ECLI:NL:RBZWB:2026:1440

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
11803827 \ CV EXPL 25-3666
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:129 lid 1 BWArt. 7:175 lid 1 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering terugbetaling geldlening na beëindiging relatie

Partijen hadden een relatie waarbij eiseres meerdere bedragen naar de rekening van gedaagde overmaakte. Na beëindiging van de relatie vorderde eiseres terugbetaling van deze bedragen, stellende dat het leningen betrof. Gedaagde stelde dat het schenkingen waren en dat hij onder druk had terugbetaald.

De kantonrechter stelde vast dat uit e-mailcorrespondentie bleek dat gedaagde erkende een schuld te hebben en een betalingsregeling was overeengekomen. Niet alle betalingen waren leningen; sommige waren schenkingen, zoals cadeaus en goederen. Het geleende bedrag werd vastgesteld op €6.999,00, waarvan €2.500,00 was afgelost.

De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van het restant van €4.499,00 met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. De vordering tot incassokosten werd afgewezen wegens niet-naleving van wettelijke eisen. Gedaagde werd tevens veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €4.499,00 met wettelijke rente en proceskosten, vordering incassokosten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11803827 \ CV EXPL 25-3666
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eisende partij]
te [plaats]
eisende partij
hierna te noemen: [eisende partij]
gemachtigden: mr. D.S. Swildens en [gemachtigde]
tegen
[gedaagde partij]
te [plaats]
gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde partij]
gemachtigde: mr. S. van Gansewinkel
De zaak in het kort
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. In die tijd heeft [eisende partij] meerdere bedragen naar de rekening van [gedaagde partij] overgemaakt. Nadat de relatie ten einde was wil [eisende partij] dit geld terug. Zij stelt dat ze het geld aan gedaagde heeft geleend. Volgens [gedaagde partij] betrof het schenkingen. De kantonrechter oordeelt dat deels sprake is van geldlening(en) en veroordeelt [gedaagde partij] tot terugbetaling.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de brief aan partijen waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling ter zitting van 19 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

2.Het geschil

2.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - de veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling aan haar van € 7.796,86, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert zij vergoeding van
€ 764,74 wegens buitengerechtelijke incassokosten, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente, en vordert zij dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld in de proceskosten.
2.2.
Haar vordering baseert [eisende partij] op wat zij een betalingsovereenkomst noemt. Die is gevolgd op een overeenkomst van geldlening. Zij en [gedaagde partij] zijn een betalingsregeling overeengekomen voor de voldoening van eerder door haar aan [gedaagde partij] geleende geld-bedragen. [gedaagde partij] is die betalingsregeling niet nagekomen. Om die reden vordert zij nu de onmiddellijke betaling van het nog openstaande bedrag. Indien wordt geoordeeld dat er geen sprake is van een geldlening, dan dienen haar betalingen als onverschuldigd te worden aangemerkt en vordert zij op die grondslag restitutie. En anders dan [gedaagde partij] stelt is er geen sprake van schenkingen aan hem, aldus [eisende partij] in haar dagvaarding.
2.3.
[gedaagde partij] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , althans om aan haar de vordering te ontzeggen en [eisende partij] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
2.4.
Kort gezegd voert [gedaagde partij] aan dat tussen partijen geen geldleningsovereenkomst is gesloten. Evenmin is sprake van onverschuldigde betaling. [eisende partij] heeft meerdere keren ongevraagd geldbedragen en geschenken aan hem gegeven. Na dreigementen vanwege [eisende partij] heeft hij onder druk enkele bedragen terugbetaald en heeft hij uiteindelijk ingestemd met een betalingsregeling. Ook heeft hij aangeboden om bepaalde cadeaus terug te geven. In totaal heeft [eisende partij] € 11.499,00 aan hem overgemaakt. Daarvan heeft hij
€ 5.232,23 terugbetaald. Het door [eisende partij] gevorderde bedrag is niet opeisbaar. Over terugbetalen zijn geen juridisch bindende afspraken gemaakt. Er is geen sprake van een afdwingbare overeenkomst. Zijn latere toezegging om een bedrag terug te betalen is gedaan onder druk en emotionele beïnvloeding, hetgeen afbreuk doet aan zijn vrije wil.
2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Beide partijen zijn het erover eens dat zij met elkaar een relatie hebben gehad. Volgens [gedaagde partij] hebben zij elkaar in het najaar van 2023 ontmoet. Uit de stellingen van [eisende partij] volgt dat de relatie ergens vóór 18 april 2024 is geëindigd. In de tussenliggende periode heeft [eisende partij] meerdere bedragen overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde partij] . Volgens haar betroffen dit telkens leningen. [gedaagde partij] stelt zich op het standpunt dat het giften waren.
3.2.
Volgens de wet is de overeenkomst van geldlening de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen [1] . Schenking is de overeenkomst om niet, die er toe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt [2] .
3.3.
In een e-mail van 13 april 2024 schreef [gedaagde partij] aan [eisende partij] :

