ECLI:NL:RBZWB:2026:1511

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443056 / JE RK 25-2244
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om een minderjarige onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen bij de vader. De ouders hebben gezamenlijk gezag, maar de relatie is in 2025 beëindigd en de minderjarige woont sinds oktober 2025 bij de vader. Er is sprake van spanningen tussen ouders, fysiek en verbaal geweld, en een onveilig opvoedklimaat, wat de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigt.

De Raad baseert het verzoek op zorgen over het psychisch welzijn van de moeder, die suïcidale gedachten heeft en onvoldoende beschikbaar is voor de zorg. De moeder is wisselend in haar medewerking aan hulpverlening en het contact met de minderjarige verloopt moeizaam. De vader werkt wel mee aan hulpverlening, maar heeft een belast verleden. Beide ouders hebben een geschiedenis van huiselijk geweld in hun opvoeding.

De kinderrechter oordeelt dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende effect heeft gehad en dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend omdat de moeder niet volledig achter de plaatsing bij de vader staat en er onvoldoende zicht is op haar belastbaarheid. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en geldt direct. Het doel is om binnen de ondertoezichtstelling te werken aan een veilig en onbelast contact met beide ouders en een duurzame terugplaatsing bij de moeder te realiseren.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld voor een jaar en krijgt een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader voor zes maanden vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en onduidelijkheid over de belastbaarheid van de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443056 / JE RK 25-2244
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Eindhoven,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 december 2025;
  • het bericht van mr. Van Kerkhof met bijlage van 30 januari 2026;
  • het bericht van mr. Van Kerkhof met bijlage van 5 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, middels een videobelverbinding;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI, middels een videobelverbinding.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Ouders hebben ongeveer 11 jaar een relatie gehad, welke in 2025 is beëindigd. Sinds juli 2025 woont moeder elders.
2.3.
[minderjarige] woont sinds 20 oktober 2025 bij zijn vader.
2.4.
Er is sprake van begeleid contact tussen [minderjarige] en zijn moeder sinds 20 oktober 2025.
2.5.
Ouders hebben in december 2025 een ouderschapsplan opgesteld, waarin is bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder en [minderjarige] bij de vader verblijft in de ene week van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school en in de andere week van vrijdagmiddag 18.00 uur tot maandagochtend naar school.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad legt aan het verzoek het volgende ten grondslag. [minderjarige] wordt voortdurend blootgesteld aan spanningen tussen de ouders, aan fysiek en verbaal geweld en het gebrek aan emotionele beschikbaarheid van beide ouders. [minderjarige] groeit op in een onveilig en onvoorspelbaar opvoedklimaat. Dit brengt een groot risico met zich mee op een verstoorde sociaal-emotionele ontwikkeling. Vanwege zorgen over het psychische welzijn van de moeder (suïcidale gedachten), is [minderjarige] bij de vader gaan wonen. De moeder wordt momenteel door de hulpverlening niet in staat geacht om voor [minderjarige] te zorgen. [minderjarige] heeft het syndroom van Noonan. Dit heeft momenteel als gevolg dat [minderjarige] eetproblemen heeft en een oogafwijking. Het lijkt verder nog geen invloed te hebben op zijn schoolprestaties. De Raad is bezorgd dat wanneer de ruzies en escalaties blijven bestaan tussen partijen, [minderjarige] blijvend blootgesteld