ECLI:NL:RBZWB:2026:1509

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444316 / KG ZA 26-30
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 111 lid 3 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming beschikking toedeling en verkoop woning na echtscheiding

Partijen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over drie minderjarige kinderen. De rechtbank had bij beschikking van 28 oktober 2025 bepaald dat de man de woning zou overnemen onder voorwaarden, waaronder het ontslag van de vrouw uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek en betaling van een bedrag aan de vrouw. De man kreeg vier maanden na taxatierapport om financiering en ontslag te regelen.

De man heeft de financieringsaanvraag pas na de beschikking kunnen starten, mede door vereisten van de hypotheekverstrekker. Ondanks een lichte overschrijding van de termijn heeft hij voldoende inspanningen geleverd, waaronder het accepteren van een renteaanbod en het indienen van stukken. De vrouw weigerde echter medewerking te verlenen aan het verdere hypotheektraject, waardoor de overdracht stagneerde.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de man redelijkerwijs niet eerder kon voldoen en dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij belang heeft bij haar vorderingen. De vrouw wordt veroordeeld tot nakoming van de beschikking en medewerking aan levering van haar aandeel in de woning. De proceskosten worden gecompenseerd en de gevorderde dwangsommen worden afgewezen.

Uitkomst: Vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan levering woning aan man tegen betaling van €62.297,93, ondanks geringe vertraging financieringsaanvraag.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/444316 / KG ZA 26-30
datum uitspraak: 5 februari 2026
Vonnis in kort geding van 5 februari 2026
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. M. Krijger te Middelburg.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
- een tweetal berichten van mr. Tiggelaar van 2 februari 2026 met bijlagen;
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling op 3 februari 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [plaats 3] op [geboortedag 1] 2013;
- [minderjarige 2] , geboren te [plaats 3] op [geboortedag 2] 2015;
- [minderjarige 3] , geboren te [plaats 1] op [geboortedag 3] 2018.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.3.
Bij beschikking van 4 april 2025 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is de zaak ten aanzien van de overige verzoeken aangehouden.
2.4.
Op 8 mei 2025 is de (echtscheidings)beschikking van 4 april 2025 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.5.
Bij beschikking van 28 oktober 2025 heeft de rechtbank onder meer en voor zover hier van belang, bepaald dat de man met ingang van 30 april 2025 ten behoeve van
de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van €161,= per kind per maand. Ook is de woning staande en gelegen te [adres] toebedeeld aan de man op de wijze en onder de (opschortende) voorwaarden
als in rechtsoverwegingen 3.49 en 3.51 bepaald en indien de man de woning niet kan overnemen op de wijze en onder de (opschortende) voorwaarden als in rechtsoverweging 3.49 bepaald, gelast de wijze van verdeling van de woning aldus dat verkoop van de woning dient plaats te vinden aan een derde op de wijze en onder de voorwaarden als in rechtsoverweging 3.50 bepaald.
Deze rechtsoverwegingen luiden als volgt:
“3.49. Overeenkomstig hetgeen is besproken tijdens de zitting, zal de rechtbank de woning toedelen aan de man onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de op die woning rustende hypothecaire schuld. Partijen hebben in dat kader de volgende afspraken gemaakt.a. partijen zullen gezamenlijk, binnen 14 dagen na 10 juli 2025, aan M2
makelaars opdracht geven om de woning te taxeren tegen de actuele
waarde in het economisch verkeer;
b. de door deze makelaar te bepalen waarde is bindend voor partijen;
c. de kosten van de makelaar worden door partijen bij helfte gedeeld;d. beide partijen kunnen, indien gewenst, bij de taxatie aanwezig zijn;
e. de man heeft gedurende 4 maanden na ontvangst van het taxatierapport degelegenheid om aan te tonen dat hij geregeld heeft:
- een financiering voor de overname van het aandeel van de vrouw inde woning èn- het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor dehypothecaire geldlening.
Indien de man hierin slaagt, zal de vrouw haar medewerking verlenen aan de overdracht aan de man van haar aandeel in de woning tegen de door de makelaar vastgestelde waarde en onder de verplichting dat de man de hypothecaire geldlening geheel voor zijn rekening neemt en als eigen schuld voldoet, en de vrouw doet ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze geldlening. De man zal verder de helft van de (netto) overwaarde aan de vrouw voldoen. Daarbij zal wat de hoogte van de hypothecaire geldlening betreft worden aangesloten, zoals hiervoor is overwogen, bij de hoogte daarvan op 8 maart 2024. De rechtbank zal aanvullend bepalen dat partijen binnen 3 weken nadat de man de vrouw heeft bericht dat hij de woning kan overnemen onder de hiervoor genoemde voorwaarden/verplichtingen, contact dienen op te nemen met de notaris om een afspraak te maken voor de notariële levering van het aandeel van de vrouw aan de man.
