motivering dat het voorliggende bouwplan geen categorie betreft waarover de raad iets zou willen zeggen. Zij menen wel dat deze motivering te laat is verstrekt. Dit gebrek kan echter niet worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er in dit geval twijfel over mogelijk is of de raad akkoord was en is met de verlening van de omgevingsvergunning. [3]
5.7.
Omdat aan het bestreden besluit meer gebreken kleven, ziet de rechtbank vanuit het oogpunt van procesefficiëntie aanleiding om eerst de overige geschilpunten te bespreken. De gevolgen die aan dit gebrek en de overige gebreken worden verbonden, zullen aan het slot van deze uitspraak uiteengezet worden.
Toetsingskader omgevingsvergunning
6. De Wabo kent in artikel 2.10, eerste lid, een verplicht toetsingskader voor de activiteit ‘bouwen’. Kort gezegd betekent dit dat het college moet toetsen of het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand. Indien er geen sprake is van strijd met één van deze weigeringsgronden moet het college de vergunning verlenen. Indien er zich één van deze weigeringsgronden voordoet, is het college in beginsel verplicht de omgevingsvergunning voor het bouwen te weigeren.
6.1.
Het bestemmingsplan ‘ [het bestemmingsplan] ’ (hierna: het bestemmingsplan) is op 30 mei 2013 vastgesteld. In dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemming ‘Wonen’ met de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat kamerverhuur niet is toegestaan.
Omvang van het geding
7. Partijen zijn het erover eens dat het bouwplan niet voldoet aan het bestemmingsplan. Het beroep van eisers ziet alleen op de afwijking van het bestemmingsplan en niet op de overige weigeringsgronden van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. De rechtbank zal daarom enkel beoordelen of het college een omgevingsvergunning mocht verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het bouwen van de twee-onder-een-kapwoning met twee garage-bergingen en 12 garageboxen.
Afwijken bestemmingsplan
8. Gevraagd wordt om een door brand vernielde woning te vervangen door een twee-onder-één-kapwoning, terwijl het aantal woningen volgens het bestemmingsplan niet mag worden vermeerderd. Daarnaast zijn de 12 garageboxen te beschouwen als afzonderlijke hoofdgebouwen. Deze garageboxen worden gebouwd buiten het bouwvlak en de zelfstandige garageboxen passen niet binnen de bestemmingsomschrijving ‘Wonen’. Verder bedraagt de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ongeveer 1 meter in plaats van minimaal 3 meter.
8.1.
Als een aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan kan de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, aanhef en onder 3° van de Wabo slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft dat onderzocht en is op grond van de ruimtelijke onderbouwing tot de conclusie gekomen dat het een omgevingsvergunning wil verlenen voor de afwijking van het bestemmingsplan. Het college beschikt daarbij over beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. Het college stelt zich in dit geval op het standpunt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en heeft daarom de vergunning verleend. De rechtbank moet dit terughoudend toetsen en zal dat hieronder doen.
Het gebruik van de garageboxen
9. Eisers stellen dat een afweging ontbreekt voor wat betreft de gevolgen en ruimtelijke aanvaardbaarheid ten aanzien van de garageboxen. Het gebruik hiervan is onduidelijk en ook niet begrensd door middel van voorschriften. Eisers vrezen daarom hinder of overlast te ervaren.
9.1.
Het college heeft ten aanzien van de garageboxen gemotiveerd dat het perceel [adres] zeer diep is waardoor aan de achterzijde ruimte is voor een andere functie dan een woonfunctie. De garageboxen zijn te huren voor het stallen van auto’s of opslag, en niet voor bestelwagens. Door vergunninghoudster is in de algemene bepalingen voor de verhuur van de garageboxen vastgelegd dat het aantal verkeersbewegingen beperkt moet blijven, dat bedrijfsmatig gebruik dat overlast kan veroorzaken niet is toegestaan en dat pakketdiensten zijn uitgesloten. Vergunninghoudster mag de boxen bovendien regelmatig inspecteren. De voorruimte wordt afgesloten met een elektrisch hek.
9.2.
Verder stelt het college dat het hier niet gaat om bijgebouwen, maar om zelfstandige garageboxen. Hoewel hiervoor geen specifieke regels in het bestemmingsplan zijn opgenomen, kan volgens het college worden aangesloten bij de gebruikelijke definitie van een garagebox, namelijk een afsluitbare ruimte bestemd voor het stallen van een auto en veelal ook gebruikt voor opslag. Het beoogde gebruik past binnen deze definitie. Daarnaast heeft het college getoetst aan de vergelijkbare regels voor bijgebouwen, en geconcludeerd dat de door eisers gevreesde overlast door de contractuele beperkingen wordt voorkomen.