wordt aan de echtscheidingsstrijd van de ouders, met alle negatieve gevolgen van dien. De huidige spanningen kunnen ook een direct negatief gevolg hebben op zijn al aanwezige eetprobleem. Door het ziekenhuis is dit ook zo aangegeven. De Raad maakt zich ook zorgen dat er momenteel, sinds oktober 2025, nauwelijks contact meer is tussen [minderjarige] en zijn moeder. Moeder was destijds onvoldoende fysiek en emotioneel beschikbaar voor [minderjarige] en de gemeente heeft geoordeeld dat het niet meer veilig was voor [minderjarige] om bij de moeder te verblijven. [minderjarige] zou tijdelijk volledig bij de vader gaan wonen en voor de moeder was individuele hulp (zoals een opname) nodig. De daarna georganiseerde begeleide contactmomenten lijken daarnaast niet altijd doorgang te vinden. De moeder heeft onvoldoende inzicht in de noodzaak van begeleide omgang voor [minderjarige] . Moeder is ook erg wisselend en onbetrouwbaar in de uitspraken die ze doet en in het nakomen van de afspraken. Ook hier lijkt moeder onvoldoende bewust te zijn van wat deze uitspraken en het niet nakomen van de afspraken met [minderjarige] doen. [minderjarige] ervaart hierdoor veel onduidelijkheid. Het risico bestaat dat hij het gevoel kan hebben dat moeder hem niet wil zien en hierin teleurgesteld kan zijn. Wanneer contact uitblijft kan dit negatieve gevolgen hebben voor zijn identiteits- en loyaliteitsontwikkeling. De Raad heeft zorgen over het psychische welzijn van de moeder. Er is sprake van trauma’s en overbelasting, zeker in het laatste kwartaal van 2025. De Raad heeft onvoldoende zicht op hoe het nu met de moeder gaat en of haar medicatiegebruik nog steeds een zorg is. Daarbij is moeder wisselend gebleken in contact met de hulpverlening en komt de hulpverlening moeizaam met de moeder tot afspraken. Door de tegenstrijdigheden van moeder, is het lastig gebleken een goed beeld van moeder te krijgen en te achterhalen wat er precies speelt en wat er nodig is om tot blijvende afspraken te komen. Indien moeder ambivalent blijft in haar medewerking tot hulp, gaat er onvoldoende zicht komen op haar en ook op het contact tussen haar en [minderjarige] . Ook voor de vader is er veel veranderd nu hij ineens de volledige zorg heeft voor [minderjarige] . Vader staat open voor hulpverlening. Het is soms voor hem wat moeilijker om qua emoties aan te sluiten bij [minderjarige] . In het verleden heeft hij moeite gehad met het reguleren van zijn emoties en daarnaast heeft hij in het verleden drugs gebruikt en begaf hij zich in het criminele circuit. Moeder heeft over het drugsgebruik van vader zorgen geuit. Binnen het onderzoek zijn daarover geen concrete zorgen naar voren gekomen. Wat wel naar voren komt is dat beide ouders negatief over elkaar kunnen zijn. Daarnaast hebben beide ouders een belast verleden, waarbij ze allebei huiselijk geweld in de eigen opvoedingsomgeving hebben meegemaakt. De Raad vindt het positief dat ouders aangeven het absoluut anders te willen doen dan hoe zij zelf zijn opgevoed. Tot op heden is dit nog niet volledig gelukt. Ouders moeten wel bereid zijn de juiste stappen te zetten om de rust en veiligheid voor [minderjarige] te creëren.
4.2.
Op dit moment zijn ouders onvoldoende bereid en in staat onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsdreiging zoals hiervoor beschreven weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Beide ouders kwamen in het begin de afspraken van de hulpverlening niet na. De vader werkt nu wel mee aan de afspraken; moeder houdt zich er echter onvoldoende aan. De hulpverlening heeft ook onvoldoende kunnen werken aan doelen om de ontwikkelingsdreiging voor [minderjarige] weg te nemen, aangezien zij teveel bezig zijn geweest met de spanningen en situaties tussen de ouders. Aangezien er op verschillende onderdelen hulp ingezet moet gaan worden acht de Raad een ondertoezichtstelling van een jaar passend.
4.3.
