ECLI:NL:RBZWB:2026:1487

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
7 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443451 / JE RK 25-2308
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens beperkte draagkracht vader en behoud contact minderjarige

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die sinds 2018 onder toezicht staat vanwege bedreiging van haar ontwikkeling. De vader en moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, waarbij de minderjarige bij de moeder woont. De omgang tussen de vader en de minderjarige verliep aanvankelijk goed, maar na een relatiebreuk van de vader in 2025 is het contact gestagneerd door zijn verslechterde psychische en fysieke gezondheid.

De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt om verlenging van de ondertoezichtstelling voor negen maanden, terwijl de vader instemt met een verlenging van zes maanden en afstand neemt van de minderjarige. De moeder en de Raad voor de Kinderbescherming steunen de verlenging van zes maanden, waarbij de Raad benadrukt dat het behoud van enig contact tussen vader en kind onderzocht moet worden, ondanks de beperkte draagkracht van de vader.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld omdat de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds wordt bedreigd en het contact met de vader niet onbelast is. Er wordt een andere medewerker van de GI ingezet om het contact te onderzoeken en de minderjarige wordt betrokken bij de besluitvorming. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 6 augustus 2026, met de mogelijkheid tot afronding en een warme overdracht van hulpverlening. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met zes maanden vanwege de beperkte draagkracht van de vader en het belang van het onderzoeken van contactmogelijkheden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443451 / JE RK 25-2308
Datum uitspraak: 4 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Eindhoven,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 december 2025;
  • het bericht van de GI met bijlage, ontvangen op 29 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder;
  • een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Daar heeft zij geen gebruik van gemaakt.
1.4.
Het verzoek is vanwege de nauwe samenhang gelijktijdig behandeld met de bodemprocedure met zaaknummer: C/02/420299 / FA RK 24-1301. In die procedure zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 7 november 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 april 2025, met ingang van 6 mei 2025 en tot 6 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de ingediende stukken. De omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader is van april 2025 tot en met oktober 2025 goed verlopen. De GI was daarom voornemens om toe te werken naar een afsluiting van de ondertoezichtstelling. In de zomervakantie van 2025 is echter de relatie van de vader beëindigd. Sindsdien zijn er opnieuw zorgen over de psychische gesteldheid en de draagkracht van de vader. Hierdoor is het contact met [minderjarige] opnieuw gestagneerd. Dit maakt dat de ondertoezichtstelling nog niet kan worden afgesloten. De GI wil de komende periode onderzoeken of en hoe de omgang tussen de vader en [minderjarige] kan worden hervat en wat de draagkracht van de vader daarin is. De GI is geschrokken door de eenzijdige beslissing die de vader heeft genomen. De GI is bereid om mee te denken in wat er haalbaar is voor de vader, zodat er enige vorm contact mogelijk blijft met [minderjarige] . Daarvoor zal de GI intern overleggen of het mogelijk is om een andere collega in te zetten voor de komende gesprekken die hierover zullen moeten worden gevoerd. Het zal voor [minderjarige] moeilijk zijn dat er bewust door de vader wordt gekozen om geen dan wel minimaal contact met haar te onderhouden. De jeugdbeschermer heeft recent met [minderjarige] gesproken over het contact met de vader. Zij vindt het prima om de contacten op dinsdag voort te zetten, waarbij zij het liefst door de omgangsbegeleidster naar huis wordt gebracht. Zij heeft er geen bezwaar tegen dat de weekenden niet meer plaatsvinden.
4.2.
Door en namens de vader is ingestemd met een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden om te komen tot een afronding. Nu de vader heeft besloten om afstand van [minderjarige] te nemen, zijn er binnen de ondertoezichtstelling geen doelen meer om aan te werken. De ondertoezichtstelling kan dan ook worden afgerond. De vader heeft een lastige periode achter de rug na de relatiebreuk met zijn ex-partner. De vader heeft zowel psychische als lichamelijk problemen, waarbij er vermoedelijk sprake is van MS. De vader slaapt veel, ervaart problemen met de linkerhelft van zijn lichaam, heeft last van krachtverlies en zal veel onderzoeken moeten ondergaan. Dit vergt veel van de vader en de vader wil het [minderjarige] niet aandoen om dit te moeten meemaken. De vader voelt zich door de GI niet gehoord en is niet bereid om opnieuw een traject aan te gaan gericht op hervatten van het begeleide contact met [minderjarige] . De vader staat achter deze beslissing en heeft dit met de kindercoach van [minderjarige] besproken. De vader staat ervoor open om hierover uitleg te geven aan [minderjarige] . De vader wil niet met de huidige jeugdbeschermer in gesprek. Wel is de vader bereid om een afsluitend gesprek te voeren met een andere medewerker van de GI.
4.3.
De moeder stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden. De moeder is geschrokken van hetgeen de vader heeft verteld en door de beslissing die de vader als gevolg daarvan neemt. De moeder zou graag willen dat er enige vorm van contact wordt behouden tussen [minderjarige] en de vader. Het is nu steeds dezelfde teleurstelling die [minderjarige] ervaart. De moeder is bereid om daarover in gesprek te gaan en zal [minderjarige] daarin opvangen.
