Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1447

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
BRE 24/6869
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15, eerste lid, onder h, Wet op belastingen van rechtsverkeerArt. 5d, eerste lid, onderdeel b, Uitvoeringsbesluit Wet BRVArt. 2 Wet op belastingen van rechtsverkeerArt. 6.33, onderdeel c, Wet inkomstenbelasting 2001Art. 27h, derde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijstelling overdrachtsbelasting bij taakoverdracht woningcomplex door woningcorporaties

Belanghebbende, een woningcorporatie gericht op sociale huisvesting, heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur die de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de overdracht van een woningcomplex had afgewezen.

De rechtbank beoordeelde of de overdracht van het complex een overdracht van een zelfstandig onderdeel van een volkshuisvestelijke taak betrof, zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder h, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV) en het Uitvoeringsbesluit Wet BRV. De rechtbank concludeerde dat de overdracht meer omvat dan alleen onroerende zaken, namelijk ook de intensieve beheerrol en leefbaarheidsdossiers, en daarmee een taakoverdracht is.

De rechtbank verwierp het standpunt van de inspecteur dat niet voldaan zou zijn aan de voorwaarden voor vrijstelling, onder meer omdat de overdrager haar taken in de regio blijft uitoefenen. De rechtbank stelde dat de beoordeling vanuit het perspectief van de overdrager moet plaatsvinden en dat de overdracht van het complex een zelfstandig deel van de taak betreft.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en bepaalde dat de inspecteur de overdrachtsbelasting van € 764.868 moet terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de overdracht van het woningcomplex een taakoverdracht betreft en kent vrijstelling van overdrachtsbelasting toe.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6869

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

Stichting [belanghebbende] , gevestigd in [vestigingsplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 augustus 2024. In die uitspraak heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de door haar op aangifte voldane overdrachtsbelasting van € 767.988 ongegrond verklaard.
1.1.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] , als gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .
1.3.
Van hetgeen ter zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift bij deze uitspraak is gevoegd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onder h, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV) in combinatie met artikel 5d, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Wet BRV van toepassing is op de overdracht van het woningcomplex [adres 1] . Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Niet in geschil is de verschuldigdheid van overdrachtsbelasting over de verkrijging van de vijf vitrines die behoren tot het complex.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing op de overdracht van het woningcomplex [adres 1] . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is een woningcorporatie die zich richt op de reguliere sociale huisvesting in de woningmarktregio West-Brabant en Hart van Brabant en in het bijzonder de gemeenten Tilburg en Oisterwijk.
4.1.
Stichting [stichting] is een woningcorporatie die zich landelijk bezighoudt met de huisvesting van senioren en mensen met een zorgvraag. [stichting] wil voldoende betaalbare woonzorgwoningen realiseren in complexen die aansluiten bij haar doelgroep.
4.2.
Belanghebbende en [stichting] zijn beide aangemerkt als toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19 van Pro de Woningwet. Beide instellingen zijn ook aangemerkt als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI).
4.3.
Bij brief van 25 maart 2021 heeft [stichting] aan collega-corporaties laten weten een aantal complexen te willen verkopen omdat deze niet voldoende aansluiten bij de wensen en behoeften van haar doelgroep.
4.4.
[stichting] heeft op 31 oktober 2023 70 woningen, 5 vitrines, 8 bergingen en verder toebehoren gelegen aan de [adres 1] / [adres 2] te [vestigingsplaats] (het complex [adres 1] ) overgedragen aan belanghebbende. Tegelijkertijd is een lening overgedragen middels contractoverneming gevolgd door objectieve novatie. De woningen in het complex [adres 1] worden verhuurd als sociale huurwoningen.
4.5.
Tussen de gemeente Tilburg en [stichting] zijn geen prestatieafspraken gemaakt. Na de overdracht van het complex [adres 1] is het object onder de gemeentelijke prestatieafspraken die belanghebbende met de gemeente Tilburg heeft gemaakt komen te vallen.

Motivering

5. In geschil is of voor de verkrijging van het complex [adres 1] overdrachtsbelasting verschuldigd is. Partijen zijn het erover eens dat de overdracht plaats heeft gevonden tussen ANBI's, dat er voldoende passiva zijn overgedragen en dat commerciële factoren geen rol spelen. Partijen zijn het er tevens over eens dat geen sprake is van een overdracht van een gehele taak. In geschil is uitsluitend de vraag of sprake is van een overdracht van een zelfstandig onderdeel van een taak. Indien sprake is van een overdracht van een zelfstandig onderdeel van een taak, is niet in geschil dat alle activa die betrekking hebben op de overgedragen taak zijn overgedragen en dat geen sprake is van een overdracht of exploitatie van onroerende zaken.
5.1.
Belanghebbende voert aan dat de overdracht van het complex [adres 1] meer is dan alleen de enkele overdracht van een onroerende zaak en dat sprake is van een taakoverdracht. De overdracht is een zelfstandig deel van de volkshuisvestelijke taak van [stichting] . Indien en voor zover de taakoverdracht plaats dient te vinden vanuit het perspectief van de geografische ligging, is aldus belanghebbende sprake van de overdracht van een zelfstandig deel van de volkshuisvestelijke taak door de overdracht van alle woningen in een afgebakende wijk/buurt. Als wordt gekeken vanuit het perspectief van de doelgroep, dan kwalificeert de gefaseerde overdracht van alle complexen die niet geschikt zijn (te maken) voor ouderen met een zorgvraag aan verschillende woningcorporaties als een overdracht van een (zelfstandig deel van) de volkshuisvestelijke taak van [stichting] .
5.2.
De inspecteur stelt dat niet voldaan wordt aan alle voorwaarden van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onder h, van de Wet BRV. Zo is er geen sprake van een zelfstandig onderdeel van een taak omdat slechts een woningcomplex behorend tot een taakonderdeel is overgedragen. Ook vanuit geografisch perspectief wordt niet aan de voorwaarde voldaan omdat [stichting] haar volkshuisvestelijke taken blijft uitoefenen in [vestigingsplaats] .
5.3.
Op grond van artikel 2 van Pro de Wet BRV is overdrachtsbelasting verschuldigd over de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Bij een taakoverdracht kan sprake zijn van vrijstelling van overdrachtsbelasting op grond artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet BRV. Dat artikellid luidt als volgt:
“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging:
[…]
h. bij fusie, splitsing, interne reorganisatie en taakoverdracht tussen verenigingen als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of algemeen nut beogende instellingen;”
5.4.
De voorwaarden voor toepassing van de in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet BRV zijn uitgewerkt in artikel 5d van het Uitvoeringsbesluit Wet BRV. Voor zover van belang luidt dat artikel als volgt:
“1. De in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de wet bedoelde vrijstelling is op een verkrijging door een vereniging als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een algemeen nut beogende instelling van toepassing:
[…]
ij een taakoverdracht tussen twee of meer van deze verenigingen of instellingen, indien in het kader daarvan alle activa en passiva die betrekking hebben op de overgedragen taak aan de verkrijgende vereniging of instelling worden overgedragen, mits bij de overdracht commerciële factoren geen rol spelen.
2. De vrijstelling is niet van toepassing op de verkrijging indien de overdracht uitsluitend de exploitatie van onroerende zaken inhoudt of de afzonderlijke overdracht van onroerende zaken betreft of als de onroerende zaken niet worden aangewend voor de overgedragen taak.
5.5.
De beoordeling of sprake is van een taakoverdracht moet naar het oordeel van de rechtbank beoordeeld worden vanuit de overdrager. De tekst van artikel 15 van Pro de Wet BRV spreekt immers over de overdracht van een taak, en niet over de verkrijging van een taak. [1]
5.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is de overdracht van het complex [adres 1] een overdracht van een zelfstandig onderdeel van de taak van [stichting] . Er is niet enkel sprake van een overdracht van een losse onroerende zaak. De rechtbank acht in dat verband relevant dat [stichting] zich in het algemeenheid ten doel heeft gesteld om de reguliere sociale huisvesting af te stoten. Daar komt bij dat bij de overdracht relevant is geweest dat de ondersteuning die [stichting] aan de huurders van de sociale huurwoningen aanbood, zou worden voortgezet. Belanghebbende doet als woningcorporatie meer dan alleen de verhuur van een woning. Een woningcorporatie heeft hiertoe namelijk een wettelijke taak op basis van de Woningwet. Belanghebbende heeft onweersproken aangevoerd dat zij rondom het verworven complex veel huurwoningen in eigendom heeft met een intensieve beheerrol, met een dekkend netwerk van woonconsulenten, buurtbeheerders en samenwerkingsverbanden met maatschappelijke partijen. Ter zitting is verder nog gebleken dat met de overdracht van het complex ook leefbaarheidsdossiers zijn overgedragen. Hierin is de sociale problematiek van de huurders opgenomen ten behoeve van de uitvoering van de intensieve beheerrol die ook is overgedragen.
5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt dan ook voldaan aan de vereisten van artikel 15, eerste lid, onder h, van de Wet BRV juncto artikel 5d, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Wet BRV. Belanghebbende heeft daardoor recht op de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de overdracht van het complex [adres 1] .

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Belanghebbende heeft recht op een teruggave van overdrachtsbelasting van € 764.868. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde van € 666. Ten aanzien van de beroepsfase heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. De vergoeding bedraagt in totaal € 2.534. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur een teruggaaf overdrachtsbelasting van € 764.868, vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening, dient te verlenen;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.534 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. drs. J.H. Bogert en mr. M.A.M. van Meer, leden, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
voorzitter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [2]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8079, r.o. 5.7.
2.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.