3.50.
Indien de man in het hiervoor onder e. bepaalde niet slaagt, dient, zo is tussen partijen niet in geschil, de woning alsnog zo snel mogelijk worden verkocht middels opdracht tot verkoop door beide partijen op de meest korte termijn. Partijen zijn overeengekomen dat zij in dat geval de woning te koop aanbieden via M2 makelaars.Partijen zullen de adviezen van deze makelaar over onder ander de vraag- en laatprijs opvolgen. De hypothecaire geldleningen en de verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, zullen eerst van de verkoopopbrengst worden voldaan. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde. Daarbij zal wat de hoogte van de hypothecaire geldlening betreft worden aangesloten, zoals hiervoor is overwogen, bij de hoogte daarvan op 8 maart 2024.
3.51.
Tussen partijen is enkel nog in geschil ten laste van wie de notariskosten komen in het geval de man de woning kan overnemen. De rechtbank acht het redelijk dat in dat geval de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de man komen.”
2.6.
Op 7 augustus 2025 heeft M2 Makelaars BV partijen bericht dat het taxatierapport gereed is.

3.Het geschil in conventie en reconventie

3.1.
De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de man met ingang van 1 november 2025 althans 1 januari 2026 ten
behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen aan de
vrouw een bedrag dient te voldoen van € 103,-- per kind per maand, althans een zodanige
voorziening als uw rechtbank met inachtneming van hetgeen door/namens de man is
aangevoerd als redelijk en juist voorkomt;
- de vrouw te veroordelen tot nakoming van de beschikking van 28 oktober 2025 en daartoe de vrouw te veroordelen - zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat de vrouw in gebreke blijft met de nakoming van het in deze te wijzen vonnis - om alle feitelijke en juridische medewerking te verlenen aan de levering van haar aandeel in het registergoed, staande en gelegen aan de [adres] aan de man (i) tegen betaling door de man van het bedrag van € 62.297,93 aan de vrouw en (ii) tegen verstrekking van een schriftelijk bewijs van ontslag uit de hoofdelijkheid van de hypothecaire geldleningen aan de vrouw en (iii) met bepaling dat de na 1 januari 2026 verschuldigde kosten van deze juridische levering van het aandeel in dit registergoed door de vrouw dienen te worden voldaan;
- te bepalen dat het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis in de plaats treedt van de handtekening en/of de goedkeurende wilsverklaring van de vrouw op de notariële akte strekkende tot levering van het onder sub 2 vermelde registergoed en het vonnis de handtekening en/of de goedkeurende wilsverklaring van de vrouw vervangt, indien de vrouw niet aan het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis voldoet;
- subsidiair de tenuitvoerlegging van de tussen partijen door de rechtbank Zeeland-West-
Brabant gewezen beschikking van 28 oktober 2025 te schorsen totdat het Gerechtshof
eindarrest heeft gewezen in de hoofdzaak, voor wat betreft de beslissing van voornoemde
rechtbank dat – indien de man de woning niet kan overnemen op de wijze en onder de
(opschortende) voorwaarden als in rechtsoverweging 3.49 van voornoemde beschikking is
bepaald - de wijze van verdeling van de woning is gelast aldus dat de verkoop van de
woning dient plaats te vinden aan een derden op de wijze en onder de voorwaarden als in
rechtsoverweging 3.50 is bepaald;
- althans een de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorziening met een vergelijkbare strekking/uitkomst, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat de vrouw in gebreke blijft met de nakoming van het te wijzen vonnis,
- de vrouw te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, zulks door de rechtbank
nader te begroten.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.
