ECLI:NL:RBZWB:2026:150

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/02/433324 / HA ZA 25-162
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Danschutter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:95 BWArt. 6:98 BWArt. 6:101 BWArt. 6:109 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding brandstichting leegstaand pand door minderjarige jongens deels toegewezen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een civiele zaak waarin EC Legend B.V. schadevergoeding vorderde wegens brandstichting in een leegstaand bedrijfspand door drie destijds minderjarige jongens. Het pand was verkocht maar nog niet geleverd toen het op 6 mei 2021 door brand volledig werd verwoest. De jongens waren strafrechtelijk veroordeeld voor brandstichting.

EC Legend stelde dat de schade gelijk was aan de verlaging van de koopprijs van het pand met €100.000, veroorzaakt door de brandstichting. De jongens betwistten de omvang van de schade en voerden aan dat het pand in slechte staat verkeerde en dat D&H, de verkoper, tekort was geschoten in onderhoud en verzekering. Tevens werd een beroep gedaan op matiging vanwege hun beperkte draagkracht.

De rechtbank oordeelde dat de brandstichting onrechtmatig was en de schade redelijkerwijs aan de jongens kon worden toegerekend. Wel werd vastgesteld dat D&H mede aansprakelijk was wegens wanprestatie, met een aandeel van 10% in de schade. Gezien de ernst van de gevolgen en de financiële situatie van de jongens werd een billijkheidscorrectie toegepast, waardoor de jongens 50% van de gevorderde schadevergoeding moesten betalen, te weten €50.000.

De vorderingen tegen de ouders van de jongens werden afgewezen omdat zij geen verwijt kon worden gemaakt dat zij de gedragingen van hun kinderen niet hadden belet. Daarnaast werden wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen conform de vorderingen en veroordelingen. Het vonnis werd uitgesproken door rechter De Danschutter op 14 januari 2026.

Uitkomst: De jongens worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €50.000 schadevergoeding met rente en kosten; vorderingen tegen ouders worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/433324 / HA ZA 25-162
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
EC LEGEND B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: EC Legend,
advocaat: mr. D.W.E. Urbanus,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonend in [plaats 1] ,
advocaat: mr. H.C. Struijk,
2.
KWAKKENBOS BEWINDVOERINGEN B.V.,
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [gedaagde 2] ,
gevestigd in [plaats 2] ,
advocaat: mr. C.G. Huijsmans,
3.
[gedaagde 3],
wonend in Middelburg,
advocaat: mr. N. Wouters,
4.
[gedaagde 4],
wonend in [plaats 1] ,
advocaat: mr. H.C. Struijk,
5.
[gedaagde 5],
wonend in [plaats 1] ,
advocaat: mr. H.C. Struijk,
6.
[gedaagde 6],
wonend in [plaats 3] ,
advocaat: mr. H.C. Struijk,
7.
ZEEUWSE STICHTING VOOR BEHEER EN BEWINDVOERING,
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [gedaagde 7] ,
gevestigd in Middelburg,
advocaat: mr. N. Wouters,
8.
[gedaagde 8],
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
advocaat: mr. N. Wouters,
gedaagde partijen,
gedaagden sub 1, 2 en 3 hierna samen te noemen: de jongens ofwel respectievelijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,
gedaagden sub 4 t/m 8 hierna te noemen: ‘de ouders/de vader/de moeder van’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 juni 2025 met de daarin genoemde stukken,
- de op 18 november 2025 toegezonden aanvullende producties 19 t/m 21 van mr. Urbanus,
- de akte overleggen producties 1 t/m 3 van 21 november 2025 van mr. Huijsmans namens gedaagde sub 6,
- het bericht van mr. Struijk van 27 november 2025 dat hij zal optreden als advocaat van Kwakkenbos Bewindvoeringen B.V., gedaagde sub 2,
- de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en met daaraan gehecht de spreekaantekeningen van mr. Urbanus en mr. Struijk.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Duurzaam en Havelaar B.V. (D&H) was eigenaar van het pand gelegen aan [adres] in [plaats 2] . Op 3 februari 2021 heeft D&H dit pand, tegelijk met twee daaraan geschakelde andere panden, verkocht. Uit de koopovereenkomst volgt dat de levering op 22 november 2021 zou plaatsvinden.
2.2.
Op 6 mei 2021 heeft in het pand aan [adres] een hevige brand gewoed als gevolg waarvan het pand volledig is afgebrand.
2.3.
De jongens zijn strafrechtelijk veroordeeld voor brandstichting in vereniging ten gevolge waarvan het bedrijfspand aan [adres] geheel is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor dat pand en de goederen in dat pand te duchten was. [gedaagde 1] was ten tijde van de brandstichting 14 jaar oud; [gedaagde 2] en [gedaagde 3] waren 15 jaar.
2.4.
D&H is door de kopers van het pand aansprakelijk gesteld voor schade, omdat D&H de koopovereenkomst niet kon nakomen. D&H heeft met de kopers een minnelijke regeling bereikt, die inhoudt dat D&H de panden levert aan de kopers voor een koopprijs die € 100.000,- lager ligt dan de oorspronkelijk overeengekomen koopprijs van € 1.250.000,-.
2.5.
D&H heeft de jongens en hun ouders aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Deze vordering heeft D&H bij akte van cessie van 2 mei 2022 om niet gecedeerd aan EC Legend.

3.Het geschil

3.1.
EC Legend vordert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:
I. een schadevergoeding van € 100.000,00;
II. de wettelijke rente over de hoofdsom over de periode 6 mei 2021 tot en met 3 december 2024 van € 15.577,06;
III. de wettelijke rente vanaf 4 december 2024 tot de dag der algehele voldoening;
IV. de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.775,00;
V. de proceskosten.
3.2.
EC Legend legt aan haar vordering ten grondslag dat de jongens onrechtmatig hebben gehandeld door brand te stichten in het pand aan [adres] in [plaats 2] . De brandstichting is aan hun schuld te wijten. EC Legend verwijst daarbij naar de vonnissen waarin de jongens strafrechtelijk zijn veroordeeld voor de brandstichting. Als gevolg van de brandstichting is het pand afgebrand en daardoor is schade geleden. De schade wordt door EC Legend begroot op € 100.000,00, gelijk aan het bedrag waarmee de koopprijs is verlaagd. EC Legend stelt daarbij dat als de brand niet zou zijn gesticht, D&H de koopovereenkomst met de kopers had kunnen nakomen en niet akkoord had hoeven gaan met een lagere koopprijs. Daarbij wijst EC Legend erop dat de kopers een veel hogere schade, van ruim € 700.000,00, vorderden van D&H en D&H met de schikking aldus de schade heeft beperkt. Daarnaast stelt EC Legend dat de ouders van de jongens ook aansprakelijk zijn voor de schade op grond van artikel 6:169 lid 2 BW Pro.
3.3.
Gedaagden voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van EC Legend, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van EC Legend. Omdat de verweren van de jongens in grote lijnen vergelijkbaar zijn, zullen deze gezamenlijk worden behandeld. Volgens de jongens is niet onderbouwd welke schade is ontstaan door de brand. D&H moest akkoord gaan met een lagere koopprijs vanwege wanprestatie en niet vanwege de brand. De jongens voeren aan dat het pand in slechte staat verkeerde: het stond al jaren leeg en was verpauperd. Uit de koopovereenkomst tussen D&H en de kopers volgt dat D&H kapotte ruiten moest herstellen en de panden dicht moest zetten met underlayment platen. Ook had D&H het pand moeten verzekeren. Doordat D&H dat niet heeft gedaan, is de schade ontstaan. Tot slot doen de jongens een beroep op matiging (artikel 6:109 BW Pro). Zij hebben allen beperkte draagkracht.
3.4.
De verweren van de ouders sluiten aan bij die van de jongens zelf voor wat betreft de schade. Daarnaast stellen de ouders zich op het standpunt dat zij niet aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:169 lid 2 BW Pro.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Aansprakelijkheid van de jongens
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de jongens een onrechtmatige daad hebben gepleegd door brand te stichten in het pand dat op dat moment eigendom was van D&H. Ook betwisten de jongens niet dat deze onrechtmatige daad aan hen is toe te rekenen. Dat staat om die reden vast.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de brand schade heeft veroorzaakt. Niet betwist is dat als gevolg van de brandstichting het pand is afgebrand. Het is evident dat dit schade oplevert. In het navolgende zal de rechtbank ingaan op de hoogte van de schade.