9.3.
De rechtbank overweegt dat het college de omgevingsvergunning heeft verleend op basis van de daartoe strekkende aanvraag. Deze aanvraag is bepalend voor wat de omgevingsvergunning toestaat. De ruimtelijke onderbouwing van [adviseurs] van 7 oktober 2021, aangevuld op 12 april 2024, maakt onderdeel uit van de aanvraag om de omgevingsvergunning, wat betekent dat het daarin beschreven en onderbouwde gebruik is aangevraagd en dat dat gebruik is vergund. [4] De rechtbank stelt vast dat er een omgevingsvergunning is gevraagd voor 12 prefab garageboxen van elk circa 24 m², die niet bij de woningen horen en bestemd zijn voor verhuur. In de ruimtelijke onderbouwing is het gebruik van de garageboxen verder niet specifiek beschreven en evenmin is ingegaan op de te verwachten ruimtelijke uitstraling van het gebruik daarvan. De door het college genoemde beperkingen van het gebruik van deze garageboxen komen hierin niet aan bod. De door vergunninghoudster in beroep toegezonden algemene bepalingen voor de verhuur van de garageboxen maken geen onderdeel uit van de verleende omgevingsvergunning. Bovendien kan een omwonende, die geen partij is bij een dergelijke huurovereenkomst, het college niet vragen om op basis hiervan handhavend op te treden tegen daarmee strijdig gebruik van de garageboxen.
9.4.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het college, gelet op de rechtszekerheid en de eisen van een goede ruimtelijke ordening, ten onrechte heeft nagelaten om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het gebruik van de betreffende garageboxen te beoordelen en de daarbij betrokken belangen af te wegen. Eisers hebben gewezen op een aantal mogelijke beperkingen zoals het uitsluitend stallen van auto’s en de beperkte opslag van goederen, maar ook het voorkomen dat auto’s op het binnenterrein worden geparkeerd. Dergelijke voorschriften zijn ruimtelijk relevant, omdat zij duidelijk maken wat in de garageboxen is toegestaan en overlast voor omwonenden kunnen voorkomen. Op de zitting heeft het college desgevraagd aangegeven bereid te zijn om bepaalde voorschriften ten aanzien van het gebruik van de garageboxen aan de vergunning te verbinden. De rechtbank zal daarom aan het college de gelegenheid bieden om alsnog de ontbrekende belangenafweging over het gebruik van de garageboxen te maken en op grond hiervan nadere voorschriften hierover aan de verleende omgevingsvergunning te verbinden. Hierbij kan het gebruik van het binnenterrein voor parkeren buiten beschouwing blijven, omdat de verleende omgevingsvergunning geen betrekking heeft op dit terrein.
De waardevolle eikenboom
10. Eisers stellen dat het voorgestelde bouwplan niet kan worden uitgevoerd zonder werkzaamheden in de beschermde boomzone van een ter plaatse aanwezige eikenboom, wat strijdig is met de uitgangspunten van het Handboek Bomen 2022. Er wordt een onaanvaardbaar risico gecreëerd op schade aan het wortelstelsel van de eikenboom. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt welke effecten het bouwplan op de boom zal hebben. Volgens het Handboek Bomen 2022 is ook een goedgekeurd werkplan bomen vereist.
10.1.
Het college stelt dat in de verleende omgevingsvergunning een voorwaarde is opgenomen dat er volgens het bomenprotocol gewerkt moet worden. Het college wijst erop dat de boom recent is gesnoeid conform het Handboek Bomen 2022. Daarnaast heeft de vergunninghouder een boomeffectanalyse (BEA) laten opstellen, dat het college 13 dagen voor de zitting aan de rechtbank heeft overgelegd. Daaruit kan geconcludeerd worden dat de boom nog voldoende toekomstverwachting heeft om behouden te blijven, mits de groeiplaats voldoende behouden blijft. Eén garagebox uit het bouwplan zou gebouwd worden in het bomenbeschermingsvak. In de BEA wordt daarom aanbevolen het ontwerp aan te passen met één garagebox minder of de manier van bouwen aan te passen. Op basis hiervan heeft vergunninghoudster besloten om alle garageboxen op een paalfundering te bouwen. Hiervoor is een aanvraag ingediend om de verleende omgevingsvergunning constructief te wijzigen en het college ziet dit vanwege de ruimtelijke uitstraling als een ondergeschikte wijziging ten opzichte van de verleende omgevingsvergunning.
