ECLI:NL:RBZWB:2026:1522

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443553 / KG ZA 25-699
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken tot vervangende toestemming schoolinschrijving en huisartswijziging in gezagszaak

Partijen, voormalig gehuwd en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over twee minderjarige kinderen, zijn in geschil over de zorgregeling, schoolkeuze en huisartswijziging. De kinderen verblijven bij de moeder. De vader vorderde nakoming van de zorgregeling en voorlopige ondertoezichtstelling, maar trok deze in nadat de Raad voor de Kinderbescherming een voorlopige ondertoezichtstelling had verzocht en verkregen.

De moeder vorderde vervangende toestemming voor inschrijving van de kinderen op een andere basisschool en wijziging van huisarts. Zij stelde dat er sprake is van intieme terreur en kindermishandeling, wat leidt tot opschorting van omgang en noodzaak tot wijziging van school en huisarts. De Raad adviseerde terughoudendheid bij schoolwissel vanwege de zorgelijke situatie en het lopende onderzoek.

De voorzieningenrechter oordeelde dat onvoldoende spoedeisend belang bestaat voor vervangende toestemming voor schoolinschrijving en huisartswijziging, mede gelet op het lopende bodemonderzoek en de voorlopige ondertoezichtstelling. De vorderingen van beide partijen werden afgewezen, proceskosten werden gecompenseerd en de gecertificeerde instelling kreeg regie over het contactherstel tussen vader en kinderen.

Uitkomst: Verzoeken tot vervangende toestemming voor schoolinschrijving en huisartswijziging worden afgewezen; voorlopige ondertoezichtstelling wordt bevestigd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/443553 / KG ZA 25-699
Vonnis in kort geding van 6 februari 2026
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. J.L.P. Heuts te Breda,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verweerster in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. F. Ergec te Bergen op Zoom.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
- de mondelinge behandeling op 23 januari 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4
Voor deze mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (ieder afzonderlijk) gesproken over de vorderingen. Hierbij is ook gesproken over de brieven die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de kinderrechter hebben geschreven (in het kader van een informele rechtsingang). De rechter heeft tijdens de mondelinge behandeling samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens deze kindgesprekken hebben verteld.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015 (hierna: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017 (hierna: [minderjarige 2] ).
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
De minderjarige verblijven bij de vrouw.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2022 is, voor zover thans van belang, bepaald dat een door de griffier gewaarmerkt exemplaar van het convenant en
ouderschapsplan aan de beschikking worden gehecht. In het ouderschapsplan zijn partijen een zorgregeling overeengekomen op grond waarvan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] – kort gezegd – iedere donderdagavond vanaf 18:30/19:30 uur en iedere vrijdag bij de man verblijven. Om het weekend brengt de man [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug op vrijdagavond 18:30/19:30 uur en het andere weekend blijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook zaterdag en zondag bij de man tot zondagavond 18:30/19:30 uur. Ook zijn afspraken gemaakt over de vakanties en feestdagen, zoals opgenomen in het ouderschapsplan.
2.5.
Bij de rechtbank is een (bodem)procedure aanhangig (bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/435177 / FA RK 25-2372) waarin nog verzoeken voorliggen over – kort gezegd – vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een andere basisschool, wijziging van de zorgregeling en wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank heeft partijen in die procedure bij beschikking van 21 oktober 2025 in het kader van het Uniform Hulpaanbod verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West voor een (jeugd)hulptraject. Aan het loket is verzocht uiterlijk 19 mei 2026 pro forma te rapporteren. In afwachting daarvan is iedere overige beslissing aangehouden. Aan de Raad is voorwaardelijk verzocht een onderzoek in te stellen in het geval het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet.
2.6.
Bij beslissing van de kinderrechter, gegeven tijdens de mondelinge behandeling van 23 januari 2026, zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 23 januari 2026 en tot 23 april 2026.

3.Het geschil in conventie en reconventie

3.1.
De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. De vrouw te veroordelen tot nakoming van de afspraken over de zorgregeling in het
ouderschapsplan, aangehecht aan de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-
Brabant, locatie Middelburg van 24 maart 2022;
2) De vrouw te veroordelen aan de man een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor
iedere dag dat zij niet aan de veroordeling tot nakoming voldoet, met een maximum van € 25.000,00;
3. Indien de Raad voor de Kinderbescherming geen voorlopige ondertoezichtstelling vraagt aan uw rechtbank, verzoekt de man u per direct een voorlopige ondertoezichtstelling van de kinderen uit te spreken;
4. De vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding aan de zijde van de man.
Tijdens de mondelinge behandeling van 23 januari 2026 heeft de man zijn vorderingen onder 1, 2 en 3 ingetrokken.