Toerekening naar redelijkheid
4.3.
De grondslag van de schadevergoeding is een onrechtmatige daad. Het gaat hier dus om een wettelijke verplichting tot schadevergoeding. De omvang van de schade moet daarom worden vastgesteld aan de hand van de regels van titel 1, afdeling 10 van boek 6 BW (artikel 6:95 BW Pro e.v.).
4.4.
Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat tot de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW Pro).
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade op grond van artikel 6:98 BW Pro in redelijkheid aan de jongens kan worden toegerekend. De jongens hebben opzettelijk brand gesticht als gevolg waarvan het pand geheel is vergaan. Dat is een direct gevolg van het handelen van de jongens. De omstandigheid dat het pand leeg stond en was verpauperd, betekent niet dat daardoor de schade in een te ver verwijderd verband staat tot het handelen van de jongens. Daarbij is van belang dat door het handelen van de jongens D&H de koopovereenkomst met de kopers niet meer kon nakomen: zij kon het pand aan [straat] niet meer leveren, omdat het was vergaan. Ook dat is een direct gevolg van de brandstichting. Dat er mogelijk meerdere oorzaken zijn waardoor D&H wanprestatie jegens de kopers pleegde, staat niet aan toerekening naar redelijkheid in de weg.
Eigen schuld
4.6.
Uit de stellingen van de jongens volgt dat zij menen dat de schade niet (uitsluitend) het gevolg is van de brandstichting en ook aan EC Legend kan worden toegerekend. Bij eigen schuld is het uitgangspunt dat de schade over de benadeelde (EC Legend) en de aansprakelijke (de jongens) wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, naar rato van de causaliteit van die omstandigheden. Dit is de zogenoemde causale verdeling (artikel 6:101 lid 1 BW Pro).
4.7.
Hoewel het pand kennelijk niet was afgesloten en eenvoudig toegankelijk was voor derden, betekent dit nog niet dat dit omstandigheden zijn die aan EC Legend kunnen worden toegerekend. Dat dit het gemakkelijker heeft gemaakt voor de jongens om binnen te komen en brand te stichten, maakt niet dat dit als ‘fout’ aan EC Legend kan worden toegerekend. Die omstandigheid valt in het niet bij het opzettelijk onrechtmatig handelen van de jongens. Het pand is vergaan doordat de jongens brand hebben gesticht en niet doordat het pand niet goed was afgesloten.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat EC Legend (althans haar rechtsvoorganger D&H) wel heeft bijgedragen aan de schade door het plegen van wanprestatie jegens de koper van het pand. Uit de dagvaarding die EC Legend heeft overgelegd blijkt dat D&H door de kopers van de panden is aangesproken op grond van wanprestatie. Dat heeft geleid tot een vermindering van de koopprijs. De kopers hebben hun vordering gegrond op artikel 6.1 van de koopovereenkomst, waarin onder meer staat: “
Verkoper zal het onroerende goed tot aan de akte van levering van 22 november 2021 als goed huisvader onderhouden en tevens verzekerd houden tot de genoemde transportdatum. Verkoper zal de kapotte ruiten en de geopende toegangsdeuren dichtzetten met underlayment platen.”EC Legend heeft betwist dat het pand niet was dichtgezet. Volgens EC Legend had de makelaar opdracht om ervoor te zorgen dat, als er ruiten gebroken waren, dit zo snel mogelijk werd dichtgezet om onbevoegden buiten de deur te houden. Vaststaat dat het pand niet was verzekerd. Uit artikel 11 van Pro de koopovereenkomst blijkt het gevolg: in geval van niet nakoming van een verplichting uit hoofde van de koopovereenkomst door één van de partijen, kan de andere partij aanspraak maken op voldoening van de overeengekomen contractuele boete van 10% van de koopsom, in dit geval € 125.000,00. Ook kan aanvullende schadevergoeding worden gevorderd. Dat hebben de kopers gedaan: de kopers vorderden onder meer extra sloopkosten van € 110.000,00 (exclusief btw) en waardeverlies van het hoofdpand van € 300.000,00 (door het niet kunnen verhuren en een verandering van fiscaal regime). De kopers en D&H hebben uiteindelijk geschikt voor een bedrag van € 100.000,00. EC Legend heeft ter zitting toegelicht dat zij vonden dat dit een realistisch bedrag was. EC Legend heeft daarbij erkend dat er in ieder geval voor de contractuele boete een basis was. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat D&H, als rechtsvoorganger van EC Legend, er zelf ook aan heeft bijgedragen dat de koopprijs is verlaagd. Als er geen brand was gesticht door de jongens, blijft staan dat D&H in ieder geval voor wat betreft het niet verzekerd houden van het pand is tekortgeschoten jegens de kopers. Dit kan aan D&H en daarmee aan EC Legend worden toegerekend. De rechtbank is echter wel van oordeel dat het aandeel van de jongens in de schade substantieel groter is dan het aandeel van D&H. Het aandeel van D&H wordt vastgesteld op 10% en het aandeel van de jongens op 90%.