In reconventie vordert de vrouw primair:
1. de man te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het te dezen te wijzen
vonnis uitvoering te geven aan de beschikking van de Rechtbank Zeeland – West-Brabant, locatie Middelburg, afgegeven op 28 oktober 2025 in de procedure met kenmerk C/02/435815 / FA RK 25-2688, en M2 makelaars opdracht te verlenen de woning, staande en gelegen te [adres], kadastraal bekend [kadastrale aanduiding], groot 2 are en 36 centiare, zo spoedig mogelijk te verkopen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag voor iedere dag dat de man na betekening van het te dezen te wijzen vonnis met de nakoming daarvan in gebreke blijft;
2) de man te veroordelen om medewerking te verlenen aan het verkoopproces, in die zin
dat de man wordt veroordeeld om na betekening van het te dezen te wijzen vonnis onvoorwaardelijk en onherroepelijk in ieder geval de volgende (rechts)handelingen te verrichten:
➢ de woning, staande en gelegen te [adres], kadastraal bekend [kadastrale aanduiding], groot 2 are en 36 centiare, te behoeve van de verkoop toegankelijk te maken en zich ten behoeve van die verkoop in schone, opgeruimde, verzorgde en representatieve staat te bevinden, een en ander volgens aanwijzing van de makelaar en geheel voor rekening van de man;
➢ zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het geven van toegang van potentiële kopers tot de woning en aanhorigheden, staande en gelegen te [adres], kadastraal bekend [kadastrale aanduiding], groot 2 are en 36 centiare, als ook alle verkoopduidingen die op het erf en/of de woning en op de website door de makelaar zijn aangebracht ongewijzigd in stand te laten;
➢ zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan verkoop en levering van de woning, staande en gelegen te [adres], kadastraal bekend [kadastrale aanduiding], groot 2 are en 36 centiare, zoals het schoon en deugdelijk opleveren van de woning op de dag van de inspectie, het overhandigen van de sleutels aan de (makelaar van de) koper(s), de ondertekening van de koopovereenkomst en de notariële akte strekkende tot levering van de onroerende zaak en de financiële afwikkeling, waaronder begrepen betaling door de notaris van de helft van de verkoopopbrengst aan de vrouw;
➢ de man te veroordelen de helft van de verkoopkosten van de woning, staande en gelegen te [adres], kadastraal bekend [kadastrale aanduiding], groot 2 are en
36 centiare, voor zijn rekening te nemen en deze als zijn eigen schuld aan de notaris te voldoen, zulks uiterlijk op de dag van de notariële levering van de onroerende zaak, en;
➢ aan de niet-nakoming van het sub II bepaalde een dwangsom te verbinden van € 5.000,- per dag voor iedere dag dat de man na betekening van het te dezen te wijzen vonnis met de nakoming daarvan in gebreke blijft;
Subsidiair:
3) de vrouw te machtigen om, bij uitsluiting van de man, al het nodige te doen om de
woning, staande en gelegen te [adres], kadastraal bekend [kadastrale aanduiding], groot 2 are en 36 centiare, te gelde te maken en alle daartoe noodzakelijke (rechts)handelingen te verrichten;
Zowel in conventie als in reconventie:
4) de man te veroordelen tot betaling van de aan de onderhavige procedure voor de vrouw
verbonden (proces)kosten, bestaande uit griffierecht, deurwaarderskosten en het honorarium van haar advocaat.

4.De standpunten

Toedeling/verkoop woning
4.1.
De man stelt dat de rechtbank de termijn waarbinnen de man de gelegenheid heeft om aan te tonen dat hij een financiering voor de overname van het aandeel van de vrouw in de woning geregeld heeft en het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening en – indien de man in de hiervoor genoemde voorwaarden niet slaagt - de woning alsnog zo snel mogelijk verkocht dient te worden, vastgesteld op 4 maanden na ontvangst van het taxatierapport. De rechtbank zou op 12 augustus 2025 de te wijzen beschikking afgeven. Dit was rond dezelfde tijd als de taxatie van de woning. Uiteindelijk heeft de rechtbank de tussenbeschikking pas afgegeven op 28 oktober 2025.
Het taxatierapport dateert van 8 augustus 2025. Het aan de vrouw toekomende bedrag
terzake van toedeling van haar aandeel in de echtelijke woning aan de man bedraagt
€ 62.297,93, uitgaande van het taxatierapport (€ 380.000,--) minus restant hypothecaire
schuld per 8 maart 2024 (€ 255.404,14).
De aanvraag voor de financiering en/of ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid kon echter pas
verder in gang gezet worden na ontvangst van de beschikking van de rechtbank. Dit houdt
verband met het feit dat de financieringsinstelling/bank als voorwaarde stelt dat uitsluitsel
verstrekt dient te worden in de vorm van een convenant en/of beschikking ten aanzien van de partneralimentatie en de financiële afwikkeling van de gemeenschap van goederen.
Op 4 december 2025 is de advocaat van de vrouw bericht dat alle stukken gecontroleerd zijn
door zijn financieel adviseur en dat een inkomenstoetsing heeft plaatsgevonden. Voorts is
doorgegeven dat op 11 december 2025 een afspraak gepland stond met de
hypotheekadviseur waarna de stukken ingediend zullen worden bij Aegon. De
hypotheekadviseur heeft op dezelfde dag bevestigd dat de hypotheekaanvraag is ingediend bij Aegon.