3.2.
De man heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen en als verweer tegen de reconventionele vorderingen van de vrouw, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.
De hulpverlening die in het kader van het Uniform Hulpaanbod zou worden ingezet, is gestagneerd. Voordat de hulp werd ingezet heeft de vrouw (via haar advocaat) medegedeeld dat de contacten tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] per direct zou worden opgeschort. Volgens de man is niet gebleken van ernstige of bijzondere omstandigheden waardoor nakoming van de zorgregeling niet meer in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan worden geacht. De man herkent de zorgelijke signalen die de vrouw benoemt niet en hij vermoedt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een loyaliteitsconflict zitten als gevolg van de spanningen tussen partijen. Blijkens het eindverslag in het kader van het Uniform Hulpaanbod zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een proces van ouderonthechting terecht gekomen. Het is in hun belang dat ze weer contact krijgen met de man. De man begrijpt wel dat het contactherstel zorgvuldig en in stappen moet gebeuren en is bereid mee te werken aan alles wat hiervoor nodig is, ook bijvoorbeeld aan begeleide omgang. De man is van mening dat er hulp nodig is om tot contactherstel te komen en dat daarnaast hulp voor het systeem noodzakelijk is. De man heeft in eerste instantie nakoming van de zorgregeling gevorderd en daarnaast verzocht een voorlopige ondertoezichtstelling uit te spreken. Nu een voorlopige ondertoezichtstelling tijdens de mondelinge behandeling op verzoek van de Raad is uitgesproken, kan de gecertificeerde instelling (hierna: de GI) zich richten op contactherstel en hoe dat vormgegeven gaat worden, maar ook op hulp die is gericht op de kinderen en het systeem. De man heeft daarom zijn vorderingen tot nakoming van de zorgregeling en tot het uitspreken van de voorlopige ondertoezichtstelling ingetrokken.
De man betwist dat er ten aanzien van de vorderingen van de vrouw over wijziging van school en wijziging van huisarts sprake is van een spoedeisend belang. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een huisarts waarmee ze vertrouwd zijn op een beperkte afstand. Ten aanzien van de wijziging van school geldt dat dit verzoek al voorligt in de bodemprocedure en er geen noodzaak is daarop nu te beslissen. De man acht het ook niet in het belang van de minderjarigen om hen nu vanuit hun vertrouwde omgeving op school te halen. Het is een welbewuste keuze geweest van de vrouw om te verhuizen, zodat de gevolgen voor haar rekening moeten komen. De vrouw dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in die vordering. Gevorderd wordt de vrouw te veroordelen in de proceskosten, omdat sprake is van een situatie waarin niet kan worden gekozen voor compensatie.
3.3.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze als onbewezen en ongegrond te ontzeggen.
In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat dat afspraken over de zorgregeling zoals aangehecht aan de beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Locatie Middelburg van 24 maart 2022 voor onbepaalde tijd opgeschort zal zijn;
II. de Raad voor de Kinderbescherming te bevelen een Raadsonderzoek te starten naar welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is;
III. te bepalen dat de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om de kinderen [minderjarige 1] geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] , in te schrijven bij de [basisschool] gelegen aan de [adres] ;
IV. te bepalen dat de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om de kinderen [minderjarige 1] geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] in te schrijven bij de [accommodatie] te [woonplaats 1] , dan wel [hulpverlening 1] in [plaats 1] dan wel [hulpverlening 2] in [plaats 2] (en/of [plaats 3] ) opdat zij de benodigde medische hulp kunnen verkrijgen;
V. te bepalen dat de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om de kinderen [minderjarige 1] geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] in te schrijven bij een huisarts van haar keuze in de [woonplaats 2].
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar vorderingen onder 1 en 2 en 4 ingetrokken.