4.9.
Dit percentage kan worden bijgesteld, zo volgt uit datzelfde artikel 6:101 lid 1 BW Pro, als de billijkheid eist dat er een andere verdeling plaatsvindt. Dat is de billijkheidscorrectie. Voor toepassing van deze correctie moet het gaan om specifieke, individuele factoren die tot gevolg hebben dat de billijkheid in dit concrete geval een andere verdeling eist dan de uitkomst van de beoordeling op basis van de causaliteit. Daarbij moet rekening worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval. Ondanks de ernst van de fout die de jongens hebben gemaakt, ziet de rechtbank aanleiding voor toepassing van de billijkheidscorrectie. Hierbij kent de rechtbank gewicht toe aan de ernst van de gevolgen van de brandstichting voor EC Legend. Het gaat hier om zuivere vermogensschade. Daarbij speelt mee dat EC Legend zelf geen schade heeft geleden. D&H heeft kennelijk haar verlies genomen: zij heeft haar vordering om niet gecedeerd aan EC Legend. De stelling van EC Legend ter zitting dat er, in tegenstelling tot wat er in de akte van cessie staat, wel afspraken zijn gemaakt over een vergoeding door D&H, wordt als niet onderbouwd gepasseerd. EC Legend is dus niet de directe partij die schade heeft geleden; zij voelt het derhalve niet in haar portemonnee of zij nu deze zaak wint of verliest. Tevens houdt de rechtbank rekening met het feit dat D&H niet was verzekerd, terwijl dit wel gebruikelijk is en bovendien afgesproken met de kopers van het pand.
4.10.
De jongens voeren verder aan dat de gevolgen van het moeten betalen van een schadevergoeding voor hen groot zijn. [gedaagde 1] wijst op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming dat is opgesteld in het kader van de strafzaak. Bij hem is een stoornis binnen het autismespectrum vastgesteld en hij was beïnvloedbaar en impulsief. Ook had hij onvoldoende inzicht tussen oorzaak en gevolg. Na een moeilijke periode gaat het nu goed met [gedaagde 1] . Als hij en forse schadevergoeding moet betalen, zal hij niet in staat zijn zich financieel zelfstandig te ontplooien. Ook [gedaagde 3] wijst erop dat hij financiële problemen heeft en dat hij bij het toewijzen van een schadevergoeding in de schuldsanering terecht zal komen. Ook de bewindvoerder van [gedaagde 2] wijst op zijn moeilijke financiële situatie. Daarbij wijst zij erop dat [gedaagde 2] een moeilijke jeugd heeft gehad, doordat zijn moeder is overleden toen hij zes jaar oud was en zijn vader niet voor hem kon zorgen. [gedaagde 2] is in de pleeg- en crisiszorg beland. In het licht van de draagkracht van de jongens tegenover die van EC Legend verzoeken de jongens hiermee rekening te houden.
4.11.
