ECLI:NL:RBZWB:2026:1420

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
11822442 \ CV EXPL 25-2544 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:43 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering achterstallige verzekeringspremies wegens correcte betaling

Deze civiele zaak betreft een geschil over een verzekeringsovereenkomst tussen Goudse Schadeverzekeringen N.V. en Wasknijper B.V. Goudse vordert betaling van achterstallige premies over november en december 2023, omdat zij stelt dat Wasknijper deze niet heeft voldaan.

Wasknijper betwist de betalingsachterstand en overlegt bewijs van betaling via rekeningafschriften. De kantonrechter beoordeelt de toerekening van betalingen aan de hand van artikel 6:43 BW Pro en concludeert dat Wasknijper duidelijk heeft aangegeven dat de betalingen bedoeld waren voor de premies van november en december 2023. Goudse heeft deze betalingen onjuist verwerkt door ze toe te rekenen aan eerdere maanden.

Daarom wordt de vordering van Goudse afgewezen. Tevens wordt Goudse veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De kantonrechter benadrukt dat indien er nog openstaande premies zijn, het aan Wasknijper is deze te voldoen om verdere procedures te voorkomen.

Uitkomst: De vordering tot betaling van achterstallige premies wordt afgewezen omdat de premies over november en december 2023 zijn voldaan.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11822442 \ CV EXPL 25-2544
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
GOUDSE SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
te Gouda,
eisende partij,
hierna te noemen: Goudse,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
WASKNIJPER B.V.,
te Breda,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Wasknijper,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1.
Deze zaak gaat over een verzekeringsovereenkomst. Volgens Goudse heeft Wasknijper een betalingsachterstand laten ontstaan. Zij vordert betaling van de achterstallige premies over november 2023 en december 2023. Wasknijper betwist een achterstand te hebben. De kantonrechter stelt vast dat Wasknijper de premie voor de maanden november 2023 en december 2023 heeft betaald. De vordering van Goudse wordt derhalve afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 juli 2025 met producties;
- de mondelinge conclusie van antwoord;
- de akte aanvulling op conclusie van antwoord van Wasknijper van 20 augustus 2025;
- de akte van Goudse van 3 september 2025 met producties;
- de antwoord akte van Wasknijper van 17 september 2025 met producties;
- de akte uitlaten producties van Goudse van 29 oktober 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Wasknijper heeft een verzekeringsovereenkomst gesloten met Goudse. Op grond van deze overeenkomst is Wasknijper maandelijks een premie verschuldigd aan Goudse. De maandelijkse premie over het jaar 2023 bedraagt € 113,89.

4.Het geschil

4.1.
Goudse vordert - samengevat - veroordeling van Wasknijper tot betaling van € 227,78, vermeerderd met rente en kosten. Goudse legt aan de vordering ten grondslag dat Wasknijper op grond van de gesloten verzekeringsovereenkomst gehouden is maandelijks zijn premie te betalen. Goudse heeft bij dagvaarding gesteld dat de premie over de maanden november 2023 en december 2023 niet is betaald. Daardoor is een achterstand van € 227,78 ontstaan. Goudse heeft Wasknijper verzocht de achterstallige premie over de maanden november 2023 en december 2023 te betalen. Volgens Goudse heeft Wasknijper de premie over twee maanden onbetaald gelaten, waardoor ook de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn.
4.2.
Wasknijper voert verweer. Hij betwist nog enig bedrag verschuldigd te zijn. Wasknijper stelt dat de premie over de maanden november 2023 en december 2023 is voldaan.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat om de vraag of Wasknijper gehouden is het bedrag van € 227,78 aan Goudse te betalen. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
De vorderingen van Goudse worden afgewezen
5.2.
Goudse vordert betaling van achterstallige premie. Bij de inleidende dagvaarding heeft Goudse gesteld dat Wasknijper de premie over de maanden november 2023 en december 2023 niet heeft betaald. Goudse heeft ter onderbouwing ook diverse aanmaningen overgelegd. Daartegenover heeft Wasknijper gemotiveerd gesteld dat hij de premie over de maanden november 2023 en december 2023 wel heeft betaald. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Wasknijper rekeningafschriften overgelegd.
5.3.
Op grond van artikel 6:43 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) geschiedt de toerekening van een betaling die zou kunnen worden toegerekend op twee op meer verbintenissen jegens eenzelfde schuldeiser, op de verbintenis welke de schuldenaar bij de betaling aanwijst. Artikel 6:43 lid 2 BW Pro bepaalt dat bij gebreke van een aanwijzing, de toerekening in de eerste plaats geschiedt op de opeisbare verbintenissen. Zijn er ook dan nog meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden, dan geschiedt deze in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste. Zijn de verbintenissen bovendien even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid.
5.4.
De kantonrechter overweegt ten aanzien van de betalingen van € 113,89 op 1 november 2023 en 1 december 2023 als volgt. Partijen zijn verdeeld over de verwerking van deze betalingen. Volgens Wasknijper waren deze betalingen bedoeld om de verzekeringspremie over november 2023 en december 2023 te betalen. Goudse heeft deze betalingen op de verzekeringspremie over september 2023 en oktober 2023 afgeboekt. De kantonrechter is van oordeel dat Goudse deze betalingen op een onjuiste wijze heeft verwerkt en overweegt daartoe als volgt.
5.5.
De kantonrechter constateert dat op de door Wasknijper in het geding gebrachte (laatste 2) betaalbewijzen een omschrijving staat, namelijk: “[nummer] bedrag per 01-11-2023 BefrijfsImpulz Van 01-11-2023 tot 01-12-2023 Goudse Schadeverzekeringen NV” en “[nummer] bedrag per 01-12-2023 BefrijfsImpulz Van 01-12-2023 tot 01-01-2024 Goudse Schadeverzekeringen NV”. Wasknijper heeft dus duidelijk kenbaar de schulden aangewezen welke hij met de betaling wenste te voldoen. Uit het standpunt van Goudse leidt de kantonrechter af dat op het moment van deze betalingen er meerdere premiemaanden door Wasknijper onbetaald waren gelaten en er dus meerdere opeisbare verbintenissen bestonden. Hoewel er meerdere premies onbetaald waren gebleven stond het Goudse ingevolge artikel 6:43 lid 1 BW Pro niet vrij om zelf te bepalen welke schulden werden afgelost met de binnengekomen bedragen nu Wasknijper duidelijk kenbaar had gemaakt welke premies hij wenste te betalen. Goudse had op grond van artikel 6:43 lid 1 BW Pro de betalingen moeten toerekenen op de verzekeringspremie over november 2023 en december 2023. Dit leidt ertoe dat Wasknijper door deze betalingen de verzekeringspremie over november 2023 en december 2023 heeft betaald. Daarom zal de vordering van Goudse worden afgewezen.
5.6.
Wellicht ten overvloede merkt de kantonrechter op dat, indien er daadwerkelijk nog twee maandpremies open staan, het op de weg van Wasknijper ligt om deze te betalen om zo een volgende procedure te voorkomen.
Goudse moet de proceskosten betalen
5.7.
Goudse is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wasknijper worden begroot op:
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punt × € 87,00)
- nakosten
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
195,50

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van Goudse af,
6.2.
veroordeelt Goudse in de proceskosten van € 195,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Goudse niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.