Voorts acht de Raad een uithuisplaatsing voor [minderjarige] noodzakelijk. Ouders hebben nog geen ouderschapsplan opgesteld en nog geen afspraken gemaakt over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . Het is nodig dat [minderjarige] langer bij de vader blijft wonen en dat er middels hulpverlening zicht komt op hoe het met moeder gaat en op hoe het contact tussen moeder en [minderjarige] weer hersteld en opgebouwd kan worden. Verder staat moeder niet volledig achter de plaatsing bij de vader. De Raad verzoekt een duur van zes maanden aangezien de Raad van mening is dat er op korte termijn duidelijkheid moet komen over de mogelijkheden van de moeder om weer (deels) de zorg en opvoeding over [minderjarige] op zich te nemen.
4.4.
De moeder is het er mee eens dat [minderjarige] onder toezicht wordt gesteld. Ze is het echter niet eens met de machtiging tot uithuisplaatsing. Ze wil [minderjarige] weer zien en dat hij bij haar komt wonen. In oktober 2025 zat moeder inderdaad in een zware periode. Zij heeft ook uitspraken gedaan die enorm serieus zijn opgepakt. Dat is enerzijds terecht, anderzijds hadden de instanties de uitspraken van moeder in hun context kunnen plaatsen. De gemeente heeft bij de moeder ook de indruk gewekt dat zij het besluit konden nemen dat [minderjarige] bij vader werd geplaatst, en dat zij daarin geen keus had. Het raadsrapport schetst nog steeds een zwart beeld, partijen hebben echter grote stappen gezet. Met behulp van mr. Kremers hebben partijen een ouderschapsplan opgesteld. Dit is ook hoe partijen het voor de toekomst voor ogen zien en ouders willen de zorg voor [minderjarige] volgens het ouderschapsplan uitvoeren. Uit de omgangsverslagen blijkt ook dat moeder goed weet aan te sluiten bij [minderjarige] . Ze mag [minderjarige] nu twee momenten per week zien op voorwaarde dat zij geen auto rijdt met hem, in verband met haar medicatie. Moeder gaat ook met zichzelf aan de slag, ze krijgt emotieregulatietherapie en nadien EMDR. De moeder heeft wel moeite met de au pair die vader ingeschakeld heeft om op [minderjarige] te passen als hij druk is met werken voor zijn ondernemingen. Het is voor moeder wrang dat zij nu beschikbaar is om vaker voor [minderjarige] te zorgen en dat de zorg overgelaten wordt aan een tiener die nauwelijks ervaring heeft met het zorgen voor een kind. Moeder staat hiermee aan de zijlijn. [minderjarige] zou volledig bij haar moeten wonen met regie vanuit de ondertoezichtstelling. Mocht het fout gaan dan kan er meteen actie ondernomen worden. Primair dient de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook niet verleend te worden, subsidiair dient deze machtiging in duur te worden bekort. Een termijn van maximaal drie maanden is voldoende om toe te werken naar de regeling volgens het ouderschapsplan.
4.5.
De vader laat [minderjarige] inmiddels met een gerust gevoel bij de moeder. Twee maanden terug was dat inderdaad anders. [minderjarige] heeft er ook baat bij om de moeder te zien, hij komt altijd vrolijk terug van een bezoek aan moeder. Vader wil dat [minderjarige] weer bij de moeder gaat wonen, mits zij geen auto rijdt met hem. Hij vindt het wel jammer dat de au pair afgeschilderd wordt als incapabel, hij heeft goede zorg ingeschakeld voor [minderjarige] binnen zijn mogelijkheden. Zijn werk vraagt nu ook eenmaal veel van hem. [minderjarige] heeft nu een goede structuur en zijn eetprobleem is niet meer aanwezig. Ouders hebben een giftige relatie gehad, maar moeder is een betrokken moeder voor [minderjarige] en zij wil het beste voor hem. Indien ouders terug dreigen te vallen in oud gedrag dan is het goed als er meteen ingegrepen kan worden middels een ondertoezichtstelling. De machtiging tot uithuisplaatsing is wat vader betreft niet nodig.
4.6.
