ECLI:NL:RBZWB:2026:1521

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444089
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De minderjarige verblijft sinds mei 2025 bij zijn grootouders vanwege onveilige situaties en emotionele belasting veroorzaakt door de instabiele opvoedsituatie bij de moeder.

Tijdens de zitting waren de moeder, grootouders, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig. De moeder erkent de problematiek en staat achter de maatregelen, met de wens tot tussentijdse toetsing van de uithuisplaatsing. De grootouders ondersteunen het verzoek en benadrukken de noodzaak van rust en stabiliteit voor de minderjarige.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkeling van de minderjarige wordt ernstig bedreigd door de problematiek van de moeder, die onvoldoende in staat is een stabiele opvoedsituatie te bieden. De uithuisplaatsing is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het resterende deel van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing wordt aangehouden voor nadere rapportage.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444089 / JE RK 26-82
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, Breda ,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. P. Doorakkers uit Oosterhout.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[grootouder mz 1] en [grootouder mz 2],
hierna te noemen: de grootouders (mz),
wonende in [woonplaats] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 januari 2026;
  • het raadsonderzoek van 15 januari 2026;
  • het bericht van de GI van 23 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de grootouders (mz);
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Met toestemming van de kinderrechter sluiten de medewerkers van de GI digitaal bij de zitting aan.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds 23 mei 2025 bij de grootouders (mz).

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden.
3.2.
Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt de machtiging te verlenen voor zes maanden en het overige deel van het verzoek aan te houden.
3.3.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, aan dat er al jaren sprake is van een instabiele en onvoorspelbare opvoedsituatie bij moeder. [minderjarige] wordt al geruime tijd belast met de problematiek van de moeder. Er hebben zich onveilige situaties rondom [minderjarige] voorgedaan, omdat er onvoldoende toezicht op hem is geweest. Ook bestaan er zorgen over emotionele belasting. Er is veel onduidelijkheid geweest voor [minderjarige] door de fysieke en emotionele beschikbaarheid van zijn moeder. [minderjarige] wordt hierdoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] verblijft sinds het incident bij de supermarkt bij de grootouders (mz).
4.2.
De Raad zou aan de doelen zoals deze in het rapport zijn genoemd willen toevoegen dat zij het belangrijk vinden dat er sprake is van een goede communicatie en een goede omgangsregeling. In het geval dat de [minderjarige] niet teruggeplaatst kan worden is er dan in ieder geval een stabiele situatie en een fijne omgangsregeling voor [minderjarige] .

5.Het standpunt van belanghebbende

5.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, maar zij heeft uitdrukkelijk de wens uitgesproken dat de uithuisplaatsing na een half jaar wordt getoetst. De moeder geeft aan dat zij stabiel is en dat zij hulpverlening krijgt vanuit de [zorggroep] . De moeder is heel blij met de hulp die ze krijgt vanuit die zorggroep. De moeder vindt het prettig als er korte lijnen zijn in de communicatie, vooral tussen haar en [minderjarige] , zodat er geen ruis kan ontstaan. De moeder ziet al lange tijd de zorgen rondom [minderjarige] en heeft geprobeerd hulp in te schakelen, maar dat is nooit echt op gang gekomen. Daar is zij gefrustreerd over. De moeder hoopt dat [minderjarige] zo snel mogelijk teruggeplaatst kan worden. Al sinds mei of juni is [minderjarige] bij de grootouders (mz). De moeder en [minderjarige] zien elkaar op donderdag voor anderhalf uur. Daar zijn zowel de begeleider van [minderjarige] als de begeleider van de moeder bij.

6.Het standpunt van de GI

6.1.
De GI kan zich vinden in het verzoek van de Raad. Er bestaan grote zorgen over [minderjarige] . De GI vindt het belangrijk dat de moeder open staat voor hulpverlening en dat er goed gecommuniceerd wordt. De GI heeft gezien dat [minderjarige] is aangemeld bij [praktijk] . De grootouders (mz) worden ondersteund en begeleid door [zorgorganisatie] . Als er andere hulpverlening nodig is zal de GI die inzetten. De GI zou graag aan de doelen, zoals deze door de Raad geformuleerd zijn, willen toevoegen dat het belangrijk is dat de moeder en de grootouders (mz) betrokken worden bij de hulpverlening en dat er psycho-educatie komt.
6.2.
Er is op dit moment sprake van een wachtperiode bij de GI. Dat betekent dat er iemand vanuit het monitoringsteam gekoppeld zal worden aan [minderjarige] die de nodige stappen zal zetten. De Raad heeft verzocht de uithuisplaatsing voor zes maanden toe te wijzen en het overige deel aan te houden. De GI zou graag de kanttekening maken dat het mogelijk is dat er tegen die tijd pas net een vaste jeugdbeschermer betrokken zal zijn .

7.Het standpunt van informanten

7.1.
Door de grootouders (mz) is, samengevat, naar voren gebracht dat zij achter het verzoek staan. De grootouders (mz) denken dat het zwaar voor de moeder is, maar dat het wel goed is voor [minderjarige] om meer rust en stabiliteit te hebben. Er is de afgelopen periode veel gebeurd. Het is op dit moment ook wat chaotisch, omdat [minderjarige] plotseling naar een andere school moest gaan. Dat was in overleg tussen de school en de moeder. [minderjarige] gaat nu naar speciaal onderwijs. Doordeweeks werken de grootouders (mz) en gaat [minderjarige] naar de voor- en naschoolse opvang. Vanwege de schoolwisseling gaat [minderjarige] ook naar een andere opvang. [minderjarige] vond dat lastig. Er is nog geen hulpverlening opgestart voor [minderjarige] . Het contact tussen de grootouders (mz) en de moeder is minder geworden sinds de grootouders (mz) de verzorging voor [minderjarige] op zich hebben genomen. De grootouders (mz) staan open voor aandacht daarvoor.