3.4
Ter onderbouwing van haar verweer en vorderingen voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan. De vrouw heeft door voortdurende psychische mishandeling door de man tijdens en na hun relatie de diagnose PTSS gekregen en is daarvoor in behandeling. Er was en is sprake van intieme terreur. De man probeert macht en controle over de vrouw uit te oefenen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de afgelopen jaren bij verschillende personen en instanties aangegeven niet meer naar de man toe te willen. Zij hebben gezegd dat de man hen heeft mishandeld en de man heeft dit zelf ook deels erkend. De vrouw heeft de afgelopen periode een radicale achteruitgang bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bemerkt die bestond uit onder andere verminderde eetlust, bedplassen en toenemende angst en weerstand om naar de man toe te gaan. Daarnaast is er een nieuwe melding bij Veilig Thuis gedaan. De vrouw heeft daarom de omgang tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgeschort en gevorderd deze te opschorting te laten voortduren. Deze opschorting is gebaseerd op twee pijlers: enerzijds de intieme terreur en anderzijds de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De hulpverlening vanuit het Uniform Hulpaanbod is gestagneerd. De vrouw meent dat het CJG de plank volledig heeft misgeslagen en op geen enkele wijze deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar de kindermishandeling, ondanks meldingen bij Veilig Thuis. Er is onterecht geconcludeerd dat de weerstand bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortkomt uit een loyaliteitsconflict door de gebrekkige communicatie tussen partijen. De vrouw meent dat de onderliggende dynamiek tussen partijen en het gedrag van de man richting [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en haarzelf moet worden onderzocht, alvorens de conclusie van ouderonthechting te trekken. Er moet zicht komen op waarom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich gedragen zoals ze doen. Duidelijk is dat zij hulp nodig hebben. De huisarts heeft reeds een doorverwijzing gegeven voor psychologische hulp, maar de man heeft hier nog niet mee ingestemd.
Nu tijdens de mondelinge behandeling een voorlopige ondertoezichtstelling is uitgesproken, kunnen de signalen van kindermishandeling die de kinderen afgeven en de oorzaak van de weerstand die zij hebben tegen de man worden onderzocht en kan de GI regie voeren over het contact tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast kan onder regie van de GI hulp worden ingezet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw heeft daarom haar vorderingen tot nakoming van de zorgregeling, het doen van een Raadsonderzoek en vervangende toestemming voor hulp voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingetrokken.
De vordering alsnog vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving op de school in [woonplaats 2] blijft gehandhaafd. Het halen en brengen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar de school in [woonplaats 1] is lastig en kost de nodige tijd. Daarnaast is het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lastig om contact te maken met andere kinderen in hun huidige woonplaats, omdat zij daar niet naar school gaan. Er is sprake van een wijziging van omstandigheden. De kans is niet reëel dat het uiteindelijk tot een co-ouderschap komt, ook vanwege het stopzetten van het Uniform Hulpaanbod en het onderzoek naar mishandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Verder wordt verzocht vervangende toestemming te verlenen voor wisseling van de huisarts. Zij hebben er belang bij om naar een huisarts in hun woonplaats toe te kunnen als zij ziek zijn. Het spoedeisend belang is ook gelegen in de omstandigheid dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op deze manier niet in [woonplaats 2] kunnen aarden.
Er is geen aanleiding voor de door de man gevorderde proceskostenveroordeling.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.2.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat in het kader van de bodemprocedure inderdaad een negatieve terugmelding is gekomen vanuit het Uniform Hulpaanbod. De Raad, regio West- en Midden Brabant, zal derhalve onderzoek gaan verrichten ten behoeve van de in de bodemprocedure (bekend onder zaak/rekestnummer: C/02/435177 / FA RK 25-2372). Dit onderzoek zou uitgebreid kunnen worden met een onderzoek naar een kinderbeschermende maatregel, maar het onderzoek is nog niet gestart. Gezien de signalen die uit de stukken en hetgeen tijdens de mondeling naar voren zijn gekomen, heeft de Raad tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, naar voren gebracht dat een spoedmaatregel noodzakelijk is en mondeling verzocht een voorlopige ondertoezichtstelling over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit te spreken. De Raad heeft hiertoe, kort samengevat, aangevoerd dat er snel zicht moet komen op de kindsignalen, en dat hulpverlening onvoldoende van de grond komt, terwijl die er zo snel mogelijk moet komen. De Raad stelt dat de route strafbare kindermishandeling moet worden gevolgd om zicht te krijgen op het mogelijke geweld. Daarbij kan worden gedacht aan de inzet van de NICHD-methode bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de MASIC-methode bij partijen. Gelet op de grote zorgen die er over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn en het ontbreken van zicht op wat er precies speelt, acht de Raad een schoolwissel op dit moment een te ingrijpende wijziging voor hen. De vraag is of zij een schoolwissel op dit moment aankunnen. De Raad is van mening dat er eerst meer zicht op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet komen.
