Belanghebbende, eigenaar van een onroerende zaak bestaande uit een hoofdgebouw met appartementen, een sanitairgebouw, een houten receptiegebouw en een eigen haven, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €722.000 per 1 januari 2023 en de daarop gebaseerde aanslag OZB en rioolheffing.
De rechtbank beoordeelde het beroep op 16 december 2025 en concludeerde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar had de waarde onderbouwd met de huurwaardekapitalisatiemethode en vergelijkingsobjecten, waarbij belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde te hoog was. Het bezwaar tegen de rioolheffing werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dit niet tijdig en specifiek was ingediend.
Verder wees de rechtbank het verzoek om vrijstelling van griffierecht af wegens gebrek aan bewijs van betalingsonmacht. Ook werden na sluiting van het onderzoek ingediende stukken buiten beschouwing gelaten. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn van circa twee jaar niet was overschreden.
De rechtbank handhaafde de WOZ-waarde en de aanslag OZB, zag geen aanleiding voor proceskostenvergoeding en verklaarde het beroep ongegrond.