Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- mevrouw [persoon 1] , verpleegkundig specialist/regiebehandelaar;
- mevrouw [persoon 2] , verzorgende.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 4 februari 2026 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor betrokkene, geboren in 1941, die lijdt aan dementieel syndroom van gemengd type.
Betrokkene verblijft reeds in een zorgaccommodatie op grond van een eerdere machtiging en maakt mondeling bezwaar tegen haar opname, omdat zij haar vrijheid en eigen plek thuis mist. De verpleegkundig specialist en verzorgende bevestigen dat betrokkene zich meegaand opstelt en sociale contacten onderhoudt, maar ook duidelijk maakt dat zij tegen opname is.
De rechtbank oordeelt dat betrokkene door haar aandoening ernstig nadeel kan ondervinden, zoals lichamelijk letsel, psychische schade, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven beschikbaar. Daarom wordt de machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden verleend, ondanks het bezwaar van betrokkene.
De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 door rechter Snoeks en schriftelijk vastgelegd op 17 februari 2026. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene met dementie voor zes maanden ondanks haar mondelinge bezwaar.