4.3.
Het standpunt en het verzoek van de Raad hebben ertoe geleid dat de kinderrechter, tijdens de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure, mondeling heeft beslist dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht worden gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant voor de duur van drie maanden. De voorzieningenrechter verwijst naar hetgeen hierover in de beschikking bekend onder zaak- rekestnummernummer C/02/444312/JE RK 26-130 is overwogen en beslist. In het kader van dit kort geding is met name van belang dat de kinderrechter in het kader van die beslissing heeft bepaald dat door de GI – kort samengevat – op moet worden gewerkt aan de volgende doelen 1) het inzetten van hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de vorm van een kindbehartiger, vertrouwenspersoon, psycholoog of soortgelijke hulp zodat zij zo snel mogelijk een onafhankelijke persoon hebben om mee te praten, 2) het onderzoeken of er sprake is geweest van kindermishandeling en/of intieme terreur door middel van de NICHD-methode bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de MASIC-methode bij de ouders en 3) het onderzoeken van de weerstand bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tegen contact met de man, als die weerstand niet voortvloeit uit het onder 2 genoemde, en het onderzoeken van de (on)mogelijkheden voor contactherstel en daarop regie te voeren. De kinderrechter heeft de GI daarbij verzocht om de uitkomsten van het onder sub 2 en 3 genoemde onderzoek terug te koppelen aan de Raad, regio West- en Midden Brabant, zodat de Raad deze informatie mee kan nemen in het onderzoek ten behoeve van de bodemprocedure (bekend onder zaak/rekestnummer: C/02/435177 / FA RK 25-2372) dat ziet op de in die procedure aanhangige verzoeken ten aanzien van de wijziging school, wijziging hoofdverblijf en wijziging zorgregeling.
4.4.
Gelet op de uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling en de daarin genoemde doelen hebben partijen ermee ingestemd dat de GI na het onderzoeken van de (on)mogelijkheden voor contactherstel tussen de man en de minderjarigen
voorlopigregie voert op het contact tussen de man en de minderjarigen. De voorzieningenrechter zal dit (ook) vastleggen in het kader van deze procedure. De man heeft vervolgens zijn vorderingen onder 1 en 2 vervolgens ingetrokken en ook de vrouw heeft vervolgens haar vordering onder 1 ingetrokken. De man heeft zijn vordering onder punt 3 ingetrokken, omdat de voorlopige ondertoezichtstelling reeds is uitgesproken op verzoek van de Raad. De vrouw heeft de vrouw haar vordering onder punt 2 ingetrokken, omdat de Raad in dat kader onderzoek zal doen. De vrouw heeft ook haar vordering onder punt 4 ingetrokken, omdat hulpverlening in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling door de GI kan worden ingezet. De voorzieningenrechter hoeft daarom geen beslissing meer te nemen op die vorderingen.
4.5.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt ten aanzien van de nog voorliggende vorderingen.
Vervangende toestemming inschrijving school
4.6.
De vordering tot het verlenen van vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op [basisschool] te [woonplaats 2] ligt reeds voor in de bodemprocedure. In die procedure is dit verzoek onderwerp van een onderzoek door de Raad. Dit onderzoek is nog niet verricht een advies hierover is dus niet gegeven. De argumenten die de vrouw heeft aangevoerd voor wijziging van de school zijn grotendeels ook in de bodemprocedure aangevoerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een spoedeisend belang om vooruitlopend op het advies van de Raad en een beslissing in de bodemprocedure nu vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de verzochte school, temeer nu de Raad adviseert op dit moment geen ingrijpende veranderingen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] – zoals wijziging van school – door te voeren. Gelet hierop zal de vordering van de vrouw worden afgewezen.
Vervangende toestemming inschrijving andere huisarts
4.7.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken van een spoedeisend belang bij vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij een huisarts in [woonplaats 2] . Gebleken is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment staan ingeschreven bij een huisarts in [woonplaats 1] en dus toegang hebben tot een huisarts. Zij zijn daar recent ook nog geweest. Gesteld noch gebleken is dat dat de (beperkte) afstand tussen de woonplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en [woonplaats 1] tot dusdanige problemen leidt dat nu met spoed de gevorderde wijziging van huisarts noodzakelijk is. Gelet hierop zal de vordering van de vrouw worden afgewezen.
