In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 14 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen het UWV beoordeeld. Eiser had op 10 maart 2025 een aanvraag tot herbeoordeling ingediend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser stelt dat het UWV niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, omdat het UWV de beslistermijn heeft overschreden. Eiser heeft het UWV op 2 oktober 2025 in gebreke gesteld, en na ontvangst van deze ingebrekestelling op 3 oktober 2025 is de termijn van twee weken verstreken zonder dat er een besluit is genomen.
De rechtbank bepaalt dat het UWV alsnog binnen vier maanden na de uitspraak een besluit moet nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank stelt ook de bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-, omdat er meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling. Eiser krijgt ook een vergoeding voor proceskosten van € 467,- en het UWV moet het griffierecht van € 53,- aan eiser vergoeden.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming door bestuursorganen en de mogelijkheid voor betrokkenen om beroep in te stellen bij overschrijding van beslistermijnen. De rechtbank heeft de uitspraak openbaar gemaakt en partijen geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet.