Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1430

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
BRE 24/6924
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 40 Wet WOZArt. 229b GemeentewetArtikel 2.16 Procesreglement bestuursrecht rechtbank
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling WOZ-waarde niet-woning en aanslag OZB

Belanghebbende, eigenaar van een winkel met woonruimte, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €312.000 per 1 januari 2023 en de daarop gebaseerde aanslag OZB en rioolheffing. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep op 16 december 2025 en beoordeelde of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde op juiste wijze had bepaald met de huurwaardekapitalisatiemethode, onderbouwd met referentieobjecten en een kapitalisatiefactor die binnen de gangbare bandbreedte lag. Belanghebbende had onvoldoende bewijs geleverd voor een hoger leegstands- en opslagrisico. Het beroep tegen de aanslag rioolheffing werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen specifiek bezwaar was ingediend tegen deze aanslag.

Verder wees de rechtbank het verzoek om vrijstelling van griffierecht af wegens gebrek aan bewijs van betalingsonmacht. Ook het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, aangezien de termijn van circa twee jaar niet was overschreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de WOZ-waarde en aanslag OZB.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de aanslagen worden gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6924

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 oktober 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 312.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen eigenaar (de aanslag OZB) en de aanslag rioolheffing eigenaar van de gemeente Middelburg voor het jaar 2024 opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een winkel met woonruimte aan de [adres] .