De rechtbank houdt, naast de hiervoor onder 4.9 genoemde omstandigheden, ook rekening met de jeugdige leeftijd van de jongens, hun achtergrond en geestelijke ontwikkeling. Per saldo is de rechtbank van oordeel dat toepassing van artikel 6:101 BW Pro ertoe leidt dat 50% van de door EC Legend gevorderde schade voor rekening van de jongens komt. Concreet betekent dit dat de jongens zullen worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 50.000,00.
Matiging
4.12.
Tot slot doen de jongens ook een beroep op matiging vanwege hun slechte financiële positie.
4.13.
Artikel 6:109 BW Pro bepaalt dat indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen. Deze bepaling moet worden beschouwd als een bijzondere toepassing van de regeling van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de artikelen 6:2 en 6:248 BW. De rechtbank kan slechts met terughoudendheid gebruik maken van haar bevoegdheid om een wettelijke verplichting tot schadevergoeding te matigen. [1]
4.14.
De rechtbank heeft in het kader van de billijkheid al rekening gehouden met de omstandigheden die de jongens in het kader van matiging naar voren hebben gebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding de verplichting tot schadevergoeding te matigen.
Tussenconclusie
4.15.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de jongens zal veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 50.000,00. In het navolgende zal de rechtbank ingaan op de vraag of ook de ouders van de jongens aansprakelijk zijn voor de geleden schade.
Aansprakelijkheid van de ouders
4.16.
Gelet op de leeftijd van de jongens ten tijde van de brandstichting, kunnen de ouders op grond van artikel 6:169 lid 2 BW Pro naast de jongens aansprakelijk zijn. In artikel 6:169 lid 2 BW Pro staat:
“Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een kind dat de leeftijd van veertien jaren al wel maar die van zestien jaren nog niet heeft bereikt, is degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over het kind uitoefent, aansprakelijk, tenzij hem niet kan worden verweten dat hij de gedraging van het kind niet heeft belet.”
De ouders van [gedaagde 2] ([naam 1] en de bewindvoerder van [gedaagde 7] )
4.17.
De ouders van [gedaagde 3] betwisten dat zij het ouderlijk gezag hebben over hun zoon. Dit was ook al zo ten tijde van de brandstichting. Om die reden kunnen zij niet op deze grondslag worden aangesproken.
4.18.
Dit verweer slaagt. Een vereiste voor aansprakelijkheid op deze grond is ouderlijk gezag of voogdij. Aangezien de ouders geen ouderlijk gezag meer uitoefenen, kunnen zij niet medeaansprakelijk worden gehouden voor de gedragingen van hun zoon. Dat betekent dat de vorderingen van EC Legend tegen deze ouders worden afgewezen.
De vader van [gedaagde 2] ([naam 2] )
4.19.
De vader van [gedaagde 2] voert aan dat zijn zoon niet bij hem woonde ten tijde van de brandstichting of voorafgaand daaraan. [gedaagde 2] is onder toezicht gesteld en werd uit huis geplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Op deze wettelijk basis woonde [gedaagde 2] ten tijde van de brandstichting in gezinshuis De Kreekrug. [gedaagde 2] is in 2021 (na de brandstichting) ontheven uit het ouderlijk gezag; het onderzoek daarnaar liep al vanaf december 2020. [gedaagde 2] voert aan dat hij niet bij machte was om voor [gedaagde 2] te zorgen, reden waarom [gedaagde 2] onder toezicht stond en elders woonde. [gedaagde 2] kon dus niet als verzorgende ouder optreden en kon geen invloed uitoefenen op [gedaagde 2] .
4.20.
De rechtbank is van oordeel dat vader [gedaagde 2] niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:169 lid 2 BW Pro. [gedaagde 2] woonde niet thuis en stond onder toezicht. [gedaagde 2] merkt terecht op dat hij geen invloed kon uitoefenen op [gedaagde 2] . Hem kan dus niet worden verweten dat hij niet heeft belet dat [gedaagde 2] ’s nachts op stap ging en brand heeft gesticht. Dat betekent dat de vorderingen van EC Legend tegen [gedaagde 2] worden afgewezen.
De ouders van [gedaagde 1] ([naam 3] en [naam 4] )
4.21.