Ik begrijp dat er nu wat verwarring is ontstaan over het af te lossen bedrag en de tijdslijn daarvoor. Tot nu toe hebben we nooit specifieke afspraken gemaakt over wanneer het bedrag precies zou worden overgemaakt, omdat je altijd hebt aangegeven dat het op een gegeven moment wel zou komen.
(…)
Ik stel voor om het openstaande bedrag van €9.912,- minus het reeds afgeloste bedrag van €4.124,23 te verrekenen, wat neerkomt op €5.787,77. Ik ben bereid dit bedrag af te lossen in een termijn van 5 maanden, en als ik eerder in staat ben het volledige bedrag bij elkaar te krijgen, zal ik dat uiteraard doen.
Enkele dagen nadien, op 18 april 2024, schreef [gedaagde partij] in een e-mail aan [eisende partij] :

Ik schrijf je naar aanleiding van ons recente gesprek over de aflossing van de lening (8.825,13). Zoals we hebben afgesproken, heb ik een vast budget van maximaal € 1000 per maand voor de aflossing.
(…)
Ik begrijp dat jouw vertrouwen in een soepele afhandeling berustte op mijn intentie om aan mijn verplichtingen te voldoen. Echter, om aan jouw wens te kunnen voldoen, heb ik ook tijd nodig om dit te realiseren. Daarom is het van essentieel belang dat we een duidelijke regeling treffen, zodat ik mijn verplichtingen gestructureerd kan nakomen. (…)”.
In beide e-mails erkent [gedaagde partij] dat hij wegens geldlening een bedrag aan [eisende partij] verschuldigd is. [gedaagde partij] lijkt zich er bovendien van bewust te zijn dat [eisende partij] eerder steeds een afwachtende houding heeft aangenomen waar het ging om terugbetaling(en), alsmede dat hij tegenover haar (terugbetalings)verplichtingen heeft. Van door [eisende partij] aan hem gedane schenkingen maakt [gedaagde partij] geen gewag. Gelet op deze correspondentie wordt geoordeeld dat, anders dan [gedaagde partij] in zijn conclusie van antwoord betoogt, wel degelijk sprake is van (een) overeenkomst(en) van geldlening waarbij hij zich tot terugbetaling van een of meerdere bedragen aan [eisende partij] heeft verbonden.
3.4.
Welk bedrag [gedaagde partij] nog aan [eisende partij] verschuldigd is, is niet onmiddellijk duidelijk. In de hierboven geciteerde e-mails worden verschillende bedragen genoemd. Het is echter niet duidelijk waarop deze bedragen zijn gebaseerd. [eisende partij] zou aan [gedaagde partij] een overzicht hebben verstrekt met daarin alle posten ten aanzien waarvan een terugbetalingsregeling werd overeengekomen. Zij heeft dat overzicht niet in het geding gebracht, zodat niet aan de hand daarvan kan worden herleid of de verschillende betalingen leningen dan wel schenkingen waren.
[eisende partij] stelt dat zij vanaf twee bankrekeningen in totaal € 11.795,86 aan [gedaagde partij] heeft geleend. [eisende partij] heeft van slechts een van de bankrekeningen afschriften in het geding gebracht. Daarin is bij geen van de afschrijvingen ten gunste van [gedaagde partij] vermeld dat het een lening dan wel een gift betrof. In de omschrijving bij enkele betalingen komen woorden als ‘
Drone’, ‘
Rust’, ‘
Vakantie’ en ‘
horloge’ voor. Ter zitting zijn deze betalingen besproken. Bij die gelegenheid heeft [eisende partij] verklaard dat haar betaling van € 1.000,00 met de omschrijving ‘
horloge’ geen lening betrof. [gedaagde partij] heeft met dit geld een horloge gekocht dat zij aan hem heeft geschonken. [gedaagde partij] op zijn beurt erkende dat hij € 1.043,00 en
€ 2.456,00 voor een ‘
Drone’ en € 500,00 en € 1.500,00 voor ‘
Vakantie’ aan [eisende partij] moest terugbetalen. Deze bedragen betreffen dus leningen. Over het doel van de betaling van
€ 1.500,00 met de omschrijving ‘
Rust’ waren partijen het ook met elkaar eens, echter niet over de juridische kwalificatie van deze betaling - lening of schenking. Gegeven het doel, een betaling aan de ex-partner van [gedaagde partij] , houdt de kantonrechter het op een lening.
