ECLI:NL:RBZWB:2026:1532

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444834 / JE RK 26-226
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ernstig ontregelend gedrag en overbelasting moeder

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 6 februari 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2021, vanwege ernstige zorgen over zijn gedrag en de overbelasting van de moeder. De minderjarige vertoont dagelijks ontregelend gedrag zoals schreeuwen, slaan en schoppen, en reageert disproportioneel op grenzen. De moeder is door de combinatie van het gedrag van de minderjarige, de zorg voor een pasgeboren baby en het ontbreken van steun volledig overvraagd en heeft aangegeven niet meer voor zichzelf te kunnen instaan.

De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd en dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om deze bedreiging weg te nemen. De moeder stemt in met een tijdelijke plaatsing in een crisispleeggezin, maar de vader is onbereikbaar waardoor zijn wettelijk vereiste instemming niet kan worden verkregen. Dit belemmert de inzet van passende hulp en de veiligheid van de minderjarige kan onvoldoende worden gewaarborgd.

De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening voor de duur van drie maanden, met ingang van 6 februari 2026 tot 20 februari 2026. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden. De Raad, de ouders en de gecertificeerde instelling worden opgeroepen voor een zitting op 17 februari 2026.

Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking. De beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken door kinderrechter Hendriks en op schrift gesteld in aanwezigheid van griffier Duerink-Bottinga.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht en verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing wegens ernstig ontregelend gedrag en overbelasting van de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444834 / JE RK 26-226
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland-West-Brabant, Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het mondelinge verzoek van de Raad op 6 februari 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 9 februari 2026.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie van de Raad ontvangen. De gemeente Sluis heeft op 6 februari 2026 een melding gedaan bij de Raad waaruit ernstige zorgen over [minderjarige] en diens gedrag naar voren komen. Hij vertoont dagelijks ontregelend gedrag zoals schreeuwen, slaan en schoppen en reageert disproportioneel op grenzen. Sinds 5 januari 2026 is [minderjarige] in dagbehandeling (MKD) bij [hulpverlening] , waar eveneens zorgen zijn geuit over zijn emotieregulatie, hechting en uitspraken die niet leeftijdsadequaat zijn. De moeder heeft hulp gevraagd nu voor haar de thuissituatie met [minderjarige] onhoudbaar is geworden. De moeder ervaart ernstige overbelasting en heeft aangegeven dat zij niet voor zichzelf instaat als er niets verandert. De moeder is door de combinatie van [minderjarige] ’s gedrag, de zorg voor een pasgeboren baby en het ontbreken van steun volledig overvraagd. Haar draagkracht-draaglastbalans is ernstig verstoord en ze geeft dagelijks noodsignalen af richting betrokken professionals van de GGD en [hulpverlening] . Sinds 5 februari 2026 is ook de jeugdconsulent van de gemeente Sluis betrokken, die de zorgen onderschrijft en hierover op 6 februari 2026 bij de Raad aan de bel heeft getrokken. De Raad acht een directe tijdelijke ontlasting van de thuissituatie noodzakelijk. Een (tijdelijke en deels) verblijf van [minderjarige] binnen het netwerk is niet mogelijk, waardoor een tijdelijke plaatsing in een crisispleeggezin als het meest passend wordt geacht. Daarnaast is intensieve ondersteuning van de moeder nodig om de veiligheid en structuur te herstellen, alsmede onderzoek naar de ouder-kindrelatie om deze te versterken en diagnostisch onderzoek naar [minderjarige] ’s ontwikkelingsbehoeften. De moeder stemt in met een directe tijdelijke plaatsing in een crisispleeggezin. Doordat de vader met gezag, ondanks diverse pogingen van de jeugdconsulent en de Raad om met hem in contact te komen, onbereikbaar is, kan zijn wettelijk vereiste instemming voor een directe tijdelijke plaatsing niet worden verkregen. Hierdoor stagneert de inzet van passende hulp en wordt de veiligheid van [minderjarige] onvoldoende gewaarborgd.
4.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
4.3.
Er bestaan ernstige zorgen over [minderjarige] ’s gedrag. Er is bij hem sprake van heftig, externaliserend gedrag. De opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder thuis staat door zijn gedrag en door de overbelasting van de moeder onder druk. De moeder lijkt door de combinatie van [minderjarige] ’s gedrag, de zorg voor een pasgeboren baby en het ontbreken van steun volledig overvraagd. Haar draagkracht-draaglastbalans is dusdanig verstoord, dat zij inmiddels dagelijks de noodklok luidt bij de betrokken professionals van de GGD en [hulpverlening] en recent heeft aangegeven dat zij niet voor zichzelf instaat als er niets verandert. Deze noodkreet van de moeder baart de betrokken hulpverleners en de kinderrechter zorgen.
Uit de informatie van de Raad blijkt dat een directe tijdelijke ontlasting van de thuissituatie bij moeder noodzakelijk is. Daarnaast is intensieve ondersteuning van de moeder nodig om de veiligheid en structuur te herstellen, alsmede onderzoek naar de ouder-kindrelatie om deze te versterken en diagnostisch onderzoek naar [minderjarige] ’s ontwikkelingsbehoeften. Deze maatregelen zijn noodzakelijk voor de veiligheid, ontwikkeling en het toekomstperspectief van het gezin.
4.4.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2] Uit het verzoek blijkt dat de draagkracht- draaglastbalans van de moeder ernstig verstoord is en dat zij heeft aangegeven de zorg voor [minderjarige] niet langer te kunnen dragen. De moeder heeft zorgelijke signalen afgegeven en aangegeven niet voor zichzelf te kunnen instaan als de situatie niet verandert. Een directe tijdelijke ontlasting van de thuissituatie is noodzakelijk. De Raad heeft aangegeven dat de moeder instemt in met een directe tijdelijke plaatsing in een crisispleeggezin. De vader met gezag is, ondanks diverse pogingen van de jeugdconsulent en de Raad om met hem in contact te komen, onbereikbaar. Hierdoor kan zijn wettelijk vereiste instemming voor een directe tijdelijke plaatsing niet worden verkregen, stagneert de inzet van passende en noodzakelijke hulp en kan de veiligheid van [minderjarige] op dit moment onvoldoende worden geborgd.
4.5.
De kinderrechter is van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] , omdat de moeder heeft aangegeven dat zij niet meer voor zichzelf in staat en dit een ernstig, acuut risico voor [minderjarige] op kan leveren. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht tot 20 februari 2026. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin tot 20 februari 2026, zulks onder aanhouding van het resterende deel van de verzoeken.
4.6.
De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
4.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.8.
De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 6 februari 2026 tot 20 februari 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 6 februari 2026 tot 20 februari 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.5.
roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. R.A. Borm op 17 februari 2026 om 12:00 uur voor de duur van 45 minuten in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
5.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, en op schrift gesteld op 9 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.