De ouders van [gedaagde 1] voeren aan dat (1) vader in het ziekenhuis lag en daarom niets kon doen om te beletten dat zijn zoon het huis uit ging en (2) moeder vroeg naar bed was gegaan, ze stond er alleen voor met zes kinderen, en de afspraak was dat [gedaagde 1] uiterlijk om 23 uur naar bed ging. De ouders hadden de afspraak met [gedaagde 2] dat hij niet zonder toestemming het huis mocht verlaten. Zeker ’s nachts niet. Hij mocht niet zomaar weg en dat wist hij ook. Moeder wist niet dat hij het huis had verlaten.
4.22.
De rechtbank is van oordeel dat vader geen verwijt kan worden getroffen. Vader was niet aanwezig vanwege zijn ziekenhuisopname. Hij had daarmee feitelijk geen mogelijkheid te controleren of [gedaagde 2] zich aan de afspraken hield en hem te beletten het huis uit te gaan.
4.23.
Hoewel moeder wel in huis aanwezig was, is de rechtbank van oordeel dat ook haar geen verwijt treft. [gedaagde 1] was 14 jaar oud ten tijde van de brandstichting. Een leeftijd waarop kinderen al redelijk zelfstandig zijn. Daarbij waren er duidelijke afspraken. Van moeder kan niet worden verwacht dat zij ’s nachts regelmatig controleert of haar kinderen nog wel in bed liggen. Een kind van die leeftijd dat er stiekem van door wil gaan, zal dat doorgaans lukken zonder dat zijn ouders dat in de gaten hebben. De stoornis van [gedaagde 1] binnen het autismespectrum staat daar los van. Niet is gebleken wat moeder meer of anders had kunnen of moeten doen om [gedaagde 1] te beletten er stiekem midden in de nacht vandoor te gaan.
4.24.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van EC Legend tegen de ouders van [gedaagde 1] worden afgewezen.
Wettelijke rente
4.25.
EC Legend vordert over haar vordering wettelijke rente vanaf 6 mei 2021, dat is de datum waarop de brand is gesticht. Tegen deze vordering is geen verweer gevoerd. Dat betekent dat de rechtbank de wettelijke rente zal toewijzen over het toegewezen schadebedrag.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.26.
EC Legend vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Het gevorderde bedrag sluit aan bij het in het Besluit bepaalde tarief bij en hoofdsom van € 100.000,00. Aangezien de gevorderde hoofdsom deels wordt toegewezen, zal de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten toewijzen tot een bedrag van € 1.275,00.
Proceskosten
4.27.
De jongens zullen als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partijen ten aanzien van EC Legend worden veroordeeld de proceskosten (inclusief nakosten) te betalen. De proceskosten van EC Legend worden vastgesteld op:
- griffierecht
6.681,00
- dagvaarding
- salaris advocaat
338,97
3.858,00
(€ 112,99 × 3)
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.055,97
4.28.
De veroordeling van de jongens wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
4.29.
EC Legend is in het ongelijk gesteld ten aanzien van de ouders en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten worden vastgesteld op:
Gedaagden sub 4 en 5 ([naam 3] en [naam 4] )
- griffierecht
180,00
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.216,00
Gedaagde sub 6 ([naam 2] )
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.126,00
Gedaagden sub 7 en 8 (Zeeuwse stichting voor beheer en bewindvoering en M.A. [gedaagde 2] )
- griffierecht
180,00
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.216,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt gedaagden sub 1, sub 2 en sub 3 hoofdelijk tot betaling aan EC Legend van een schadevergoeding van € 50.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 mei 2021 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt gedaagden sub 1, sub 2 en sub 3 hoofdelijk tot betaling aan EC Legend van een bedrag van € 1.275,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt gedaagden sub 1, sub 2 en sub 3 hoofdelijk in de proceskosten van € 11.055,97 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als gedaagden sub 1, sub 2 en sub 3 niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
veroordeelt EC Legend tot betaling van de proceskosten aan gedaagden sub 4 en 5 van € 4.216,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als EC Legend niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt EC Legend tot betaling van de proceskosten aan gedaagde sub 6 van € 4.126,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als EC Legend niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt EC Legend tot betaling van de proceskosten aan gedaagden sub 7 en 8 van € 4.216,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als EC Legend niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Danschutter en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1384.