De man heeft op 15 december 2025 een renteaanbod ontvangen van Aegon. Dit renteaanbod
is door de man geaccepteerd. Het renteaanbod is geldig tot en met 15 maart 2026.
Bij brief van 18 december 2025 is aan (de advocaat van) de vrouw kenbaar gemaakt dat de
financieel adviseur ‘groen licht’ heeft gegeven op basis van een positieve inkomenstoetsing,
het renteaanbod van de geldverstrekker door de man is geaccepteerd, alle benodigde stukken
voor de financieringsaanvraag, voor zover aanwezig, ingediend zijn bij de geldverstrekker en contact was gelegd met notariskantoor Herwig voor het opstellen van de akte van verdeling. Hiermee heeft de man voldaan aan zijn verplichtingen uit het vonnis, zij het ruim een week te laat.
De man had de vrouw eveneens inmiddels verzocht om een kopie van haar identiteitsbewijs
aan het notariskantoor te sturen. Dit verzoek is nadien overigens meermalen herhaald. Ook
vanuit het notariskantoor is hierover rechtstreeks contact gezocht met de vrouw.
De verwachting was op dat moment dat de officiële offerte op korte termijn zou volgen. De
geldverstrekker (Aegon) heeft echter aangegeven in afwachting te zijn van de akte van
verdeling. Bij gebreke van medewerking van de vrouw aan het verstrekken van opdracht aan
het notariskantoor voor het opstellen van de akte van verdeling en het toezenden van een
kopie van haar identiteitsbewijs ligt dit stil.
Voorts blijkt dat de verdere afwikkeling door de vrouw onnodig verder wordt opgehouden,
omdat zij geen gehoor geeft aan diverse verzoeken van zowel de man als de notaris om
toestemming te verlenen voor het opstellen van de benodigde akte van verdeling en het
toezenden van haar identiteitsbewijs. De door de rechtbank gestelde termijn leidt – mede gelet op de strikte handhaving c.q. uitleg daarvan door de vrouw - in de praktijk tot (praktische) problemen. Namens de man is uitdrukkelijk een beroep gedaan op de (advocaat van de) vrouw om tot een praktische oplossing te komen.
Indien voor 7 februari 2026 de notariële overdracht niet heeft plaatsgevonden, dan zal een
nieuwe taxatie uitgevoerd moeten worden. Hieraan zijn opnieuw kosten verbonden. Daarnaast zal naar verwachting na het verstrijken van de termijn van het renteaanbod, zijnde 15 maart 2026, een volledig nieuwe financieringsaanvraag ingediend moeten worden.
Mocht de woning alsnog verkocht dienen te worden, dan zijn al deze kosten voor niets
gemaakt.
Door de (proces)houding van de vrouw wordt de man geconfronteerd met aanzienlijke
kosten. Dit betreft niet alleen advocaatkosten in verband met correspondentie, overleg en het
aanhangig maken van een procedure in hoger beroep en in kort geding, maar eveneens in
verband met de verrichte en nog te verrichten werkzaamheden van de financieel adviseur, de
boekhouder, de notaris en een eventuele nieuwe financieringsaanvraag en taxatie.
De man verzoekt om die reden uw rechtbank om de vrouw te veroordelen in de
(proces)kosten van deze procedure alsmede – in geval de woning verkocht dient te worden -
de door de man gemaakte kosten voor de overname van woning, vooralsnog begroot op
€ 5.837,75 en – ingeval de man genoodzaakt is om de woning opnieuw te laten taxeren
en/of een financieringsaanvraag in te dienen – de hieraan verbonden kosten, te weten de kosten verbonden aan een nieuw taxatierapport, kosten hypotheekadviseur, afsluitkosten wijziging aansprakelijkheid, NHG borgtochtprovisie.
4.2.
