ECLI:NL:RBZWB:2026:1526

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443587 / JE RK 25-2343
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige in jeugdhulpaccommodatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De minderjarige verblijft reeds op een woongroep en de GI heeft zorgen geuit over de veiligheid en ontwikkeling van het kind, mede door de invloed van een vriend die soft- en harddrugs van de moeder zou hebben ontvangen.

Tijdens de mondelinge behandeling gaf de minderjarige aan graag weer bij de moeder te willen wonen, terwijl de moeder zich verzet tegen de verlenging en de zorgen van de GI betwist. De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord via een Teams-verbinding en heeft de standpunten van partijen afgewogen.

De kinderrechter oordeelt dat de verlenging noodzakelijk is om de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen. De hulpverlening is nog onvoldoende geborgd en de moeder moet een noodzakelijke behandeling ondergaan. De machtiging wordt daarom verlengd voor zes maanden, met de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Tevens wordt benadrukt dat een overplaatsing naar een passende plek dichter bij de moeder wenselijk is om toekomstperspectief te onderzoeken.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd voor zes maanden en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443587 / JE RK 25-2343
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg ,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van 31 december 2025, ontvangen op 31 december 2025;
  • de brief van de GI met bijlage, overhandigd tijdens de mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover via een Teams-verbinding een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 11 september 2017 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 11 september 2017 en tot 11 september 2018. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 4 maart 2021 tot 11 september 2021.
2.3.
Bij beschikking van 5 september 2018 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg verleend met ingang van 11 september 2018 en tot 11 september 2019. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 11 februari 2020 tot 11 juni 2020.
2.4.
Bij beschikking van 25 augustus 2023 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 augustus 2023 en tot 25 december 2023. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 25 augustus 2026.
2.5.
Bij beschikking van 4 februari 2025 is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 februari 2025 en tot 18 februari 2025. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 25 februari 2026.
2.6.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] op een woongroep van
[accommodatie] in [plaats 1] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij graag weer terug bij de moeder wil wonen, of in ieder geval dichterbij de moeder. Hij begrijpt niet waarom hij niet thuis mag wonen.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de recente (zorgelijke) ontwikkelingen naar de brief die zij tijdens de mondelinge behandeling heeft overlegd. Er zijn zorgen over drugs en het aandeel van de moeder hierin. Ook licht de GI toe dat er mogelijk een plek is voor [minderjarige] bij [hulpverlening] in [plaats 2] , maar dat eerst moet worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn met betrekking tot school en dagbesteding in die regio. De GI zegt dat [minderjarige] soms wel begrijpt waarom hij niet thuis kan wonen, maar vaak niet (meer), mede door zijn eigen problematiek.
4.3.
De moeder voert verweer tegen een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. Ze begrijpt niet waarom [minderjarige] nog niet naar huis kan. De situatie op de woongroep is alleen maar verslechterd. Zij en [minderjarige] raken elkaar bovendien steeds meer kwijt. Het is belangrijk dat hij zo snel mogelijk naar [plaats 2] komt. De moeder kan zich tot slot niet vinden in de zorgen die de GI heeft beschreven in haar brief.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is. Dit licht de kinderrechter als volgt toe.
5.3.
De kinderrechter stelt vast dat er zorgelijke ontwikkelingen zijn met betrekking tot de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . Zo hebben er verschillende incidenten plaatsgevonden waarbij een vriend van [minderjarige] , die een negatieve invloed heeft op [minderjarige] en op een andere groep in [plaats 1] verblijft, bij de moeder tegen de regels in heeft overnacht. Daarnaast heeft deze jongen verklaard soft- en harddrugs te hebben gekregen van de moeder, hetgeen ook blijkt uit foto’s en spraakberichten in het Whatsapp-gesprek van de moeder en de jongen. De moeder ontkent dit en betrekt [minderjarige] bij deze situatie. Naar aanleiding van deze zorgen heeft de GI de verlofdagen en bijbehorende afspraken aangepast, zoals het afleggen van alcohol- en drugstesten. De kinderrechter is, anders dan de moeder, van oordeel dat een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk is om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] te (blijven) waarborgen. Er zijn aanhoudende zorgen over [minderjarige] en de hulpverlening is nog onvoldoende opgestart en geborgd. Hierdoor kan [minderjarige] nog niet veilig terug naar huis. Het is van belang dat de GI de komende periode de hulpverlengingstrajecten monitort en continueert, zodat er duidelijkheid komt over het goed genoeg ouderschap van de moeder en het toekomstperspectief van [minderjarige] . Hiervoor is het tevens noodzakelijk dat de samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de hulpverlening verbetert en dat de moeder de noodzakelijke behandeling bij Emergis ondergaat. [minderjarige] krijgt op de woongroep één-op-één begeleiding, hetgeen passend is bij zijn opvoedbehoeften. Dit maakt dat de machtiging uithuisplaatsing moet worden gecontinueerd. Tot slot merkt de kinderrechter op dat het voor zowel de moeder als [minderjarige] belangrijk is dat [minderjarige] op korte termijn naar een passende plek in [plaats 2] wordt overgeplaatst, gelet op de huidige afstand tussen de woongroep en de woning van de moeder. Op die manier kan immers verder worden onderzocht in hoeverre een (gedeeltelijke) thuisplaatsing van [minderjarige] haalbaar is en wat daarvoor nodig is. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de verzochte duur van zes maanden, te weten met ingang van 25 februari 2026 en tot 25 augustus 2026.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.5.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 februari 2026 en tot 25 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en
op schrift gesteld op 20 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.