10.2.
Op de zitting hebben eisers erop gewezen dat zij het BEA te laat hebben ontvangen om een contra-expertise te kunnen laten uitvoeren. Zij zetten bovendien vraagtekens bij de inhoud van de BEA, omdat het beschermingsvak van de boom pas is berekend nadat de boom eerst aanzienlijk was gesnoeid. Het werkelijke boombeschermingsvak zou daarom volgens hen veel groter zijn dan waarvan in de BEA wordt uitgegaan.
10.3.
De rechtbank is van oordeel dat het voorschrift in de vergunning ten aanzien van de waardevolle boom te ruim en onvoldoende concreet is geformuleerd. Bij de vergunningverlening had door het college nader moeten worden onderzocht of de duurzame instandhouding van de boom kan worden gewaarborgd, aangezien dit een onderdeel is van de toetsing aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. De BEA geeft bovendien aan dat het bouwen van de garageboxen alleen mogelijk is buiten het beschermingsvak van de waardevolle eikenboom. Het college heeft een constructieve toetsing van de paalfundering uitgevoerd, maar heeft niet concreet getoetst of het gebruik van de paalfundering binnen het beschermingsvak de betrokken waardevolle eikenboom voldoende beschermt zodat deze daadwerkelijk behouden kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom onvoldoende onderbouwd waarom de waardevolle boom met de voorgenomen constructieve wijziging van de verleende omgevingsvergunning duurzaam behouden kan worden. De rechtbank zal daarom het college de gelegenheid bieden om een nader ruimtelijk standpunt in te nemen ten aanzien van de door vergunninghoudster voorgestelde paalfundering. Dat betekent dat het college moet beoordelen of vaststaat dat de betrokken eikenboom met de gewijzigde paalconstructie duurzaam in stand kan worden gehouden. Verder zullen eisers in de gelegenheid worden gesteld om een tegendeskundige in te schakelen voor een inhoudelijke reactie op de door het college in beroep overgelegde BEA. Het college kan dit deskundig tegenadvies vervolgens meenemen in het te nemen besluit in de zin van artikel 6:19 van Pro de Awb in reactie op de door vergunninghoudster gevraagde ondergeschikte wijziging van de verleende omgevingsvergunning ten aanzien van de toe te passen paalconstructie.
De waterinfiltratie
11. Eisers stellen dat er onduidelijkheden en gebreken zijn in de uitwerking van de waterbergingsopgave en de waterafvoervoorzieningen. Uit de vergunning blijkt dat de waterbergingsopgave slechts globaal is ingetekend en nog niet volledig is uitgewerkt.
11.1.
Het college stelt dat voldaan wordt aan het gemeentelijke waterbeleid. Het regenwater van de bebouwing wordt opgevangen in ondergrondse tanks of geïnfiltreerd in de bodem. In het voorterrein tussen de garages worden grindkoffers gebruikt voor een betere absorptie van water in de bodem. Daarbij wijst het college erop dat in de omgevingsvergunning randvoorwaarden zijn opgenomen ten aanzien van waterberging, bouwpeil, riolering en materiaalgebruik. Voor de uitvoering van het bouwplan moet vergunninghoudster aantonen dat aan deze voorwaarden wordt voldaan.
11.2.
De rechtbank overweegt dat artikel 3.2 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) geen mogelijkheid geeft om uitgestelde indieningsvereisten voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met bouwvoorschriften in een omgevingsvergunning op te nemen. In de waterparagraaf van de ruimtelijke onderbouwing (4.4 en de daarin genoemde bijlage) wordt uiteengezet dat op het terrein voldoende ruimte is om de benodigde waterbergingsvoorziening te realiseren. In de vergunning ontbreekt echter een concrete invulling van deze waterbergingsopgave als gevolg van de verhardingstoename, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek. Welke gegevens uiteindelijk nodig zijn om te voldoen aan de waterparagraaf, ligt ter beoordeling van het college, die een en ander in overleg met vergunninghoudster kan invullen. Vervolgens dient het college op basis van de aanvullende gegevens van vergunninghoudster een beslissing te nemen over de wijze waarop de waterinfiltratie wordt uitgevoerd. Daarbij moet het college beoordelen in hoeverre deze voldoet aan de waterparagraaf van de ruimtelijke onderbouwing en de bijbehorende bijlage.
