4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast.
Verdachte was met ingang van 1 januari 2023 door zijn oom [aangever] (hierna aangever of [aangever] ) gemachtigd hem te helpen met zijn bankzaken en is daarom als mede-rekeninghouder aan diens en/of-rekening toegevoegd. In de periode van 1 januari 2023 tot en met 20 september 2024 is er een bedrag van in totaal € 101.680,71 overgemaakt van de bankrekening van [aangever] naar de bankrekening van verdachte. Hiervan heeft verdachte
€ 1.364,- teruggestort op de bankrekening van [aangever] . Voorts is er in de ten laste gelegde periode een bedrag van € 7.204,20 afgeschreven van de bankrekening van aangever voor het gebruik van zijn creditcard, is er een totaalbedrag van € 10.620,- euro gepind bij diverse geldmaatautomaten in Oosterhout en Breda en is er in meerdere winkels en tankstations een totaalbedrag van € 862,59 gepind.
Aangever heeft - kort samengevat - verklaard dat hij verdachte geen toestemming heeft gegeven om het geld van aangever voor eigen doeleinden te gebruiken. Aangever heeft ook geen lening verstrekt aan verdachte. Aangever pinde ongeveer wekelijks bescheiden contante geldbedragen bij een in de buurt van zijn woning gelegen geldautomaat, betaalde per pin bij een boekenwinkel voor zijn dagelijkse krant en bij Albert Heijn in Oosterhout. Verder kwam hij nergens.
Verdachte erkent dat hij ongeveer € 19.000,- van zijn oom heeft verduisterd, maar betwist de hoogte van het bedrag zoals ten laste is gelegd. Zo zou hij voor sommige geldopnames, betalingen bij tankstations en andere uitgaven toestemming van zijn oom hebben gekregen of waren deze uitgaven voor zijn oom bedoeld. Een deel van de overschrijvingen van aangever naar verdachte zou een aan verdachte verstrekte lening betreffen.
De rechtbank acht deze verklaring van verdachte volstrekt ongeloofwaardig. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Bovendien wijkt zijn ter zitting afgelegde verklaring op belangrijke onderdelen af van hetgeen hij bij de politie heeft verklaard. Daarbij is aan verdachte herhaaldelijk de kans geboden zijn standpunten te onderbouwen, bijvoorbeeld met bescheiden. Verdachte heeft dit echter nagelaten. Voor zover er sprake zou zijn van een alternatief scenario is dit dus niet aannemelijk geworden, omdat elke onderbouwing onderbreekt.
De rechtbank zal bij de bewezenverklaring dan ook uitgaan van hetgeen aangever heeft verklaard. Deze verklaring wordt bovendien ondersteund door de in het dossier aanwezige bankafschriften en getuigenverklaringen.
Dit betekent dat verdachte een groter geldbedrag heeft verduisterd dan dat hij heeft bekend. De rechtbank acht bewezen dat verdachte € 108.219,30 heeft verduisterd. Dat bedrag is als volgt opgebouwd:
- Een bedrag van € 101.680,71 is van de rekening van aangever naar de rekening van verdachte overgemaakt, waarvan € 1.364,- terug is geboekt naar de bankrekening van aangever. Verdachte heeft hiermee een bedrag van € 100.316,71 verduisterd.
- Een bedrag van € 10.620,- is bij diverse geldautomaten contant opgenomen. De rechtbank gaat ervan uit dat de kleine geldopnames en de wekelijkse opname van
€ 70,- door aangever zelf zijn gedaan. De rechtbank heeft deze bedragen afgetrokken van het geheel aan contante opnames, waardoor een bedrag van
€ 7.040,- resteert.
- Een bedrag van € 862,59 is middels pintransacties in onder meer winkels en tankstations betaald. Aangever heeft verklaard dat hij deze betalingen niet heeft gedaan, hij beschikte al tien jaar niet over een auto en verdachte heeft ook over deze pintransacties wisselende en ongeloofwaardige verklaringen afgelegd.
- De creditcardbetalingen die zijn opgenomen in het ten laste gelegde bedrag zijn niet nader gespecifieerd en de rechtbank kan ook anderszins niet uit het dossier opmaken waar deze betrekking op hebben. De rechtbank acht verduistering van de met de creditcard van aangever betaalde bedragen dan ook niet wettig en overtuigend bewezen.
Gelet op bovenstaande kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2023 tot en met 16 september 2024 een bedrag van in totaal € 108.219,30 dat aan aangever toebehoorde heeft verduisterd.