Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1423

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
02-389178-24 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens verduistering van geldbedrag

Betrokkene is op 5 maart 2026 door de meervoudige kamer veroordeeld voor verduistering. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk gesteld op €108.219,30, later gewijzigd naar €119.350.

De rechtbank baseert haar oordeel op het proces-verbaal van bevindingen en een analyse van bankgegevens van het rekeningnummer van de aangever, waaruit blijkt dat betrokkene een bedrag van €108.219,30 heeft verduisterd. De rechtbank stelt het ontnemingsbedrag vast op dit bedrag en wijst de rest van de vordering af.

De verdediging verwees naar het eerdere oordeel van de rechtbank en stelde dat bij twijfel de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden. De rechtbank acht de bewijsmiddelen voldoende en wijst de vordering voor het overige af.

De beslissing is genomen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Betrokkene wordt verplicht het bedrag van €108.219,30 aan de staat te betalen, met een gijzelingstermijn van 1082 dagen bij niet-betaling.

Het vonnis is uitgesproken op 5 maart 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda.

Uitkomst: De rechtbank legt betrokkene de verplichting op tot betaling van €108.219,30 als ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en wijst de rest van de vordering af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-389178-24 (ontneming)
vonnis van de rechtbank d.d. 5 maart 2026
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
wonende te [woonadres],
raadsvrouw: mr. N.M.E. Verpaalen, advocaat te Breda

1.De procedure

Betrokkene is op 5 maart 2026 door de meervoudige kamer veroordeeld voor verduistering tot de in die uitspraak vermelde straf.
De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
De officier van justitie heeft daarbij de vordering gewijzigd in die zin dat de hoogte van het bedrag op € 119.350,- gesteld moet worden.

2.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene geld van zijn oom heeft verduisterd en daarmee een voordeel heeft behaald ter hoogte van € 108.219,30.

3.Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Bij enige twijfel dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.Het oordeel van de rechtbank

4.1
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.2
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan en de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 132 tot en met 137 van het eindproces-verbaal waarin een analyse is opgenomen van de bankgegevens van het rekeningnummer van aangever.
De rechtbank is op grond van de gegeven motivering onder het kopje “bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs” zoals beschreven in het vonnis van 5 maart 2026 van oordeel dat het genoten wederrechtelijke verkregen voordeel geschat moet worden op € 108.219,30.
4.3
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 108.219,30 en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.

5.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 108.219,30.
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 108.219,30, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op
1082 dagen.
- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en
mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.C. Bles en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 maart 2026.