8.De beoordeling

Ondertoezichtstelling
8.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
8.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Er is sprake van een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] direct en ernstig wordt bedreigd. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De verwachting is dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer zelf kan dragen. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.
8.3.
Er is al geruime tijd sprake van een instabiele en onvoorspelbare opvoedsituatie bij de moeder, waarbij [minderjarige] wordt belast en blootgesteld aan de problematiek van de moeder. Er hebben zich onveilige situaties rondom [minderjarige] voorgedaan en er zijn zorgen over de emotionele belasting van [minderjarige] . Er zijn verschillende vormen van hulp in het vrijwillige kader ingezet. Dit heeft echter niet gezorgd voor verbetering. In mei 2025 is [minderjarige] zelfstandig naar de supermarkt gegaan om drank voor zijn moeder te halen. De moeder lag te slapen en [minderjarige] heeft de deur zelf van het slot gehaald. De moeder is meermalen opgenomen geweest, zowel vrijwillig als gedwongen. [minderjarige] is gestagneerd in zijn ontwikkeling op school en is overgeplaatst naar speciaal onderwijs. [minderjarige] is impulsief, heeft continu begeleiding nodig en gebruikt fysiek geweld richting zijn moeder, andere kinderen en dieren. De problematiek van de moeder staat echter op de voorgrond en lijkt, door het psychotische beeld, steeds meer toe te nemen. De moeder erkent haar psychische problematiek onvoldoende, overziet het effect van haar problematiek op [minderjarige] onvoldoende en het kan niet uitgesloten worden dat zij verdovende middelen gebruikt. De moeder is daardoor onvoldoende in staat om een stabiele en veilige opvoedsituatie te creëren voor [minderjarige] .
8.4.
De kinderrechter vindt het positief dat [minderjarige] goed contact heeft met zijn grootouders (mz), dat de moeder en de grootouders open staan voor hulpverlening en dat de communicatie over het algemeen goed verloopt. Zowel de moeder als de grootouders kunnen zich vinden in de verzoeken. De komende periode moet worden ingezet op onderzoek naar de onderliggende problematiek van de forse gedragsproblemen van [minderjarige] zodat [minderjarige] daarvoor behandeld kan worden.
8.5.
De doelen waarin tijdens de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden, zijn:
  • [minderjarige] groeit op binnen een stabiele, veilige en rustige opvoedsituatie;
  • [minderjarige] heeft onbelast en op een veilige wijze contact met zijn moeder;
  • Het woonperspectief van [minderjarige] is duidelijk;
  • [minderjarige] kan zijn emoties en gedrag veilig en passend reguleren, zodat hij toe kan komen aan zijn ontwikkelingstaken passend bij zijn leeftijd;
  • Er wordt toegewerkt naar een stabiele ouder-kindrelatie zodat de moeder in het leven van [minderjarige] een belangrijke rol kan blijven vervullen gedurende de uithuisplaatsing;
  • Het contact tussen de moeder en de grootouders verloopt op een goede manier zodat [minderjarige] daar profijt van heeft.
Uithuisplaatsing
8.6.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
8.7.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Gelet op de ernstige zorgen, de problematiek van de moeder en de gedragsproblemen van [minderjarige] is de uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Er bestaat een patroon waarbij de moeder [minderjarige] naar de grootouders (mz) brengt wanneer zij het idee heeft niet meer voor [minderjarige] te kunnen zorgen om hem vervolgens weer op te halen. Sinds het supermarktincident verblijft [minderjarige] bij de grootouders (mz). [minderjarige] heeft rust en stabiliteit nodig en kan dat bij de grootouders (mz) krijgen.
8.8.
De machtiging zal, in lijn met hoe de Raad en de moeder dat hebben verzocht, voor zes maanden worden verleend en voor het overige deel worden aangehouden zodat de kinderrechter zicht kan houden op de situatie rondom [minderjarige] . De kinderrechter verwacht van
de Raad, al dan niet via de GI, uiterlijk
op na te melden PRO FORMA datumin een schriftelijk verslag (een en ander onder gelijktijdige verzending daarvan aan de advocaat van de moeder en de GI) nadere informatie over:
  • Het verloop van de ondertoezichtstelling;
  • De stand van zaken ten aanzien van de uithuisplaatsing;
  • De stand van zaken ten aanzien van de begeleiding en behandeling van [minderjarige] ;
  • De stand van zaken ten aanzien van de omgang met de moeder;
  • Of de Raad het resterende deel van het verzoek handhaaft.
8.9.
Indien en voor zover uit de verslaglegging blijkt dat het resterende verzoek wordt gehandhaafd, zal de kinderrechter in afstemming met de verhinderdata van de advocaat van de moeder een nieuwe zittingsdatum bepalen. Als de moeder aangeeft geen behoefte te hebben aan de nieuwe zitting en de kinderrechter daar evenmin aanleiding toe ziet, zal de zaak verder schriftelijk worden afgedaan. De kinderrechter streeft ernaar om de zaak aan zich te houden.
Uitvoerbaar bij voorraad
8.10.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8.11.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

9.De beslissing

De kinderrechter:
9.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 5 februari 2026 tot 5 februari 2027;
9.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 5 februari 2026 tot 5 augustus 2026;
9.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
9.4.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de Raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing aan tot
9 juli 2026 PRO FORMA, in afwachting van informatie van de Raad zoals weergegeven onder rechtsoverweging 8.8;
9.5.
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 16 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.