ECLI:NL:RBZWB:2026:1471

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
02.225734.25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling productie en bezit van grote hoeveelheden amfetamine en andere drugs

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 6 maart 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van het produceren van amfetamine en het bezit van grote hoeveelheden hard- en softdrugs. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 20 februari 2026, waarbij procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging werden gemaakt. Verdachte erkende niet formeel schuld, maar stemde in met de bewezenverklaring en strafoplegging conform de afspraken.

De tenlastelegging betrof het bereiden, bewerken en/of verwerken van 156,5 liter amfetamineolie en 9.800 gram amfetaminepasta, alsmede het bezit van 1.707,59 gram MDMA, 5.288,55 gram methamfetamine en 9.620 gram hennep. De rechtbank achtte deze feiten wettig en overtuigend bewezen, terwijl andere tenlastegelegde feiten werden vrijgesproken.

De rechtbank overwoog dat de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt, waarbij het LOVS-oriëntatiepunt voor productie van meer dan 20 kilo harddrugs meer dan 50 maanden is. Desondanks legde de rechtbank, gelet op de procesafspraken, een gevangenisstraf van 40 maanden en een geldboete van € 10.000,- op. Tevens werd de voorwaardelijke gevangenisstraf van 178 dagen uit een eerdere zaak ten uitvoer gelegd wegens overtreding van de proeftijd.

De strafoplegging houdt rekening met de omvang van de drugshandel, de maatschappelijke gevaren en het strafblad van verdachte. De rechtbank benadrukte dat verdachte vrijwillig en bewust instemde met de procesafspraken en dat de straf in redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf en €10.000 boete voor productie en bezit van grote hoeveelheden drugs, met tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straf.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02.225734.25
Parketnummer TUL: 05.195958.22
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsman mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in 't Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv). De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: in de periode van 29 juli 2025 tot en met 20 augustus 2025, al dan niet samen met anderen, 156,5 liter amfetamineolie en 9.800 gram amfetaminepasta heeft bereid, bewerkt en/of verwerkt, dan wel dit aanwezig heeft gehad en 1.707,59 gram MDMA en 5.288,55 gram methamfetamine aanwezig heeft gehad;
feit 2: op 20 augustus 2025 9.620 gram hennep aanwezig heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De procesafspraken

4.1.
De overeenkomst
Het Openbaar Ministerie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, hebben procesafspraken gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. Deze procesafspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die door verdachte, zijn raadsman en door de officier van justitie is ondertekend. De overeenkomst is ter zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.
Samengevat en voor zover hier relevant houden de procesafspraken het volgende in:
De verdediging
  • De verdachte zal geen (nadere) onderzoekswensen indienen en/of (inhoudelijke) verweren voeren.
  • Verdachte hoeft geen schuld te erkennen. De verdediging en verdachte geven echter door ondertekening van deze procesafspraken richting rechtbank en Openbaar Ministerie aan dat de feiten en kwalificatie zoals tussen Openbaar Ministerie en verdediging vastgesteld in de bijlage A (juridisch gezien) bewezen kunnen worden verklaard en dat er geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd;
  • Verdachte bevestigt middels ondertekening van deze overeenkomst dat al het
strafvorderlijk beslag is afgehandeld;
  • De verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging (hoogstwaarschijnlijk) zal leiden tot een veroordeling van de strafbare feiten als omschreven in de tenlastelegging;
  • Verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken en meewerken aan de tenuitvoerlegging en executie van de op te leggen straf.
Het Openbaar Ministerie
 Het Openbaar Ministerie zal ter zitting rekwireren tot:
- Bewezenverklaring van de aan verdachte tenlastegelegde feiten (conform de inhoud van de bijlage onder A);
- Een strafoplegging als hieronder weergegeven:
• Een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden (met aftrek);
• Een geldboete van 10.000 euro te vervangen door 75 dagen hechtenis;
• De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling inzake 05.195958.22 inhoudende een gevangenisstraf van 178 dagen.
 Het Openbaar Ministerie heeft geen ontnemingsvordering tegen de verdachte aanhangig gemaakt en zal dat - indien de procesafspraken door de rechtbank worden gevolgd - ook niet (meer) doen.
Verder is onderdeel van de overeenkomst dat door de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep zal worden ingesteld, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de gemaakte procesafspraken.
4.2.
Het toetsingskader en de toetsing in deze zaak
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte gemaakte procesafspraken af te doen. Bij deze beoordeling zijn de uitgangspunten, zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van
27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252) leidend geweest.
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 20 februari 2026, alwaar de inhoud van de overeenkomst ter zitting is besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte weloverwogen en vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om in te stemmen met deze procesafspraken en de daarmee gepaard gaande (mogelijke) gevolgen daarvan. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt.
De voorzitter heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de gemaakte procesafspraken en niet gehouden is tot naleving ervan. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv leidend is geweest.