De perceelsgrens
12. Eisers voeren aan dat de garageboxen op de perceelsgrens worden gerealiseerd, terwijl zich daar ook een bijgebouw van hen bevindt. Volgens eisers staat het bestemmingsplan niet toe dat in dit geval strak tegen dit bijgebouw wordt gebouwd. Daarnaast stellen eisers dat het college ten onrechte aansluiting zoekt bij de regels voor de afstand tot de perceelsgrens die gelden voor bijgebouwen, terwijl de garageboxen volgens het college zelf hoofdgebouwen zijn. Eisers hebben op de zitting opgemerkt dat de bijgebouwen van henzelf en van de buren niet op de situatietekening zijn weergegeven en dat er geen brandgang is ingetekend, terwijl het college ervan uitgaat dat deze aanwezig is.
12.1.
De rechtbank overweegt dat een situatietekening, die bij een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend, moet voldoen aan de indieningsvereisten van artikel 3.2 van de Mor. In dat artikel is onder d. geregeld dat in of bij de aanvraag (onder meer) een situatietekening van de bestaande toestand met daarop de aangrenzende terreinen en de daarop voorkomende bebouwing wordt verstrekt. Vergunninghoudster heeft bij de aanvraag een situatietekening verstrekt waarop wel de woning van eisers staat ingetekend, maar niet hun bijgebouw noch dat van de buren van eisers. Bij de bespreking van de zienswijzen in de verleende omgevingsvergunning heeft het college vervolgens overwogen dat achter de noordelijke perceelsgrens twee bergingen (in achtertuinen) staan en schuttingen (afscheiding brandgang en tuin). Volgens het college heeft vergunninghoudster in de overleggen met de buren reeds voorgesteld tegen de bergingen aan te bouwen en een waterslag aan te brengen, zodat het geheel waterdicht is en geen onderhoud meer nodig is aan de achterwand van de bergingen. Het college heeft hierbij echter geen aandacht besteed aan het standpunt van de betrokken omwonenden, of zij bereid zijn om hieraan medewerking te verlenen en het antwoord op de vraag of dit voorstel van vergunninghoudster feitelijk uitvoerbaar is. Het bestreden besluit kent daarom op dit punt een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.
12.2.
Het college zal daarom vergunninghoudster alsnog in de gelegenheid moeten stellen een aangepaste situatietekening te verstrekken waarop de bijgebouwen van eisers en hun buren staan ingetekend. Daarbij moet door vergunninghoudster ook inzichtelijk worden gemaakt hoe de situering van deze bijgebouwen zich verhoudt tot de achterkant van de garageboxen aan die zijde en hoeveel ruimte er tot de perceelsgrens van eisers overblijft. Het college dient daarover een gemotiveerd standpunt in te nemen, daarbij de belangen van de betrokken omwonenden af te wegen en aan te geven of en waarom de situering van deze garageboxen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij dient het college ook te betrekken of het bouwplan van vergunninghoudster feitelijk uitvoerbaar is in het geval de betrokken omwonenden geen medewerking willen verlenen aan het voorstel van vergunninghoudster.

Tussenuitspraak

13. Zoals hiervoor is overwogen onder 5.6, 9.3, 10.3, 11.2 en 12.1 is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb, omdat dit op de daarin genoemde onderdelen niet berust op een deugdelijke motivering. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op tien weken na verzending van deze tussenuitspraak. De rechtbank geeft de gemachtigde van eisers dezelfde termijn na verzending van deze tussenuitspraak om een deskundig tegenrapport tegen de BEA bij de rechtbank in te dienen.
14. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan dient het college dit binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. Het college en vergunninghoudster krijgen dezelfde termijn om te reageren op het deskundig tegenrapport van eisers.
15. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. [5]
16. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- stelt de gemachtigde van eisers in de gelegenheid om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak een deskundig tegenrapport bij de rechtbank in te dienen;
- stelt de gemachtigde van eisers respectievelijk het college en vergunninghoudster in de gelegenheid om binnen vier weken op die herstelpoging van het college en het deskundig tegenrapport te reageren;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 15 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1, lid 1:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
het bouwen van een bouwwerk,
[…]
het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […],
[…].
Artikel 2.12, lid 1:
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:
met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,
in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
[…].
Artikel 2.27:
1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.
[…].
Artikel 3.10:
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:
een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;
[…].