De Raad handhaaft haar verzoek. De rapportage is slechts zes weken oud en het ouderschapsplan is op 30 januari 2026 ingediend. De machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk nu moeder zich er niet in kan vinden dat [minderjarige] bij de vader is geplaatst. De Raad heeft de indruk dat het ouderschapsplan is opgesteld omdat er een oplossing moest komen voor [minderjarige] . Er moet echter gekeken worden hoe de overplaatsing van [minderjarige] naar moeder gerealiseerd kan worden. Er dient sprake te zijn van langdurige stabiliteit, de contactregeling moet voor een langere periode goed verlopen en er moet zicht komen op de opvoedsituatie. De afgelopen maanden zijn niet fijn geweest voor [minderjarige] en hij heeft veel meegemaakt. Er moet ingezet worden op het opbouwen van een duurzaam contact en zodra er aan de zijde van moeder meer stabiliteit is moet bekeken worden hoe toegewerkt kan worden naar een duurzame terugplaatsing. Daarbij moet ook in ogenschouw worden genomen dat moeder therapie gaat krijgen en dat ook wat van haar gaat vragen. [minderjarige] nu opeens bij de moeder plaatsen is niet in zijn belang. Hij moet nu nog in zijn veilige en stabiele omgeving blijven, bij de vader.
4.7.
De GI heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat nu partijen het op veel punten eens zijn partijen niet op een wachtlijst hoeven te belanden. Er is een monitoringslijst van actieve jeugdbeschermers en indien ouders meewerken kan er op vrij korte termijn inzicht worden verkregen in de situatie, ook omdat er al hulpverlening betrokken is. Indien ouders gemotiveerd zijn dan kan er snel toegewerkt worden naar de zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan, mits dit in het belang van [minderjarige] is. De machtiging tot uithuisplaatsing zou dan misschien niet voor de volle zes maanden uitgevoerd hoeven te worden. De ondertoezichtstelling acht de GI nodig, gelet op alle gebeurtenissen in het verleden. Nu dient de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd te worden en moet worden gewerkt aan een duurzame terugplaatsing bij de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat hij in zijn jonge leven al veel heeft meegemaakt. Zo is hij langdurig blootgesteld aan spanningen, conflicten en ruzies tussen ouders tijdens hun relatie. De strijd tussen ouders lijkt zeer recent afgenomen, maar er kan nog niet gesproken worden over een onbelast contact van [minderjarige] met beide ouders. Hoewel te prijzen is dat het ouders gelukt is om een ouderschapsplan op te stellen en zij nu ook in lijken te zien dat zij een andere koers met elkaar moeten varen, is de situatie nog precair. Er dient voor gewaakt te worden dat ouders terugvallen in oude patronen. Beide ouders zijn het er ook over eens dat er toezicht van een neutrale derde moet blijven. Met name omdat de emoties van ouders snel op kunnen lopen. Er moet worden voorkomen dat [minderjarige] wederom blootgesteld wordt aan spanningen en conflicten tussen ouders. Met name nu [minderjarige] van zichzelf kwetsbaarder is gelet op zijn syndroom. De komende periode zullen de contacten tussen de moeder en [minderjarige] verder uitgebreid worden hetgeen gemonitord en geëvalueerd moet worden. Voorts dient er meer zicht te komen op de situatie van moeder en partijen zullen nog verder moeten werken aan de invulling van hun gezamenlijk ouderschap. Daarnaast zal moeder nog individueel therapieën volgen. Dit alles zal in goede banen geleid moeten worden en waar nodig bijsturing behoeven vanuit een regievoerder.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat gebleken is dat daar onvoldoende vooruitgang wordt geboekt. De juiste hulp moet worden ingezet en belangrijk is dat deze doorgang kan blijven vinden. Tot op heden is een patroon zichtbaar geweest waarbij ouders wisselend contact met elkaar hebben, de hulpverlening niet toekomt aan het werken aan de doelen doordat de strijd tussen ouders op de voorgrond staat en moeder ambivalent is in het accepteren van hulpverlening. Er dient regie gevoerd te gaan worden in het gedwongen kader, zodat de ontwikkelingsdreiging voor [minderjarige] weg kan worden genomen.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.5.