4.4.
De Raad adviseert om de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden te verlengen. Het resterende deel van de ondertoezichtstelling kan worden afgewezen. De Raad vindt de eenzijdige beslissing van de vader om afstand te nemen van [minderjarige] niet in haar belang. [minderjarige] is gehecht aan de vader en hiermee krijgt zij de boodschap dat iemand die belangrijk voor haar is, plotseling kan besluiten om er niet meer te zijn. [minderjarige] is niet gehoord en betrokken in dit proces. Het is belangrijk dat er de komende periode wordt onderzocht of het mogelijk is om ondanks de beperkte draagkracht van de vader enige vorm van contact te behouden tussen de vader en [minderjarige] . Daarbij geeft de Raad de GI mee om voor dat gesprek een andere collega in te zetten dan de huidige jeugdbeschermer, vanwege de vertrouwensbreuk die de vader met de huidige jeugdbeschermer ervaart. Vervolgens kan er worden toegewerkt naar de afronding van de ondertoezichtstelling, waarbij er op regelmatige basis contact is tussen [minderjarige] en de vader maar waar er niet continu sprake is van controle. [minderjarige] dient te worden betrokken bij de beslissingen en dient uitleg te krijgen over deze keuze. Wanneer de vader definitief besluit om het contact te beëindigen zorgt dit voor een verlieservaring, waarmee rouw gepaard gaat. Hier dient zij bij te worden ondersteund.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna:
BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
- de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
- de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel
1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
Uit de overlegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] nog altijd in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft nog altijd geen onbelast contact met haar beide ouders. Hoewel in de vorige periode van de ondertoezichtstelling een goede ontwikkeling gaande was en er goede stappen werden gezet in het opbouwen van het contact tussen [minderjarige] en de vader, is die situatie – helaas – gewijzigd. De vader heeft de afgelopen periode een terugval gehad in zijn psychische gesteldheid en er zijn toenemende zorgen over de fysieke gezondheid en de draagkracht van de vader. Dit heeft ertoe geleid dat het contact tussen [minderjarige] en de vader opnieuw is gestagneerd. Tijdens de zitting heeft de vader bovendien kenbaar gemaakt dat hij de beslissing heeft genomen om afstand te nemen van [minderjarige] . De vader heeft vanwege zijn psychische en fysieke gezondheidsklachten een beperkte draagkracht en staat niet open voor een nieuw traject dat gericht is op de opbouw van (begeleid) contact met [minderjarige] . De kinderrechter stelt vast dat daarmee het doel van de ondertoezichtstelling dat ziet op het contact tussen [minderjarige] en de vader, naar alle waarschijnlijkheid, niet zal kunnen worden behaald. Hoewel de kinderrechter begrip heeft voor de persoonlijke situatie van de vader, vindt de kinderrechter het zorgelijk dat [minderjarige] opnieuw in het contact met de vader zal worden teleurgesteld. [minderjarige] heeft in haar leven al verschillende keren te maken gehad met teleurstelling vanwege het verbreken van het contact door de vader. De eenzijdige beslissing van de vader om afstand van [minderjarige] te nemen zal in dat kader opnieuw leiden tot een verlieservaring voor [minderjarige] .
5.5.
Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] daarom voor de duur van zes maanden. Het overige deel van het verzoek zal de kinderrechter afwijzen. De kinderrechter vindt het, net als de Raad, belangrijk dat er de komende periode wordt onderzocht of, en zo ja, wat er mogelijk is in het contact tussen [minderjarige] en de vader. De kinderrechter zou het de vader, maar vooral [minderjarige] , gunnen om een vorm van contact met elkaar te hebben waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van [minderjarige] en de sterk beperkte draagkracht van de vader. Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat hierover de komende periode gesprekken zullen worden gevoerd, ten einde te bepalen wat er mogelijk is in het contact tussen [minderjarige] en de vader. De GI heeft daaromtrent toegezegd dat hiervoor, gelet op de vertrouwensbreuk die de vader thans met de huidige jeugdbeschermer ervaart, een andere collega zal worden ingezet. Ook de kindercoach van [minderjarige] zal hierbij worden betrokken. De kinderrechter vindt het daarnaast van groot belang dat ook [minderjarige] hierin wordt gehoord. [minderjarige] moet uitleg krijgen over de beslissing van de vader op een bij haar leeftijd en ontwikkeling passende wijze. Hiervoor is het belangrijk dat er eerst een gesprek plaatsvindt tussen de GI, de vader, de moeder en de kindercoach van [minderjarige] , zodat alle partijen dezelfde boodschap kunnen uitdragen naar [minderjarige] en dat [minderjarige] hierin wordt ondersteund en ontschuldigd. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij de rechtbank in de bodemprocedure (bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/420299 / FA RK 24-1301) informeert over de uitkomst van deze gesprekken en de (on)mogelijkheden in het behoud van het contact tussen de vader en [minderjarige] .
5.6.
Vervolgens kan de resterende termijn van de ondertoezichtstelling worden gebruikt om toe te werken naar een afronding van de ondertoezichtstelling. Daarvoor vindt de kinderrechter het van belang dat er een goed en duidelijk borgingsplan wordt opgesteld, waar alle partijen zich in kunnen vinden. Tot slot moet er zorg worden gedragen voor een warme overdracht van de ingezette hulpverlening naar het vrijwillige kader.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 6 februari 2026 tot 6 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.