5.De beoordeling van het bewijs

5.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht overeenkomstig de procesafspraken het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweren gevoerd.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Nu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen de feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
5.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 29 juli 2025 tot en met 20 augustus 2025 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt:
- ongeveer 156,5 liter amfetamineolie en
- ongeveer 9.800 gram amfetaminepasta,
heeft aanwezig gehad ongeveer 1.707,59 gram MDMA en ongeveer 5.288,55 gram methamfetamine,
zijnde amfetamine en MDMA en methamfetamine telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
op 20 augustus 2025 te Tilburg opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9.620 gram hennep, zijnde hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert conform de gemaakte procesafspraken een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 10.000,-.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig de gemaakte procesafspraken geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft samen met anderen in zijn huurwoning grote hoeveelheden amfetamine geproduceerd. In totaal is een hoeveelheid van 156,5 liter amfetamineolie aangetroffen, waarmee ruim 300 kilogram onversneden amfetaminepasta kan worden gemaakt, en bijna 10 kilo amfetaminepasta. De groothandelswaarde hiervan ligt ergens tussen de
€ 163.000,- en € 216.000,- en de minimale straatwaarde ergens tussen de drie en vier miljoen euro. Verder zijn in de woning grote hoeveelheden hard- en softdrugs aangetroffen, te weten 5.288,55 gram methamfetamine, 1.707,59 gram MDMA en 9.620 gram hennep, alsmede een grote hoeveelheid contant geld.
Het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs uitermate winstgevend is. Door die handel wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert dat die handel vaak gepaard gaat met vele vormen van criminaliteit, waaronder het gebruik van geweld. Verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en was uitsluitend uit op eigen financieel gewin. Bovendien heeft verdachte kennelijk weinig waarde gehecht aan het gevaarzettende karakter dat deze vormen van harddrugsproductie midden in een woonwijk met zich meebrengt voor omwonenden en willekeurige voorbijgangers.
Strafblad
Uit het strafblad van 10 oktober 2025 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.
Strafoplegging
Gelet op de aard en de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten. Voor de productie van meer dan 20 kilo harddrugs is het oriëntatiepunt al meer dan 50 maanden gevangenisstraf. Evenals de officier van justitie acht de rechtbank daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 55 maanden en een geldboete van € 15.000,- passend en geboden. Naar aanleiding van de gemaakte procesafspraken komt de rechtbank echter tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. Daarbij overweegt de rechtbank dat de gemaakte procesafspraken een efficiënte en voortvarende behandeling en een effectieve afdoening van de zaak dienen. De overeengekomen straffen, bestaande uit een gevangenisstraf en een geldboete, staan bovendien in een redelijke verhouding tot de ernst van de feiten en de omstandigheden van het geval.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door het Openbaar Ministerie en de verdachte overeengekomen straf zoals is neergelegd in de overeenkomst van procesafspraken hier een passende straf is. De rechtbank zal dan ook een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 10.000,- opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.

8.De vordering tenuitvoerlegging

Als onderdeel van de procesafspraken heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 178 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 9 januari 2023 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
feit 2:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 40 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot
betaling van een geldboete van € 10.000,-;
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
75 dagen;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 9 januari 2023 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 05.195958.22
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten
178 dagen gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter, mr. R.J.H. de Brouwer en
mr. P.K.J. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 6 maart 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2025 tot en met 20 augustus
2025 te Tilburg
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval aanwezig heeft
gehad:
- ongeveer 156,5 liter amfetamineolie en/of
- ongeveer 9.800 gram amfetaminepasta, in elk geval een
hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,
heeft aanwezig gehad:
- ongeveer 1.707,59 gram, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende MDMA en/of
- ongeveer 5.288,55 gram, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende methamfetamine,
zijnde amfetamine en/of MDMA en/of methamfetamine, (telkens) een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1;
(art 10 lid 4 Opiumwet Pro, art 2 ahf Pro/ond B Opiumwet, art 2 ahf Pro/ond C
Opiumwet, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 20 augustus 2025 te Tilburg
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 9.620 gram,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst II;
(art 11 lid 2 Opiumwet Pro, art 3 ahf Pro/ond C Opiumwet)