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Belanghebbende heeft ter zitting verwezen naar haar brief van 28 november 2025 en gesteld dat de in deze brief opgenomen beroepsgronden en hetgeen nog ter zitting wordt toegevoegd de beroepsgronden zijn waar het nog om gaat. De rechtbank ziet in de brief van 28 november 2025 echter enkel algemene gronden opgesomd, die ook in elke andere zaak van de zitting van 16 december 2025 zijn ingediend en waarvan sommige gronden ook in het geheel geen betrekking kunnen hebben op deze specifieke zaak. Ook worden stellingen ingenomen die niet worden onderbouwd. De rechtbank zal het beroep daarom enkel beoordelen aan de hand van de op zitting toegelichte standpunten.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is de waarde van de onroerende zaak niet tot een te hoog bedrag vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf – verzoek om vrijstelling betaling griffierecht
3.3.
Belanghebbende heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht terecht afgewezen. Belanghebbende heeft namelijk desgevraagd geen gegevens verstrekt waaruit blijkt dat belanghebbende voldoet aan de criteria voor vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Belanghebbende heeft dus terecht het griffierecht ter zake betaald.
Vooraf – toezending stukken per e-mail en toezending stukken na sluiting onderzoek
3.4.
Belanghebbende heeft diverse e-mails naar de rechtbank gestuurd met in sommige gevallen ook bijlagen. Deze stukken zijn niet in behandeling genomen, omdat ze niet op de juiste manier zijn ingediend. Belanghebbende is hier ook steeds op gewezen. Bij wijze van uitzondering is het per e-mail ingediende verzoek om digitaal aan de zitting deel te nemen in dit geval wel in behandeling genomen. Belanghebbende is ter zitting medegedeeld dat ook dergelijke verzoeken via de post of het digitale systeem behoren te worden ingediend en dat belanghebbende anders het risico loopt dat de verzoeken niet in behandeling worden genomen.
3.5.
Na de sluiting van het onderzoek zijn de in 3.4 genoemde e-mails alsnog per post binnengekomen. De rechtbank heeft in deze stukken geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en laat deze stukken buiten beschouwing. Op grond van het procesreglement worden de stukken wel toegevoegd aan het procesdossier. [1] .
Vooraf - de rioolheffing
3.6.
Belanghebbende heeft in de beroepsfase in een nader stuk gesteld dat de opbrengstlimiet is overschreden. Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat de aanslag rioolheffing reeds in de bezwaarfase in geschil was en heeft daarbij gewezen op het door hem opgestelde hoorverslag in de bezwaarfase.
3.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat in de bezwaarfase bezwaar is ingediend tegen de aanslag rioolheffing. Het bezwaarschrift richt zich tegen de ‘aanslag WOZ/OZB 2024 én uitdrukkelijk ook alle andere hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook’. De rioolheffing is niet gerelateerd aan de WOZ-waarde. De enkele stelling in het hoorverslag dat belanghebbende zich het recht voorbehoudt om terug te komen op onder meer ‘alle andere lokale lasten en heffingen, al dan niet (in)direct WOZ/OZB-gerelateerd’ indien geen minnelijke regeling tot stand komt, is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een daadwerkelijk ingediend bezwaar tegen de aanslag rioolheffing. De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak op bezwaar (terecht) ook enkel de hoogte van de WOZ-waarde is beoordeeld. De grond met betrekking tot de rioolheffing valt naar het oordeel van de rechtbank daarmee buiten dit geschil en slaagt daarom niet. Aangezien de onroerendezaakbelastingen geen rechten zijn als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet komt de rechtbank ook overigens niet toe aan toetsing aan de opbrengstlimiet.
Toetsingskader van de rechtbank met betrekking tot de WOZ-waarde
3.8.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [2]
3.9.
De waarde van een niet-woning kan op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ worden bepaald aan de hand van de huurwaardekapitalisatiemethode. Bij de waardebepaling op grond van deze methode wordt de waarde van een onroerende zaak verkregen door de huurwaarde van de onroerende zaak te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor. De huurwaarde en de kapitalisatiefactor worden zoveel mogelijk afgeleid uit verhuur- en verkooptransacties van vergelijkbare objecten.
3.10.
De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
De onderbouwing van de WOZ-waarde
3.11.
Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde van de winkel heeft de heffingsambtenaar de huurwaardekapitalisatiemethode toegepast en daarbij verwezen naar de verkoopcijfers van de referentieobjecten [ referentieobjecten 2 en 3] en het huurcijfer van het referentieobject [referentieobject 1] . [referentieobject 2] en [referentieobject 3] betreffen winkels met woonruimte en [referentieobject 1] is een winkel. Ook heeft de heffingsambtenaar de kapitalisatiefactor onderbouwd door een bottom-up berekening aan de hand van kengetallen ontleend aan de Taxatiewijzer Huurwaardekapitalisatie (de Taxatiewijzer). Hierbij is de heffingsambtenaar uitgegaan van een leegstandrisico van 7,5% en een opslagrisico van 4,00%. De berekening leidt tot een kapitalisatiefactor van 10,35. Bij het vaststellen van de WOZ-waarde is gerekend met een kapitalisatiefactor van 8,9.
3.12.
Belanghebbende heeft verzocht om verstrekking van de huurovereenkomsten, de huurinformatieformulieren en de leveringsakte van de referentieobjecten om te kunnen controleren of de vastgestelde waarde niet te hoog is. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft de heffingsambtenaar die stukken, als hij hier al over beschikt, in dit geval niet te verstrekken. Voor beantwoording van de vraag of de heffingsambtenaar is geslaagd om te voldoen aan de op hem rustende bewijslast dient te worden betrokken dat wat belanghebbende heeft aangevoerd. Het slechts (bloot) stellen dat de stukken nodig zijn om te kunnen controleren of de vastgestelde waarde niet te hoog is, is daarvoor onvoldoende. Ten minste zal twijfel moeten worden gezaaid over waarom de door de taxateur – een deskundige – gebruikte onderbouwingen niet zouden kunnen kloppen. Zonder dat begin van bewijs moet van de juistheid daarvan worden uitgegaan. [3] Voor zover het verzoek van belanghebbende moet worden opgevat als een beroep op artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ faalt het aangezien de berekeningen van de heffingsambtenaar en de daaronder liggende gegevens geen gegevens zijn die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. Die stukken zijn immers pas opgemaakt in de bezwaar- en beroepsfase en daarmee (ruim) nadat de waarde is vastgesteld. Daar komt bij dat belanghebbende in de bezwaarfase niet om de stukken heeft verzocht. Het standpunt van belanghebbende kan in dit geval dus slechts iets afdoen aan de bewijskracht van de door de heffingsambtenaar voorgestane waarde, maar dat doet het gelet op het voorgaande niet.
3.13.
Belanghebbende stelt met betrekking tot de kapitalisatiefactor dat het leegstandsrisico hoger is dan het door de heffingsambtenaar toegepaste percentage, omdat het een feit van algemene bekendheid is dat in [plaats onroerende zaak] veel leegstand bestaat. Ook stelt belanghebbende dat de onroerende zaak op een minder goede locatie ligt. Het opslagrisico moet worden verdubbeld.
3.14.
De heffingsambtenaar betoogt dat in [plaats onroerende zaak] , anders dan belanghebbende stelt, geen sprake is van leegstand. Het gehanteerde percentage voor het leegstandrisico van 7,5% is daarom reëel.
3.15.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende het gemotiveerde standpunt van de heffingsambtenaar onvoldoende betwist. Belanghebbende heeft de stelling dat in [plaats onroerende zaak] veel sprake is van leegstand niet met enig bewijs onderbouwd. De rechtbank stelt verder vast dat het toegepaste opslagrisico ligt binnen de bandbreedte voor overige locaties van 1,28% tot 8,87% die in de Taxatiewijzer Huurwaardekapitalisatie wordt genoemd. Voorts liggen de bij de vaststelling van de WOZ-waarde gebruikte vergelijkingsobjecten in dezelfde straat als de onroerende zaak, zodat de ligging en het leegstandsrisico van de onroerende zaak in de vastgestelde waarde is verdisconteerd.
3.16.
Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde van de woning heeft de heffingsambtenaar de vergelijkingsmethode toegepast en daarbij verwezen naar de verkoopcijfers van de referentieobjecten [ referentieobjecten 2 en 3] . Belanghebbende heeft geen specifieke standpunten met betrekking tot de woning ingebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog vastgesteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vierkantemeterprijs van de woongedeelten van de referentieobjecten [referentieobject 2] (€ 3.250 m²) en [referentieobject 3] (€ 2.750) veel hoger ligt dat de voor de onderhavige woning gehanteerde vierkantemeterprijs (€ 825).
3.17.
Gelet op het vorenstaande heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak niet te hoog vastgesteld.
Immateriëleschadevergoeding
3.18.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn.
3.19.
De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. [4] De inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 18 maart 2024. De rechtbank doet uitspraak op 4 maart 2026. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn niet is overschreden en wijst het verzoek daarom af.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier, op 4 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Zie artikel 2.16, vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbank, Staatscourant 2025, 20750.
2.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44
3.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1413.
4.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.