De vrouw stelt dat partijen expliciet hebben ingestemd met een termijn van vier maanden na taxatie. Er is op de zitting van 10 juli 2025 een duidelijke afspraak gemaakt, welke is vastgelegd in de beschikking van 28 oktober 2025. Het standpunt van de man dat tijdens de zitting 12 augustus 2025 als beschikkingsdatum is genoemd klopt, echter is het een feit van algemene bekendheid – dan wel een feit dat ervaren advocaten genoegzaam bekend is – dat dit nooit een keiharde datum is. De beschikkingsdatum maakt ook geen verschil. De rechter heeft ter zitting gedicteerd wat er terzake de woning moest geven. Partijen hebben ook uitvoering daaraan gegeven. Er is direct na de zitting contact gelegd met M2 makelaars en er is een afspraak voor de taxatie gemaakt. De vrouw is na de zitting door de man op geen enkele wijze geïnformeerd over zijn inspanningen met betrekking tot de financieringsaanvraag. Zij gaat ervan uit dat de man daarmee ook direct na de zitting aan de slag is gegaan. Hij had er de beschikking van de rechtbank van 28 oktober 2025 niet voor nodig. De scheiding was immers al definitief en er lag bij de rechtbank geen partneralimentatieverzoek voor. Als de beschikking van 28 oktober 2025 wel relevant was geweest, had de advocaat van de man de rechtbank kunnen wijzen op de urgentie en kunnen vragen om prioriteit aan de afgifte van de beschikking te geven. Ook had aan de vrouw gevraagd kunnen worden om te behoeve van de bank schriftelijk te bevestigen dat er geen partneralimentatie werd verzocht.
Als de man de vrouw had geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de aanvraag zou zij mogelijk meer waarde aan zijn stellingen hebben gehecht. Als de man een en ander had onderbouwd zou zij eraan hebben meegewerkt dat de beschikking met spoed zou worden afgegeven, dan wel een verklaring hebben afgelegd dat zij geen partneralimentatie vroeg in de procedure. Als de man de financiering voor 8 december 2025 rond had gehad zou zij ook hebben meegewerkt aan toedeling van de woning aan de man, zoals ter zitting van 10 juli 2025 was afgesproken.
De man heeft de vrouw nodig als hij de woning alsnog toegedeeld wil krijgen. Daarvoor zal hij de vrouw tegemoet moeten komen. Zij heeft maandenlang gewacht en kan al die tijd niet zelf over haar aandeel in de overwaarde beschikken. Zij heeft al die tijd het economisch risico van de woning gedragen. Intussen stijgen de prijzen van andere koopwoningen. De vrouw vindt het nog daargelaten dat zij mocht vertrouwen op de duidelijke afspraken over de woning, redelijk en eerlijk dat zij gecompenseerd wordt nu de man de beschikking van 28 oktober 2025 niet is nagekomen.
De beschikking was niet nodig voor de financieringsaanvraag en er was geen sprake van overmacht. De vrouw wijst er volledigheidshalve op dat men een dergelijk verzoek moet (kunnen) onderbouwen en de man dit heeft nagelaten. De vrouw wijst in dit kader ook op de waarheidsplicht van artikel 21 Rechtsvordering Pro (hierna te noemen: Rv). Op grond van die bepaling mag een partij geen, voor de door de rechter te nemen beslissing belangrijke feiten, achterhouden. De man doet dit wel. De vrouw hecht er in dit kader in de eerste plaats aan erop te wijzen dat de man in de dagvaarding het standpunt van de vrouw niet opneemt. Het standpunt van de vrouw over deze kwestie was de man echter genoegzaam bekend, dus had hij het in de dagvaarding moeten vermelden. Door dit na te laten handelt de man in strijd met de wet, in het bijzonder met het voorschrift van artikel 111 lid 3 Rv Pro.
Daarnaast heeft de man het renteaanbod van de bank niet overgelegd en heeft daarmee willens en wetens informatie achterhouden en in strijd met art. 21 Rv Pro gehandeld. In het renteaanbod van de bank dat de waarde van de woning in het kader van een uitgevoerde desktoptaxatie is bepaald op € 420.000,-, derhalve € 40.000,- hoger dan de
taxatiewaarde. Als de bank het renteaanbod aan de man per abuis niet in de digitale portal met beide partijen had gedeeld -want daardoor beschikt de vrouw over dit document- had uw rechtbank het nooit te zien gekregen. De vrouw wijst erop dat het renteaanbod op de datum van het te dezen te wijzen vonnis twee maanden oud zal zijn en de waarde van de woning op dat moment naar verwachting opnieuw met circa € 20.000,- zal zijn toegenomen.
De vrouw is van mening dat de man met het bericht van de (advocaat van de) man van 18 december 2025 niet heeft voldaan aan de ter zitting afgesproken voorwaarden. Immers, zelfs nu (3 februari 2026) heeft de man nog niets aangetoond. Daarbij doelt de vrouw op de afspraak dat de man gedurende vier maanden na ontvangst van het taxatierapport de gelegenheid had om aan te tonen dat hij de volgende zaken geregeld heeft:
- een financiering voor de overname van het aandeel van de vrouw in de
woning èn
- het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de
hypothecaire geldlening.