Binnen de ondertoezichtstelling zal gewerkt worden aan de volgende doelen:
- [minderjarige] heeft een onbelast, structureel en veilig contact met beide ouders;
- [minderjarige] ervaart een conflictloze/spanningsvrije opvoedingssituatie bij beide ouders;
- [minderjarige] ervaart een onbelaste, spanningsvrije manier van communiceren tussen ouders, waarbij zij elkaar over een weer informeren over zaken omtrent [minderjarige] ;
- [minderjarige] heeft een moeder die stabiel is in haar functioneren, emotioneel en fysiek beschikbaar is voor hem en betrouwbaar;
- [minderjarige] heeft ouders die kunnen aansluiten bij zijn gedrag, bieden hem structuur en regels;
- [minderjarige] heeft ouders die kunnen aansluiten bij hetgeen [minderjarige] nodig heeft vanwege het syndroom van Noonan en zij zijn aanwezig bij afspraken met zorginstanties;
- [minderjarige] heeft ouders die een manier hebben gevonden om in het belang van [minderjarige] te kijken naar hoe zij hun gezamenlijk ouderschap vorm kunnen geven vanuit de ontwikkelingsbehoefte van [minderjarige] .
5.6.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2] Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat moeder niet (volledig) achter de plaatsing van [minderjarige] bij vader kan staan. Nu er sprake is van gezamenlijk ouderlijk gezag en partijen het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder hebben bepaald, is daarom een machtiging tot uithuisplaatsing nodig. Op dit moment bestaat er ook nog onvoldoende zicht op de belastbaarheid van de moeder en in welke mate zij nu of op termijn duurzaam in staat is de zorg voor [minderjarige] weer op zich te kunnen nemen. [minderjarige] nu ineens volledig overplaatsen naar de moeder terwijl onvoldoende zicht is op haar huidige belastbaarheid, acht de kinderrechter niet in het belang van [minderjarige] . De kinderrechter geeft wel aan de GI mee om toe te zien op de wijze waarop [minderjarige] nu wordt opgevangen, aangezien moeder daar zorgen over heeft. Het voorgaande neemt niet weg dat het de bedoeling is dat [minderjarige] volgens het schema van het ouderschapsplan gaat verblijven bij de ouders. De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat partijen op de monitoringslijst van actieve jeugdbeschermers komen te staan en indien partijen hun medewerking verlenen hieraan er snel zicht kan komen op de situatie, ook omdat er al hulpverlening betrokken is. Op die manier kan er, mits dat ook in het belang is van [minderjarige] , op korte termijn stappen gezet worden en gewerkt worden aan terugplaatsing bij de moeder. De kinderrechter benadrukt dat zij het ook van belang acht dat hier voortvarend te werk wordt gegaan, zodat de visie die ouders hebben en die zij samen zijn overeengekomen in het ouderschapsplan kan worden uitgevoerd. Ouders zijn daarbij ook bepalend aangezien zij dan hun volledige medewerking zullen moeten verlenen. Voorts blijft voorop staan dat het belang van [minderjarige] hierin leidend is. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur zoals is verzocht, aangezien zij een termijn van drie maanden te kort vindt en de kans groot is dat er dan toch wederom een verlenging moet worden gevraagd. Ook dit neemt niet weg dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet de gehele zes maanden hoeft te worden uitgevoerd, zoals ook ter zitting door de GI is bevestigd. Zodra het in het belang van [minderjarige] is om weer teruggeplaatst te worden bij de moeder, dan zal daar gehoor aan worden gegeven.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 5 februari 2026 tot 5 februari 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 5 februari 2026 tot 5 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.