ECLI:NL:RBZWB:2026:1486

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
7 maart 2026
Zaaknummer
C/02/439582 / FA RK 25-4583
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag bijzondere curator na herstel contact minderjarige met ouders

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een rekestprocedure betreffende de bijzondere curator van een minderjarige geboren in 2008, die momenteel verblijft bij haar ouders. De bijzondere curator was benoemd om de wensen en behoeften van de minderjarige te onderzoeken en te rapporteren over de rol van de ouders in haar leven, alsmede de mogelijkheden voor een minnelijke regeling.

Uit het rapport van de bijzondere curator bleek dat de minderjarige, die binnenkort 18 jaar wordt, intensieve hulpverlening heeft ontvangen die zich in een afrondende fase bevindt of reeds is afgesloten. Het contact tussen de minderjarige en haar ouders is hersteld en er wordt gewerkt aan terugkeer naar het ouderlijk huis, wat ook de wens van de minderjarige is. De bijzondere curator gaf aan onvoldoende wettelijke middelen te hebben om nog zinvol op te treden gezien de leeftijd van de minderjarige.

De minderjarige gaf aan geen behoefte meer te hebben aan de bijstand van de bijzondere curator. De kinderrechter oordeelde dat de bijzondere curator haar taak heeft volbracht en besloot haar te ontslaan van haar taak. De zaak wordt hiermee gesloten met deze beschikking.

Uitkomst: De bijzondere curator wordt ontslagen van haar taak omdat het contact tussen de minderjarige en haar ouders is hersteld en de minderjarige geen behoefte meer heeft aan bijstand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/439582 / FA RK 25-4583
datum uitspraak: 6 februari 2026
nadere beschikking over een bijzondere curator
in de zaak van
[minderjarige],
hierna te noemen: [minderjarige] ,
geboren in [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2008,
momenteel verblijvende in [woonplaats 1] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
mr. D.J.A. BURLET,kantoorhoudende te Oostburg,
in haar hoedanigheid als bijzondere curator over [minderjarige] ,
hierna te noemen de bijzondere curator.

1.Het verdere procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 18 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de bijzondere curator van 18 december 2025.

2.De verdere beoordeling

2.1
Bij beschikking van 18 november 2025 is mr. Burlet benoemd tot bijzondere curator voor [minderjarige] . Aan haar is gevraagd de volgende vragen te onderzoeken en te beantwoorden en de rechtbank daarover te rapporteren:
- wat de wensen en behoeften van [minderjarige] zijn;
- wat de verwachting is ten aanzien van de rol van de ouders in het leven van [minderjarige] .
Tevens diende de bijzondere curator te onderzoeken of een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort.
De zaak is aangehouden tot 18 december 2025 pro forma in afwachting van het rapport van de bijzondere curator.
2.2
De bijzondere curator heeft op 18 december 2025 aan de rechtbank laten weten dat er sprake is van een meisje dat [geboortedag] 2026 18 jaar oud wordt. Er is daarnaast sprake van een forse inzet aan hulpverlening voor [minderjarige] , welke gezien haar leeftijd zich of in een afrondende fase bevindt of reeds is afgesloten. De voor [minderjarige] meest dringende zaken op dit moment zijn volgens de vader en [minderjarige] met de ouders uitgesproken. Hoewel de bijzondere curator ernstig haar bedenkingen heeft bij de situatie heeft ze op dit moment te weinig wettelijke middelen tot haar beschikking welke nog zinvol zijn om in te zetten gezien de
leeftijd van [minderjarige] . Daarnaast heeft ze onvoldoende inzicht in de persoonlijke problematiek
van [minderjarige] om te kunnen beoordelen of dit wellicht van invloed is geweest op hetgeen nu
gebeurt. De bijzondere curator hoopt [minderjarige] voldoende handvaten te hebben meegegeven waar zij gebruik van kan maken na haar 18e verjaardag, mocht dat nodig zijn. Daarnaast heeft ze aan [minderjarige] meegegeven dat zij ook na haar 18e de mogelijkheid heeft om contact met de bijzondere curator op te nemen indien ze iets voor haar kan betekenen.
Voor de wensen die [minderjarige] heeft aangegeven na haar 18e jaar is, voor zover deze wensen nog van toepassing zijn, voor [minderjarige] voldoende duidelijk wat hiervoor nodig is. Het contact tussen [minderjarige] en de ouders is hersteld en er wordt gewerkt aan het terug thuis wonen van [minderjarige] bij de ouders. [minderjarige] geeft aan dat dit ook haar wens is.
Gezien de korte resterende tijd tot aan de 18e verjaardag van [minderjarige] is de bijzondere curator van mening dat indien zich op termijn problemen voordoen, dit dan vanuit de ‘volwassen’ wetgeving zal moeten worden benaderd.
Aangezien [minderjarige] heeft aangegeven dat zij niet langer behoefte heeft aan de bijstand van de bijzondere curator en deze ook niet nodig vindt nu het contact met de ouders is hersteld, verzoekt de bijzondere curator haar te ontslaan van haar taak als bijzondere curator.
2.3
Op 19 januari 2026 is [minderjarige] gevraagd of ze nog behoefte heeft aan een gesprek met de kinderrechter. [minderjarige] heeft hier niet op gereageerd.
2.4
De kinderrechter is van oordeel dat de bijzondere curator haar taak heeft volbracht. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de bijzondere curator ontslaan van haar taak als bijzondere curator voor [minderjarige] en zal hij de onderhavige zaak sluiten met deze beschikking.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
ontslaat mevrouw mr. D.J.A. Burlet van haar taak als bijzondere curator van [minderjarige] ;
3.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026, in tegenwoordigheid van drs. Swint, griffier.