Ten aanzien van de notaris geeft de vrouw aan dat zij – door een verkeerd door de man doorgegeven e-mailadres van de vrouw aan de notaris – pas op 13 januari 2026 via het portal een automatisch gegenereerde bevestiging ontving, waar zij vervolgens op 22 januari 2026 op gereageerd naar de notaris toe. De notaris reageert vervolgens op 28 januari 2026 op dit bericht van de vrouw en de vrouw stuurt diezelfde dag een kopie van haar legitimatiebewijs toe aan de notaris.
De vrouw voegt daaraan toe dat de man ook hier heeft nagelaten de vrouw te betrekken in zijn keuze voor de notaris. Ook als de notaris het e-mailadres verkeerd heeft ingevoerd en de man wel de juiste gegevens heeft verstrekt had hij de vrouw kunnen en moeten informeren. In ieder geval kan het de vrouw niet worden aangerekend dat de notaris geen conceptakte van verdeling heeft opgesteld. De vrouw betwist niet dat de man belang heeft bij toedeling van de woning aan de man. Hij zal daarvoor echter een marktconforme prijs moet betalen. Doordat de deadline is verstreken zijn partijen tot verkoop gehouden. Als de man deze afspraak wil veranderen dan heeft hij de medewerking van de vrouw nodig.
De vrouw heeft belang bij verkoop van de woning. Zij huurt haar huidige woning en kan deze woning pas kopen wanneer zij beschikt over haar aandeel in de overwaarde. De (huur)woning zal moeten worden getaxeerd wanneer de vrouw haar aandeel in de verkoopopbrengst van de woning heeft ontvangen. De waarde van haar huidige woning stijgt ook door, zodat zij er wel degelijk belang bij heeft dat de gezamenlijke woning te gelde wordt gemaakt.
De vrouw kan er, gelet op de weigering van de man om mee te werken aan verkoop van de voormalige echtelijke woning, niet op vertrouwen dat de man zal meewerken aan een veroordelend vonnis van uw rechtbank. Zij verzoekt de voorzieningenrechter derhalve aan de niet-nakoming van het te dezen te wijzen vonnis een dwangsom te verbinden. De vrouw wijst er in dit verband op dat de man de voorzieningenrechter geen inzage heeft gegeven in zijn financiële situatie (ten aanzien van zijn vordering ter zake van de alimentatie). Nu hij kennelijk voldoende financiële middelen heeft om zijn advocaat opdracht te geven om twee procedures tegelijk te starten, zal de dwangsom van dien aard moeten zijn dat de man niet in de verleiding kan komen om niet mee te werken aan de uitvoering van het vonnis.

5.De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vorderingen van de man voor wat betreft de vordering over de toedeling van de echtelijke woning vast.
Het spoedeisend belang van de vrouw voor wat betreft haar vorderingen ten aanzien van de echtelijke woning is door de vrouw onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter twijfelt niet dat zij belang heeft bij het verkrijgen van het aan haar toekomend geldbedrag bij toebedeling dan wel verkoop van de woning. Echter haar stellingen dat zij haar huidige huurwoning van haar zus wenst over te nemen en dat dit nu tegen een hogere waarde zal zijn omdat de woningwaarde de afgelopen maanden is gestegen, heeft zij niet met stukken onderbouwd. Nergens blijkt uit dat de vrouw bezig is (geweest) met een hypotheektraject. De voorzieningenrechter zal daarom deze vordering van de vrouw niet-ontvankelijk verklaren.
De voorzieningenrechter zal de man in zijn vordering betreffende de kinderalimentatie eveneens niet-ontvankelijk verklaren, omdat het spoedeisend belang bij deze vordering ontbreekt zoals namens de man ter zitting eigenlijk is toegegeven.
5.2.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
5.3.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
5.4.
Beide partijen vragen nakoming van beschikking van 28 oktober 2025. Uit de beschikking van 28 oktober 2025 blijkt dat partijen een aantal afspraken hebben gemaakt ten aanzien van de toedeling van de woning aan de man dan wel de verkoop van de woning aan derden en dat de rechtbank deze afspraken heeft vastgelegd.
