Betrokkene is op 5 maart 2026 door de meervoudige kamer veroordeeld voor verduistering. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk gesteld op €108.219,30, later gewijzigd naar €119.350.
De rechtbank baseert haar oordeel op het proces-verbaal van bevindingen en een analyse van bankgegevens van het rekeningnummer van de aangever, waaruit blijkt dat betrokkene een bedrag van €108.219,30 heeft verduisterd. De rechtbank stelt het ontnemingsbedrag vast op dit bedrag en wijst de rest van de vordering af.
De verdediging verwees naar het eerdere oordeel van de rechtbank en stelde dat bij twijfel de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden. De rechtbank acht de bewijsmiddelen voldoende en wijst de vordering voor het overige af.
De beslissing is genomen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Betrokkene wordt verplicht het bedrag van €108.219,30 aan de staat te betalen, met een gijzelingstermijn van 1082 dagen bij niet-betaling.
Het vonnis is uitgesproken op 5 maart 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda.