ECLI:NL:RBZWB:2026:1455

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/02/440369 / JE RK 25-1756 en C/02/442836 / JE RK 25-2200
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging gesloten jeugdzorg en afwijzing voorwaardelijke machtiging voor minderjarige

De zaak betreft verzoeken van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom om machtigingen voor gesloten jeugdhulp en gesloten jeugdzorg voor een minderjarige geboren in 2010. Eerdere machtigingen liepen van april 2025 tot februari 2026, waarbij zowel gesloten plaatsing als voorwaardelijke machtigingen werden verleend en aangehouden.

Tijdens de zitting op 3 februari 2026 werd vastgesteld dat de minderjarige zich goed gedraagt binnen de gesloten setting, haar vrijheden zijn uitgebreid en de verloven verlopen positief. De opa moederszijde, belast met het ouderlijk gezag, ondersteunt verlenging van de gesloten plaatsing om stabiliteit en therapie mogelijk te maken. De minderjarige zelf geeft aan dat het goed gaat, maar uit bezorgdheid over het gebrek aan therapie en wil graag naar een open groep of kamertraining zodra mogelijk.

De kinderrechter erkent de positieve ontwikkeling maar wil terugval voorkomen door de gesloten machtiging te verlengen. Er wordt nadruk gelegd op het starten van systemische hulpverlening en therapie, en het voorbereiden op een overgang naar een hybride of open groep. De voorwaardelijke machtiging wordt afgewezen omdat deze opnieuw moet worden aangevraagd.

De beslissing is dat de machtiging gesloten jeugdzorg wordt verlengd van 17 februari tot 17 juni 2026, en het resterende verzoek om een voorwaardelijke machtiging wordt afgewezen. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De machtiging gesloten jeugdzorg wordt verlengd met vier maanden en het resterende verzoek om een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/440369 / JE RK 25-1756 (
voorwaardelijke gesloten plaatsing)
C/02/442836 / JE RK 25-2200
(gesloten plaatsing)
Datum uitspraak: 3 februari 2026
nadere beschikking van de kinderrechter over een (voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaken van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE BERGEN OP ZOOM, hierna te noemen: het college,
zetelende te Bergen op Zoom.
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. M. Timmermans-Roelands te Bergen op Zoom.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de opa mz] ,
hierna te noemen: de opa moederszijde (hierna: mz),
wonende te [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedures

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van deze rechtbank van 17 december 2025 met bijlagen;
  • het e-mailbericht met bijlagen van het college van 27 januari 2026;
  • de verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper van 28 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] , die voorafgaand aan de mondelinge behandeling ook een apart gesprek met de kinderrechter heeft gevoerd, bijgestaan door haar advocaat;
  • de opa mz;
- twee vertegenwoordigsters van het college.

2.De feiten

2.1.
De opa mz is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 16 april 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 16 april 2025 en tot 16 juli 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.3.
Bij beschikking van 8 juli 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 16 juli 2025 en tot 16 oktober 2025.
2.4.
Bij beschikking van 13 oktober 2025 is er een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 13 oktober 2025 en tot 13 januari 2026. Het overige deel is aangehouden.
2.5.
Bij beschikking van 17 december 2025 is het resterende deel van het verzoek om een voorwaardelijke machtiging voor [minderjarige] af te geven en haar uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp aangehouden. Hiernaast is er een machtiging gesloten jeugdzorg voor [minderjarige] verleend met ingang van 17 december 2025 en tot 17 februari 2026. Het resterende deel van dit verzoek is ook aangehouden.

3.De verzoeken

C/02/440369 / JE RK 25-1756
3.1.
Het college verzoekt om voor [minderjarige] een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van zes maanden.
3.2.
Momenteel ligt nog voor het resterende deel van het verzoek, te weten om een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden.
C/02/442836 / JE RK 25-2200
3.3.
Het college verzoekt een machtiging gesloten jeugdzorg te verlenen voor [minderjarige] voor de duur van zes maanden.
3.4.
Momenteel ligt nog voor het resterende deel van het verzoek, te weten om een machtiging gesloten jeugdzorg te verlenen voor [minderjarige] voor de duur van vier maanden, namelijk van 17 februari 2026 tot 17 juni 2026.

4.De standpunten

4.1.
Het college stelt dat [minderjarige] het goed heeft gedaan op de groep in de afgelopen periode. Ze kwam de regels en afspraken na, ze is elke dag naar school gegaan, ze is goed aanspreekbaar en ze blijft in contact met de groepsleiding. Als [minderjarige] bijvoorbeeld boos of geïrriteerd is, kan ze hier op een goede manier mee omgaan. [minderjarige] heeft vrijheden opgebouwd; ze meerdere keren per week haar telefoon, ze mag zelfstandig op het terrein zijn en ze mag zelfstandig gaan sporten in [plaats 1] . Hiernaast gaat [minderjarige] sinds het nieuwe jaar zelf naar de opa mz of naar de moeder op weekendverlof. Dit verloopt goed; de opa mz en [minderjarige] hebben de verbinding samen weer gevonden. De vrijheden worden momenteel snel uitgebouwd. Dit gaat goed, maar [minderjarige] kan wel terugvallen in verzet en zich afsluiten als dingen anders gaan dan ze verwacht. Hier moet dan ook behandeling voor worden opgestart. Ook is de mentor van de groep op huisbezoek geweest bij de moeder. Het was erg vervuild en rommelig in huis en de moeder maakte een onverzorgde indruk. De hulpverlening geeft aan dat de moeder uitbehandeld is. De moeder ziet [minderjarige] vooral als gelijke en biedt nauwelijks zorg, structuur en grenzen. De verloven bij de moeder kunnen doorgang vinden, maar er moet wel aandacht voor de geconstateerde problemen zijn en het gesprek moet nogmaals met de moeder worden aangegaan. Vanuit [hulpverlening] kan wel systeembehandeling worden geboden aan de moeder en aan de opa mz.
[minderjarige] had een traumatherapeut in [plaats 2], maar helaas kan ze deze therapie niet vanuit [plaats 3] voortzetten. Er is wel digitaal contact geweest, maar dit leverde weinig op. Het zou goed zijn als [minderjarige] ook schematherapie en/of cognitieve gedragstherapie zou krijgen. Omdat de machtiging op het moment van het inzetten van therapie nog maar twee maanden duurde, is er nog geen therapie ingezet. [minderjarige] heeft daarnaast aangegeven dat ze naar kamertraining wil. Dit is uiteindelijk passend, maar hiervoor moet ze 16 jaar zijn en ze heeft bescherming en behandeling nodig voordat ze hier terecht kan. Hierbij is het niet mogelijk om vanuit geslotenheid naar deze kamertraining te gaan. Daarom wil ze eerst naar een open of hybride groep. Ze wil in de buurt van de moeder wonen en ze wil dat de open groep een school en een sportschool regelt. De open groepen geven echter aan dat [minderjarige] eerst haar vrijheden uit moet breiden en er moet gewerkt worden aan haar intrinsieke motivatie voor een open groep. Een tussenstap zou kunnen zijn de overstap naar de hybridegroep op [hulpverlening] in [plaats 3] . Hier kan [minderjarige] gaan oefenen, maar hier is wel een gesloten machtiging voor nodig. Helaas is er wel een wachttijd voor deze groep; waarschijnlijk tot de zomervakantie.
4.2.
Door de opa mz is gesteld dat de weekenden dat [minderjarige] bij hem perfect verlopen. Ze houdt zich aan de regels en gedraagt zich goed. Als ze een langere periode bij de opa mz is, dan ontstaan er wel wat meer spanningen. De opa mz denkt dat [minderjarige] te goed haar best doet en daardoor op haar tenen loopt. Op een gegeven moment kan ze dit niet meer volhouden. De opa mz ziet dat als [minderjarige] bij de moeder verblijft, ze om 2:00 uur nog op haar telefoon zit en dat ze er soms zelfs tot 4:30 uur nog opgezeten heeft. Het is moeilijk voor [minderjarige] om dit zelf te reguleren als er geen of minder regels zijn. De opa mz vindt dat de machtiging gesloten plaatsing moet worden verlengd. Het gaat momenteel goed met [minderjarige] op de groep, bij opa mz en op school. Als de gesloten plaatsing stopt, betekent dat ook dat ze opnieuw niet meer naar school kan gaan. Het is wel goed dat [minderjarige] , zodra het kan, naar de hybride groep wordt overgeplaatst. Dan kan er daarna worden beoordeeld of [minderjarige] naar de kamertraining kan. Op de groep waar ze momenteel verblijft is nauwelijks behandeling geweest, omdat ze er maar korte tijd zit. Door de opa mz mag ze nu meer haar telefoon bij zich houden, mag ze naar buiten en mag ze vier keer per week zelfstandig sporten. Met een verlenging van de gesloten plaatsing kan er ook therapie op worden gestart en kan er voor een langere periode stabiliteit aan [minderjarige] worden geboden. Hiernaast heeft de zus van opa mz een goede band met [minderjarige] en kan zij eventueel als buddy voor haar fungeren.
4.3.
Door en namens [minderjarige] is gesteld dat het goed met haar gaat. De groep waar ze nu zit is erg onrustig, omdat er kinderen met verschillende problematiek bij elkaar geplaatst zijn. Ze staat open voor therapie en zou graag een buddy willen, zodat ze met iemand kan praten. Ze ziet hulpverlening alleen niet zo snel gebeuren, omdat er in de afgelopen maanden bij [hulpverlening] ook niets aan therapie is opgestart. [minderjarige] heeft nog wel telefonisch contact met haar EMDR-therapeut. Met het uitbreiden van haar vrijheden gaat het goed. [minderjarige] mag een uur per dag haar telefoon en de telefoon mag ook mee op verlof. Ook mag ze een uur alleen een rondje lopen op het terrein en mag zelfstandig gaan sporten in [plaats 1] . [minderjarige] gaat naar de moeder en naar de opa moederszijde op verlof. Dit verloopt goed. Het gaat ook beter met haar zus, omdat zij ook therapie volgt. De moeder heeft, net als de opa mz, regels voor haar. Ze moet bijvoorbeeld haar locatie aanzetten als ze weggaat en ze moet om 12 uur ’s nachts de lichten uit doen en gaan slapen. Tussen de opa mz en [minderjarige] gaat het weer goed. [minderjarige] vindt het lastig te begrijpen dat er door de gedragswetenschapper wordt geadviseerd de gesloten machtiging te verlengen, terwijl het zo goed met haar gaat. Ze krijgt het gevoel dat ze voor niets haar best doet. Het restant van het verzoek gesloten plaatsing moet dan ook worden afgewezen. Ze kan dan naar een open groep of naar opa mz. Als ze 16 jaar is, wil ze naar kamertraining. [minderjarige] heeft geleerd van haar fouten en ze weet inmiddels wat haar valkuil is. Ze wil dan ook op een open groep bij [hulpverlening] of in [plaats 4] terecht komen, zodat ze een nieuwe start kan maken en niet meer met haar oude netwerk in aanraking komt. Dit kan op basis van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. Het plan met de hybride groep kan niet van start gaan, want ze kan hier niet terecht tot de zomervakantie door de wachtlijst.