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 6.5
Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
Bestemmingsplan ‘ [het bestemmingsplan] ’
1.48
Hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie en afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken
17.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat kamerverhuur niet is toegestaan;
ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' tevens voor maatschappelijke voorzieningen;
ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' tevens voor detailhandel in een bijgebouw;
ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' tevens voor een bedrijf in milieucategorie 1 en 2 zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels in een bijgebouw;
met daarbij behorend(e):
groen;
nutsvoorzieningen;
parkeren;
speelvoorzieningen;
water.
17.2
Bouwregels
17.2.1
Algemeen
Het aantal woningen mag niet worden vermeerderd.
Het bestaand aantal bouwpercelen mag niet worden vermeerderd.
Per bouwperceel is maximaal één hoofdgebouw toegestaan.
Per hoofdgebouw is maximaal één woning toegestaan, met inachtneming van het bepaalde onder e. en f.
In afwijking van het bepaalde onder a., b. en d. mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' een maximum aantal woningen worden toegevoegd zoals aangeduid.
In afwijking van het bepaalde onder d. mag het bestaande aantal woningen worden gehandhaafd als het bestaande aantal woningen meer is dan één per hoofdgebouw.
Gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd.
Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ zijn gestapelde woningen toegestaan.
In afwijking van het bepaalde onder g, mogen ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' geringe bouwwerken, zoals liften, entreepartijen, trapportalen en trappenhuizen, buiten het bouwvlak gesitueerd worden tot een maximum van 30 m2 en balkons tot een maximum van 10 m2 per balkon, mits de stedenbouwkundige hoofdopzet niet wordt gewijzigd en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
Het bebouwingspercentage voor de verschillende woningtypen mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel, tenzij een ander bebouwingspercentage is aangeduid:
vrijstaande woningen
40%, met een maximum van 400 m²
twee-aaneenwoningen en geschakelde woningen
50%, met een maximum van 200 m²
aaneengebouwde woningen
60%
patiowoningen
80%
Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mag het bouwvlak volledig bebouwd worden, tenzij een ander bebouwingspercentage is aangeduid.
17.2.2
Hoofdgebouwen
De maximale goot- en bouwhoogte mag respectievelijk 6 en 11 meter bedragen, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' of 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' een andere goot- en/of bouwhoogte is aangeduid.
In afwijking van het bepaalde onder a. mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-patio' de bouwhoogte maximaal 6 meter bedragen.
De oppervlakte van een tweede bouwlaag mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-patio' maximaal 75 m2 bedragen.
De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrenzen bedraagt bij twee-aaneenwoningen, geschakelde woningen en vrijstaande woningen minimaal 3 meter, met dien verstande dat deze afstand slechts aan één zijde in acht dient te worden genomen bij twee-aaneenwoningen en geschakelde woningen.
In het geval de bestaande afstanden tot de zijdelingse perceelsgrenzen minder bedragen dan is aangegeven onder c. gelden deze afstanden als minimaal te handhaven afstanden tot de zijdelingse perceelsgrenzen.
Hoofdgebouwen mogen met 3,5 meter worden uitgebreid tot een maximale diepte van 12 meter, met dien verstande dat:
vrijstaande woningen mogen worden uitgebreid met 5 meter tot een maximale diepte van 15 meter;
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-patio' een maximale diepte van 23 meter geldt;
ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' geen maximale diepte geldt.
17.2.3
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
a. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd, met uitzondering van:
carports en overkappingen, die achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan mogen worden gebouwd;
geringe uitbreidingen zoals erkers, entreepartijen en balkons met maximaal 1 meter diep over een breedte van maximaal de breedte van het hoofdgebouw minus 2 meter;
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen in de bouwperceelgrens worden gebouwd of op een afstand van minimaal 1 meter van deze grens.
De goothoogte mag maximaal 3 meter bedragen of maximaal 0,30 meter boven de vloer van de eerste verdieping van de woning.
De bouwhoogte mag maximaal 5 meter bedragen.
In afwijking van onderdeel c en d, mag een zijdelings aangebouwde aan- en uitbouw of aangebouwd bijgebouw worden uitgebreid met ten hoogste één bouwlaag, met dien verstande dat de uitbreiding plaatsvindt:
onder het dakvlak, en
tenminste 2 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan.
Vrijstaande bijgebouwen mogen worden gebouwd tot een gezamenlijk oppervlak van maximaal 60 m2,, met inachtneming van het bepaalde in 17.2.1 onder j.

Voetnoten

1.Artikel 6.5, eerste en derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
2.Besluit tot het aanwijzen van categorieën gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1889.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5794, r.o. 4.1.
5.Uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.