Ter zitting zijn ook nog andere betalingen aan de orde geweest, zoals de door [eisende partij] zonder overleg gedane (restant-)betaling op een door [gedaagde partij] gekochte kast, door [eisende partij] gekochte sportkleding voor de zoon van [gedaagde partij] en een door [eisende partij] voor [gedaagde partij] gekochte camera en hoofdkussen. De kantonrechter gaat ervan uit dat het giften betreft, omdat het gaat om spullen die [eisende partij] aan [gedaagde partij] heeft gegeven. Daarmee komt het geleende bedrag uit op € 6.999,00.
3.5.
De vraag is wat [gedaagde partij] op deze lening heeft afbetaald. [gedaagde partij] stelt dat hij in totaal een bedrag van € 5.232,23 aan [eisende partij] heeft betaald en legt bankafschriften over waaruit dit bedrag zou blijken. Partijen zijn het erover eens dat de betalingen van 12 april 2024 (€ 1.500,00) en 31 mei 2024 (€ 1.000,00) zijn gedaan als aflossing op de lening. De betaling van € 1.500,00 die op 23 februari 2024 is gedaan, kan niet gelden als aflossing van de lening. Zoals ter zitting is besproken, was deze betaling een terugbetaling van het op dezelfde dag door [eisende partij] aan [gedaagde partij] overgemaakte bedrag van € 1.500,00. Dit bedrag heeft de kantonrechter niet meegenomen in het geleende bedrag, omdat het meteen is terugbetaald. De betaling met als omschrijving “auto pin” kan gelet op de omschrijving ook niet gelden als aflossing op de lening en hetzelfde geldt voor betaalde tikkies. Daarmee komt het op de lening afbetaalde bedrag uit op € 2.500,00.
3.6.
[gedaagde partij] betoogt nog dat er tussen partijen geen geldleningsovereenkomst in de zin van artikel 7:129 BW Pro is gesloten. Er zijn bedragen naar hem overgemaakt maar een schriftelijke overeenkomst met afspraken over de aard van de betalingen, rente, looptijd en terugbetaling ontbreekt. Overwogen wordt dat een dergelijk geschrift geen noodzakelijke voorwaarde is voor een rechtsgeldige overeenkomst van geldlening.
3.7.
De conclusie op grond van het bovenstaande is dat [eisende partij] bij wijze van lening(en) aan [gedaagde partij] geld heeft verstrekt en dat [gedaagde partij] gehouden is tot terugbetaling. [gedaagde partij] heeft die terugbetalingsverplichting ook gevoeld en is met [eisende partij] een betalingsregeling overeengekomen. Daarmee staat het bestaan van een overeenkomst van geldlening vast. De vraag is vervolgens voor welk bedrag. In deze procedure heeft [eisende partij] een vordering ter grootte van € 6.999,00 onderbouwd, waarop [gedaagde partij] € 2.500,00 in mindering heeft betaald. Het restant van € 4.499,00 zal [gedaagde partij] nog aan [eisende partij] moeten voldoen. Hij zal daarom tot betaling van dat bedrag worden veroordeeld.
3.8.
Over het verschuldigde bedrag is [gedaagde partij] de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Blijkens haar vordering zou dat volgens [eisende partij] per 1 januari 2025 zijn. Een onderbouwing daarvoor ontbreekt evenwel, zodat de primaire rentevordering niet toewijsbaar is. De rente zal daarom worden toegewezen vanaf de dag waarop de dagvaarding werd uitgebracht.
3.9.
De vordering van [eisende partij] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet aan de wettelijke eisen is voldaan [3] .
3.1
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.122,45
3.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 4.499,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.122,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening wanneer [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:129 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:175 lid 1 BW Pro.
3.In het bijzonder de in artikel 6:96 lid 6 BW Pro vermelde ’14-dagentermijn’ in de invorderingsbrief.