ECLI:NL:RBZWB:2026:1426
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde hotel en toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende, gebruiker van een hotel met 50 kamers, heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €4.496.000 per 1 januari 2023. De heffingsambtenaar had deze waarde vastgesteld en de aanslagen OZB en rioolheffing opgelegd. De rechtbank beoordeelde het beroep op 16 december 2025 en concludeerde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
De rechtbank wees het verzoek om vrijstelling van griffierecht af omdat belanghebbende geen betalingsonmacht aannemelijk maakte. Diverse per e-mail ingediende stukken werden niet in behandeling genomen wegens onjuiste indiening. Het bezwaar tegen de rioolheffing werd niet ontvankelijk verklaard omdat dit niet in de bezwaarfase was ingediend en de rioolheffing niet gerelateerd is aan de WOZ-waarde.
De rechtbank hanteerde de huurwaardekapitalisatiemethode en vond dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde juist was vastgesteld, mede gelet op vergelijkingsobjecten en de toelichting op huurprijs en leegstandcorrectie. Belanghebbende had onvoldoende bewijs geleverd om de waarde te betwisten.
De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase was met één maand overschreden, waardoor belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding van €50. Daarnaast werden proceskosten van €23,35 toegekend. Het beroep werd ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslagen blijven gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.