5.De verdere beoordeling

5.1.
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het goed gaat met [minderjarige] binnen de gesloten setting in [plaats 3] . [minderjarige] houdt zich aan de regels, doet goed haar best, gaat naar school en haar vrijheden kunnen steeds meer worden uitgebreid. Ook de verloven verlopen goed. De kinderrechter wil [minderjarige] hier dan ook een compliment voor geven. Echter is het eerder fout gegaan op het moment dat de gesloten machtiging te snel werd afgesloten. Dit wil de kinderrechter nu voorkomen. Hij wil [minderjarige] de tijd geven om te stabiliseren, om hulpverlening aan te gaan en om haar vrijheden op haar tempo steeds meer uit te breiden, zodat de kans op een terugval zo klein mogelijk is. Hij zal het restant van de gesloten machtiging dan ook toewijzen. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er in de komende periode systemische hulpverlening en hulpverlening voor [minderjarige] wordt opgestart, maar ook dat er een gesprek met de moeder wordt aangegaan over het verloop van de verloven van [minderjarige] bij de moeder. Als het zo goed blijft gaan met [minderjarige] als nu en ze hulpverlening aangaat, is het belangrijk om kamertraining in te zetten op het moment dat [minderjarige] zestien jaar is. Omdat het niet mogelijk is om naar kamertraining te gaan vanuit een gesloten groep, is het belangrijk dat [minderjarige] , als zij hieraan toe is, wordt overgeplaatst naar een hybridegroep, een open groep of eventueel naar opa mz als hij hier tegen die tijd voor open staat. Hiervoor is wel de innerlijke motivatie van [minderjarige] nodig. Hier kan op worden ingezet tijdens haar behandeling. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat [minderjarige] deze punten serieus op zal pakken en haar best blijft doen.
5.2.
Omdat het restant van de machtiging gesloten jeugdhulp is toegewezen, zal de kinderrechter het restant van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp afwijzen. Als er een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp nodig is, moet dat opnieuw worden verzocht.

6.De beslissing

De kinderrechter:
C/02/442836 / JE RK 25-2200
6.1.
verlengt de machtiging gesloten jeugdzorg voor [minderjarige] voor de duur van vier maanden, namelijk van 17 februari 2026 tot 17 juni 2026;
C/02/440369 / JE RK 25-1756
6.2.
wijst het resterende deel van het verzoek om een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint, griffier, en op schrift gesteld op 11 februari 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.