De voorzieningenrechter ziet zich geplaatst voor de vraag wat van de man in redelijkheid op basis van de gemaakte afspraken verwacht had mogen worden. Het geschil draait met name om de afspraak dat de man gedurende 4 maanden na ontvangst van het taxatierapport de gelegenheid heeft om aan te tonen dat hij een financiering voor de overname van het aandeel van de vrouw in de woning en het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening geregeld heeft. In de beschikking staat ook dat de rechtbank aanvullend zal bepalen dat partijen binnen drie weken nadat de man de vrouw heeft bericht dat hij de woning kan overnemen onder de hiervoor genoemde voorwaarden/ verplichtingen, contact dienen op te nemen met de notaris om een afspraak te maken voor de notariële levering van het aandeel van de vrouw aan de man.
5.5.
De man heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd dat de beschikking van 28 oktober 2025 nodig was voor het kunnen indienen van een financieringsaanvraag. Zijn hypotheekadviseur schrijft hierover in een mail van 26 september 2025 het volgende: “Er zal in ieder geval in een officieel document vast moeten liggen dat er geen alimentatieverplichting zal zijn. In welke vorm dat aangetoond moet worden zullen wij zien n.a.v. de beschikking.” De vrouw had op de zitting in juli 2025 nog een voorbehoud gemaakt over mogelijke partneralimentatie.
5.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de beschikking in deze zaak meerdere keren is uitgesteld. Geen van partijen heeft hiertegen iets ondernomen.
5.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man zich ook voldoende heeft ingespannen om de tussen partijen gemaakte afspraken na te komen. Beide partijen hebben tijdens de zitting van 3 februari 2026 aangegeven belang te hebben bij een spoedige oplossing.
Voor de voorzieningenrechter is vast komen te staan dat er voor nieuwe afspraken een nieuw hypotheekaanvraagtraject met bijkomende kosten zal moet worden opgestart. Tijdens de zitting is het de voorzieningenrechter gebleken dat partijen in een dusdanige patstelling verkeren dat er geen ruimte meer is – op dit onderdeel van het geschil – om tot een minnelijke oplossing te komen.
5.6.
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat vier maanden na de taxatiedatum 7 december 2025 is. Kort voor deze datum, te weten op 4 december 2025, heeft de (advocaat van de) man aan de (advocaat van de) vrouw laten weten dat de man bericht heeft ontvangen dat alle stukken zijn gecontroleerd en dat een inkomenstoetsing heeft plaatsgevonden. Ook blijkt uit dit bericht dat er op 11 december 2025 er een afspraak bij de hypotheekadviseur staat, waarna de stukken ingediend zullen worden bij Aegon. De advocaat van de man heeft daarbij aangegeven dat zij door persoonlijke omstandigheden niet eerder kon reageren. Op 15 december 2025 heeft Aegon een renteaanbod aan de man gedaan, welk aanbod de man op 16 december 2025 heeft geaccepteerd en ondertekend geretourneerd. Op 18 december 2025 bevestigt de hypotheekadviseur dat de aanvraag is ingediend bij Aegon.
5.7.
Op dat moment is er tussen partijen al een geschil ontstaan en stelt de vrouw aanvullende voorwaarden om mee te werken aan het verdere hypotheektraject.
5.8.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man al het nodige heeft gedaan wat binnen zijn macht lag om te doen. Er zijn echter omstandigheden, waaronder de vertraging van de beschikking van 28 oktober 2025, de persoonlijke omstandigheden aan de zijde van zijn advocaat en de voorwaarden van de hypotheeknemer waardoor de deadline van 7 december 2025 niet is gehaald. Daar komt bij dat de gemaakte partij-afspraken ook enkel en alleen gehaald konden worden als de man voor 7 december 2025 de overdracht bij de notaris had kunnen laten passeren. Een hypotheeknemer ontslaat de andere partij pas uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wanneer de volledige hypotheekschuld is afgelost c.q. overgenomen. De niet haalbaarheid van deze afspraak is niet enkel aan de man te wijten.
Bovendien valt uit de beschikking af te leiden dat het niet de bedoeling van de rechtbank was dat de woning binnen de door de 4 maanden termijn van partijen overgedragen was aan de man. De rechtbank heeft namelijk aanvullend bepaald dat partijen drie weken kregen om nadat de man aangetoond had de woning over te kunnen nemen contact op te nemen met de notaris voor het maken van een afspraak. Het was dus ook nog maar de vraag of de notariële akte nog in 2025 had kúnnen passeren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat – indien de rechtbank de beschikking niet pas op 28 oktober 2025 had gewezen – het aannemelijker was dat dit wel had kunnen gebeuren. Nu is alles door de man zo snel als mogelijk doorgestuurd naar de notaris en heeft de notaris – voor zover de voorzieningenrechter kan zien – zelf pas in januari 2026 contact opgenomen met de vrouw.
5.9.
De communicatieproblemen tussen partijen zijn niet volledig op de man af te wentelen. Het had ook op de weg van de vrouw gelegen om de man te vragen om updates over het hypotheektraject van de man. Uit de tussen partijen gemaakte afspraken blijkt daarnaast ook niet duidelijk op welke manier de man aan had moeten tonen dat hij de woning over zou kunnen nemen. Het bericht van de (advocaat van de) man dat er een positieve inkomenstoetsing is gedaan en dat het renteaanbod van de geldverstrekker door de man is geaccepteerd, wordt nu – achteraf – door de vrouw als onvoldoende gezien. De voorzieningenrechter vindt dit in het licht van de door de man gedane inspanningen niet redelijk en billijk.
5.10.
De man heeft – na de taxatie van de woning – in tegenstelling tot de vrouw niet stilgezeten. Hij had daar ook geen belang bij, anders dan mogelijk wel de vrouw, aangezien zij geen belang bij het behoud van de woning door de man zou kunnen hebben en wel een belang zou kunnen hebben bij een waardestijging van de woning en dus een afrekening tussen partijen over de mogelijk hogere huidige marktwaarde van de woning.
5.11.
Ten aanzien van de marktwaarde van de woning had het op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling dat de waarde van de woning aanzienlijk in waarde is gestegen en zij om die reden niet gehouden kan worden aan de taxatiewaarde van M2 makelaars nader met stukken te onderbouwen. Het enkele beroep op de door Aegon genoemde desktopwaarde, welke geenszins met verdere stukken is onderbouwd en welke door de man, met stukken, gemotiveerd is betwist, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende. Partijen waren beiden op het moment van het maken van de afspraken op de hoogte van de ontwikkelingen op de woningmarkt. Dat de woning nu mogelijk meer waard is dan op de taxatiedatum lag ook in de lijn der verwachting.
Dat brengt echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer met zich mee dat de vrouw dan nu aanspraak kan maken op een mogelijk hoger overbedelingsbedrag. Dat had wellicht anders gelegen, indien er aan de zijde van de man wel sprake was geweest van stil zitten.
5.12.
Al met al vindt de voorzieningenrechter dat de man een geringe tijd van enkele dagen te laat is geweest ten opzichte van de in het vonnis opgenomen termijn en dat het onredelijk en onbillijk zou zijn hier de gevolgen aan te verbinden die de vrouw vordert. De voorzieningenrechter zal de primaire vordering van de man toewijzen. De voorzieningenrechter zal daarbij de gevraagde dwangsom afwijzen, nu dit vonnis wanneer de vrouw niet meewerkt in de plaats treedt van haar niet medewerking en het hypotheektraject daardoor niet (verder) vertraagd kan worden. De verdere door de man gevraagde kosten zal de voorzieningenrechter niet voor rekening van de vrouw laten komen. De voorzieningenrechter ziet daar op grond van de beschikking van 28 oktober 2025 en meer in het bijzonder rechtsoverweging 3.51. geen gronden voor.
5.13.
De voorzieningenrechter zal, gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, bepalen dat de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Beide partijen hadden na afloop van de taxatie van de woning en het ontvangen van het taxatierapport kunnen communiceren over het hypotheektraject. De voorzieningenrechter ziet geen redenen om deze kosten dan nu volledig af te wentelen op de vrouw.
5.14.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
verklaart de man ten aanzien van zijn vordering betreffende de kinderalimentatie niet-ontvankelijk;
6.2.
verklaart de vrouw ten aanzien van haar vorderingen niet-ontvankelijk;
6.3.
veroordeelt de vrouw tot nakoming van de beschikking van 28 oktober 2025 en veroordeelt de vrouw om alle feitelijke en juridische medewerking te verlenen aan de levering van haar aandeel in het registergoed, staande en gelegen aan de [adres] aan de man (i) tegen betaling door de man van het bedrag van € 62.297,93 aan de vrouw en (ii) tegen verstrekking van een schriftelijk bewijs van ontslag uit de hoofdelijkheid van de hypothecaire geldleningen aan de vrouw;
6.4.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening en/of de goedkeurende wilsverklaring van de vrouw op de notariële akte strekkende tot levering van het onder sub 2 vermelde registergoed en het vonnis de handtekening en/of de goedkeurende wilsverklaring van de vrouw vervangt, indien de vrouw niet aan het bepaalde onder 6.1. voldoet;
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.7.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier.