ECLI:NL:RBZWB:2026:1534

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444472 / JE RK 26-157
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:257 BWArt. 1:247 lid 2 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling ongeboren kind wegens zorgen over veiligheid en opvoeding

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling van het ongeboren kind, omdat er grote zorgen zijn over de veiligheid en opvoedsituatie bij de moeder. De moeder is eind maart uitgerekend en kampt met trauma’s, emotieregulatieproblemen, stress door eerdere uithuisplaatsingen van haar andere kinderen en een gespannen relatie met de vader. Er zijn incidenten van fysiek geweld geweest en veiligheidsafspraken worden niet structureel nageleefd.

De moeder stemt in met het verzoek en wil laten zien dat zij bereid is hulp te accepteren, maar vraagt om een andere jeugdbeschermer dan die van haar andere kinderen vanwege mogelijke vooringenomenheid. De gecertificeerde instelling ondersteunt het verzoek en benadrukt dat de moeder ondersteuning nodig heeft om daadwerkelijk stappen te zetten.

De kinderrechter acht het belang van het kind zodanig dat het ongeboren kind als geboren moet worden aangemerkt. Gezien de ernstige bedreiging van de ontwikkeling en het ontbreken van voldoende zorg, wordt het kind voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden. Er komt een tweede jeugdbeschermer om de moeder te begeleiden en toezicht te houden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en wordt geregistreerd in het gezagsregister.

Uitkomst: Het ongeboren kind wordt voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden vanwege ernstige zorgen over veiligheid en opvoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/444472 / JE RK 26-157
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[het ongeboren kind],
hierna te noemen het ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. D. Boudrad uit Gilze.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 januari 2026.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 6 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Hoewel daartoe correct opgeroepen zijn de vader en de moeder niet bij de zitting verschenen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is zwanger van het nog ongeboren kind. Zij is eind maart uitgerekend.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het ongeboren kind voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden.
3.2.
De Raad heeft de kinderrechter in dit verband verzocht om het nog ongeboren kind op grond van artikel 1:2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als reeds geboren aan te merken, omdat het belang van het kind dit vordert. Tot slot verzoekt de Raad de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De Raad
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan.
De Raad is van mening dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De moeder is eind maart 2026 uitgerekend. Er bestaan grote zorgen over de emotionele beschikbaarheid van de moeder en de veiligheid die zij aan de ongeboren baby kan bieden. Hoewel de moeder gemotiveerd is om het goed te doen, lukt het haar door haar eigen trauma’s, problemen met emotieregulatie, de stress door de uithuisplaatsing van haar twee andere kinderen en de spanningen binnen haar relatie met de vader niet voldoende om een stabiele en veilige opvoedomgeving te creëren. De wisselende en soms escalerende relatie tussen de ouders is zorgelijk. Er hebben zich meerdere escalaties voorgedaan, soms met fysiek geweld. De gemaakte veiligheidsafspraken om herhaling te voorkomen worden tot nu toe niet structureel nageleefd. De Raad acht het daarom van groot belang om duidelijk te krijgen op welke wijze de vader een veilige en constructieve rol in de opvoeding kan vervullen. Daarnaast is er twijfel of de moeder het overzicht kan behouden over belangrijke zaken, deze goed kan regelen en tijdig hulp inschakelt. De Raad acht het noodzakelijk dat er hulpverlening wordt ingezet, bijvoorbeeld in de vorm van Baby Thuiszorg en het voortzetten van systeemtherapie voor beide ouders.
4.2.
Op dit moment lukt het de moeder onvoldoende om de geboden hulp te accepteren. Zij onderneemt zelf te weinig stappen om zaken te regelen en het ontbreekt haar aan inzicht in wat er nodig is. Zij heeft iemand nodig die haar begeleidt en ondersteunt, zodat zij niet overbelast raakt. Samenvattend concludeert de Raad dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de ongeboren baby een eerlijke, veilige en rustige start te geven, met een moeder die emotioneel beschikbaar is en de zorg voor haar kind centraal stelt. Daarbij is het belangrijk dat de moeder de ondersteuning krijgt die zij nodig heeft en dat er heldere afspraken worden gemaakt over de rol en betrokkenheid van de vader. Een jeugdbeschermer kan toezicht houden op het gezin en ervoor zorgen dat passende hulp wordt ingezet. De Raad benadrukt dat het van belang is dat de moeder ook daadwerkelijk meewerkt.
De moeder
4.3.
Namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij instemt met het verzoek van de Raad. De moeder was bang dat haar ongeboren kindje, net als haar twee andere kinderen, uit huis geplaatst zou worden. De moeder ziet het verzoek als een kans om te laten zien dat zij het kan. Zij wil laten zien dat ze bereid is om hulp te accepteren en hier actief mee aan de slag te gaan. Wel geeft de moeder aan dat zij voor haar ongeboren baby graag een andere betrokken jeugdbeschermer zou willen. De jeugdbeschermer die bij haar andere twee kinderen betrokken is, heeft volgens haar al een bepaald beeld en oordeel over haar gevormd. Zij kan mogelijk niet onbevooroordeeld naar de situatie kijken. Om die reden zou de moeder graag willen dat er een andere jeugdbeschermer toegewezen wordt. Zij staat wel achter de voorlopige ondertoezichtstelling; zij is blij dat er hulp komt en wil graag laten zien dat ze het zelf kan.
De GI
4.4.
De GI geeft, samengevat, aan dat zij achter het verzoek van de Raad staat. Er is een jeugdbeschermer betrokken bij de andere twee kinderen van de moeder. De GI ziet een zorgelijke situatie. De moeder geeft aan dat zij bereid is om overal aan mee te werken, maar dat wordt door de GI niet gezien. Hulpverlening komt regelmatig niet van de grond of loopt niet. De moeder geeft aan dat zij graag wil, maar heeft ondersteuning nodig om daadwerkelijk stappen te kunnen zetten. De GI heeft geluisterd naar de wens van de moeder. Er zal een tweede jeugdbeschermer komen die naast de huidige jeugdbeschermer het aanspreekpunt voor de moeder zal zijn. De GI geeft aan dat de zorgen de afgelopen periode niet zijn afgenomen. Om de ongeboren baby een veilige basis te kunnen bieden, is het noodzakelijk dat de moeder stappen gaat zetten. Gelet op het voorgaande acht de GI het noodzakelijk dat het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt toegewezen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Volgens artikel 1:2 BW Pro wordt een kind reeds als geboren aangemerkt zo dikwijls zijn belang dit vordert. Op grond van artikel 1:257 BW Pro kan een ongeboren kind voorlopig onder toezicht worden gesteld van een GI indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat het nog ongeboren kind als geboren moet worden aangemerkt omdat het belang van het kind dit vordert. De reden daarvoor is dat er zorgen zijn over het welzijn van het kind, nu en na de geboorte.
5.4.
Uit de ingediende stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt het volgende. De moeder verwacht haar kind eind maart 2026, maar er zijn grote zorgen over de veiligheid voor de ongeboren baby in de thuissituatie bij de moeder. De moeder heeft in het verleden veel meegemaakt. Door haar eigen trauma’s, problemen met emotieregulatie, stress vanwege de uithuisplaatsing van haar andere kinderen en spanningen met de vader van het ongeboren kind, lukt het haar op dit moment onvoldoende om een veilige opvoedomgeving te bieden. Daarnaast bestaan er zorgen over haar huisvesting en de wisselende, soms escalerende relatie tussen de ouders. Er zijn meerdere incidenten geweest waarbij fysiek geweld werd gebruikt en veiligheidsafspraken niet werden nageleefd. De moeder wil graag laten zien dat zij bereid is om hulp te accepteren, maar zij overziet veel zaken niet en is overbelast.
5.5.
Om de moeder te ondersteunen bij het behouden van overzicht, het regelen van zaken en het inschakelen van hulpverlening is het noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer komt die haar kan helpen. Het is belangrijk om het ongeboren kind een veilige en rustige start te geven, met een emotioneel beschikbare moeder. De moeder moet de benodigde ondersteuning krijgen, maar de kinderrechter benadrukt dat haar medewerking hierbij cruciaal is. De GI sluit aan bij de wens van de moeder: er komt een tweede jeugdbeschermer die naast de huidige jeugdbeschermer het aanspreekpunt voor de moeder zal zijn.
5.6.
Gelet op al het voorgaande wordt aan de wettelijke criteria voor een voorlopige ondertoezichtstelling voldaan. Daarom zal de kinderrechter het ongeboren kind voorlopig onder toezicht stellen voor de duur van drie maanden.
5.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.8.
Aangezien de maatregel tot voorlopige ondertoezichtstelling van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is, is het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren daarvan niet nodig.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
beschouwt het ongeboren kind als geboren;
6.2.
stelt het ongeboren kind voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 6 februari 2026 tot 6 mei 2026;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [2]

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.
2.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).