Proceskostenveroordeling
4.8.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Er is onvoldoende gebleken van omstandigheden die maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.
Brieven voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
4.9.
De voorzieningenrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf van haar te horen krijgen wat er in deze procedure wordt beslist, ook omdat een deel van de vorderingen samenhangen met de vragen die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de kinderrechter hebben voorgelegd in het kader van een informele rechtsingang, die niet zal worden voortgezet nu partijen als ouders hun procesverantwoordelijkheid reeds hebben genomen. De voorzieningenrechter vindt het ook belangrijk dat de andere betrokkenen weten wat aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt teruggekoppeld. Hierna zal de voorzieningenrechter zich daarom tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] richten. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die zowel naar [minderjarige 1] als naar [minderjarige 2] wordt gestuurd.
4.1
Op 23 januari 2026 heb je een gesprek gehad met de rechter. Dat was om twee redenen.
De eerste reden was omdat je zelf een brief hebt geschreven. De rechter wilde daarover met jou praten.
De tweede reden was omdat je vader en moeder gevraagd hebben aan de rechter om over een aantal dingen te beslissen. De rechter wilde daarover ook graag jouw mening weten.
De rechter vindt het fijn dat je op gesprek bent gekomen. Jouw mening is belangrijk. Tijdens het gesprek heb jij jouw mening gegeven over alle onderwerpen. Jij hebt verteld dat het belangrijkste voor jou is dat je naar de andere school toe kan gaan. Ook vind je het belangrijk dat je niet meer naar je vader toe hoeft te gaan. Verder zou je het fijn vinden om met iemand te kunnen praten.
Hieronder leg ik uit wat de rechter heeft beslist.
De rechter heeft een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken. Dat betekent dat er iemand gaat helpen om dingen te regelen voor jou en jouw vader en moeder. Zo iemand wordt een jeugdbeschermer genoemd. De jeugdbeschermer gaat bekijken welke hulp het beste is voor jou. De bedoeling is ook dat er iemand komt met wie je kan praten.
Ook is afgesproken dat de jeugdbeschermer gaat onderzoeken of het wel of niet goed voor jou is om contact met je vader te hebben. Je hebt verteld over mishandeling door jouw vader en dat je niet naar je vader toe wilt omdat je hem gemeen vindt. Dat nemen we serieus.De rechter vindt dat dit goed onderzocht moet worden door een onafhankelijke partij. De rechter heeft daarom aan de jeugdbeschermer gevraagd om dit goed te (laten) onderzoeken. Daarna gaat de jeugdbeschermer bekijken wat er wel en niet mogelijk is in het contact met jouw vader. De rechter vindt het belangrijk dat dit gebeurt op een manier waarbij jij je veilig voelt en vindt het slim om de jeugdbeschermer als onafhankelijke partij hierover te laten beslissen, zodat je ouders hier geen ruzie over hoeven te maken. Jouw vader en moeder zijn het ermee eens dat de jeugdbeschermer als onafhankelijke persoon beslissingen gaat nemen over het contact tussen jou en jouw vader.
Over de verandering van school doet de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek. Als dat onderzoek klaar is, gaat de Raad voor de Kinderbescherming een advies geven. De rechter vindt dat moet worden gewacht op dat advies. De rechter geeft daarom nu nog geen toestemming voor verandering van school.
Tot slot vindt de rechter het nu niet heel erg nodig om van huisarts te veranderen. Dat betekent dat je bij dezelfde huisarts blijft waar je al eerder naar toe bent gegaan.
Hopelijk is het duidelijk voor jou wat de rechter heeft beslist.
Omdat er is beslist over de dingen die jij in je brief hebt geschreven, zal de rechtbank geen aparte zaak meer starten over jouw brief.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
5.1.
bepaalt, onder verwijzing naar hetgeen de kinderrechter hierover in de beschikking bekend onder zaak- rekestnummernummer C/02/444312/JE RK 26-130 heeft overwogen en beslist en hetgeen hiervoor onder 4.4. is overwogen, dat de GI na het onderzoeken van de (on)mogelijkheden voor contactherstel tussen de man en de minderjarigen
voorlopigregie voert op het contact tussen de man en de minderjarigen;
5.2.
wijst de vorderingen van de man en de vrouw af;
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hendriks, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van der Welle, griffier.